[ad_1]

De Nederlandse overheid moet zich richten op de transitie van een economie die afhankelijk is van aardgas naar een duurzame economie. De naar verwachting structureel hoge gasprijzen maken deze onvermijdelijke transformatie van de economie nog urgenter. Dat schrijft waarnemend secretaris-generaal Gerdine Keijzer-Baldé van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in haar jaarlijkse nieuwjaarsartikel, dat vandaag verschijnt in Economisch Statistische Berichten (ESB).

De weg naar een toekomstbestendige economie

De Nederlandse economie kent door decennia aan ruim beschikbaar en goedkoop gas een gasintensieve industrie. Alhoewel de gasprijzen volatiel en onzeker zijn, is het waarschijnlijk dat de gasprijzen in Europa in de toekomst relatief hoog zullen blijven. De transformatie naar een duurzame  economie is al ingezet vanuit klimaatoverwegingen, maar is door de huidige ontwikkelingen op de gasmarkt nog dringender geworden.

Keijzer-Baldé schrijft dat door deze langdurig veranderde omstandigheden een economische herstructurering onvermijdelijk is. Ze benadrukt dat we ons daarom niet moeten focussen op het behoud van een specifieke sectorstructuur. In plaats daarvan moet de overheid zich richten op het stellen van duidelijke kaders en randvoorwaarden voor een duurzame en concurrerende industrie, zoals het organiseren van infrastructuur waar nodig.

Keijzer- Baldé: “De transitie naar duurzaamheid biedt bedrijven de mogelijkheid om zichzelf opnieuw uit te vinden en zich aan te passen aan de toekomst.”

Een casus-specifieke afweging

Alhoewel de concurrentiekracht van gasintensieve bedrijven onder druk staat, kunnen bedrijven volgens Keijzer-Baldé weer toekomstperspectief krijgen door te verduurzamen.  Ondanks dat de hoge gasprijzen verduurzaming op dit moment relatief aantrekkelijk maken, kost dit proces tijd. Er zijn bijvoorbeeld nog obstakels op het gebied van de energie-infrastructuur, de beschikbaarheid van grondstoffen, en schaarste op de arbeidsmarkt.

Keijzer-Baldé schetst het dilemma dat deze timing met zich meebrengt: als de overheid bedrijven niet in deze overgangsperiode steunt kan waardevolle kennis en kapitaal verloren gaan, maar tegelijkertijd is het zeer kostbaar om bedrijven voor een lange periode te steunen. Daarbij dempt het een aantal belangrijke prikkels: het besparen van gas, en het aanwenden van financiële buffers voor onverwachte tegenvallers. Toch kan de overheid ervoor kiezen om bedrijven met tijdelijke steun te helpen een eerste klap in de transitie op te vangen.

Tijdelijke en gerichte steun kan helpen bij transformatie

Als de overheid ervoor kiest om bedrijven te steunen, is het volgens Keijzer-Baldé belangrijk dat dit aansluit bij de verduurzamingsopgave en andere lange termijn doelstellingen van het kabinet. Hierbij is het van belang rekening te houden met uitvoerbaarheid, een gelijk speelveld en strategische autonomie bij het verlenen van eventuele steun. De steun moet gericht zijn op bedrijven die het echt nodig hebben. Dat kan nu nog niet altijd, want hiervoor ontbreekt de juiste administratieve infrastructuur. Bovendien moet er een gelijk speelveld worden gecreëerd op Europees niveau, waarbij steunpakketten binnen de EU niet leiden tot ongelijke concurrentie. In specifieke gevallen zal strategische autonomie worden gezien als een legitieme reden voor staatssteun om cruciale waardeketens in Nederland of de EU te behouden.

Nederland als koploper in de duurzame industrie

Keijzer – Baldé besluit haar artikel optimistisch. Nederland heeft door zijn gasinfrastructuur een voordelige positie om voorop te lopen in de overgang naar waterstof. De hele wereld zal zich de komende jaren aan moeten passen aan een economie zonder fossiele brandstoffen, wat Nederland de kans biedt om een leidende rol te spelen en een duurzame industrie in Nederland en Europa te creëren.

Lees het volledige nieuwjaarsartikel van Gerdine Keijzer – Baldé hier.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

The world’s biggest companies, from Netflix to Ben & Jerry’s, are pouring billions into an offsetting industry whose climate claims appear increasingly at odds with reality

Standards for the offsets for many companies are set by Verra.  Founded in Switzerland in 2007 and now based in Washington DC, Verra’s original two-person team has swelled to more than 80. At the time of writing, Verra was advertising 26 vacancies, seven of them with six-figure salaries.  Household names like British Airways and Gucci rely on Verra to authenticate their credits, which now approves three out of every four carbon credits globally. Growth is ramping up, with sales jumping from around $7 million in 2018 to $41 million in 2021.

During last autumn’s climate negotiations in Egypt, Verra announced it had issued its billionth carbon credit, meaning that in 15 years it has rubber-stamped projects claiming to cancel out three times the emissions the UK produces in a year. Verra’s main role is to publish methodologies for creating carbon offsetting projects, including  forest protection initiatives, and authenticate the credits they generate.

‘Avoided deforestation’ has always been controversial. At best, it underpins projects that save some of the planet’s most precious resources from destruction. At worst, it risks degenerating into a sort of protection racket where landowners extract fees in return for promises not to fire up the chainsaws. Often, it occupies a grey area in between, relying on hypothetical projections that can be tough to verify.

Gold Standard, Verra’s main competitor, refuses to issue credits from avoided deforestation. But rather than discrediting the methodology, this has simply helped Verra to corner a market, says Axel Michaelowa, head of international climate policy at the University of Zurich. Verra’s stance means that at least 30 per cent of credits currently being sold globally are for avoided deforestation.

“Verra has always been very good at somehow undercutting other standards in the voluntary market by being cheaper, by being less demanding,” Michaelowa said. “And less demanding, of course, means having lower environmental integrity.”

SourceMaterial’s investigation casts doubt on vast numbers of Verra’s carbon credits, raising the prospect that a $2 billion market, predicted to expand rapidly, is widely based on exaggerated claims.

Verra is becoming increasingly important. In 2021 a court in the Netherlands ordered a buyer of Verra-backed credits, Shell, to reduce its emissions. The oil major aims to get its annual carbon credit purchases up to 120 million by 2030 and is using its offsetting plans as part of an appeal against the decision.

Read the full article

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Fedet NLA, de Nederlandse Licht Associatie, is met haar leden het initiatief ‘met LED kan het’ gestart. De groep zal zich inzetten om de energiebesparing in Nederland te bevorderen. Hoewel het algemeen bekend is dat LED-verlichting energie bespaart, is dit nog niet breed omarmd in Nederland. Zo is bijvoorbeeld nog maar 20 procent van het hoofdwegennet en ongeveer de helft van de kantoorgebouwen in Nederland voorzien van LED-verlichting.

Stijgende energiekosten

Het initiatief is tot stand gekomen doordat Nederlandse fabrikanten en importeurs van lichtbronnen en lichtarmaturen opmerkten dat de energietransitie versneld moet worden en de problemen die de netcongestie veroorzaken opgelost moeten worden. Een van de wegen die hiervoor bewandeld kan worden, is het vervangen van conventionele verlichting, zoals TL-verlichting en gloeilampen, door LED-verlichting. Hoewel veel van de deze verlichting inmiddels niet meer verkocht mag worden, wordt het in veel gebouwen nog gebruikt tot het einde van de levensduur. Hierdoor laat het effect van de transitie naar LED te lang op zich wachten.

De partijen hebben met het platform ‘Met LED kan het’ twee doelen. Het eerste is om meer energie te besparen in Nederland. Dat zal de energietransitie, die hoognodig is, bevorderen en tevens een besparing in de portemonnee opleveren. De stijgende energiekosten van het afgelopen jaar benadrukken de noodzaak van dit initiatief alleen nog maar meer. Ten tweede zal het besparen van energie ervoor zorgen dat er minder energie in Nederland opgewekt of ingekocht hoeft te worden. Een eerste, conservatieve inschatting van de partijen laat zien dat het massaal overstappen op LED-verlichting een energiebesparing van 50 tot 80 procent kan opleveren. Dit staat gelijk aan de opbrengst van één kerncentrale in Nederland en kan daarmee een positieve bijdrage aan het milieu leveren.

Anne-Jaap Deinum, directeur bij Fedet, vertelt over dit initiatief: “We gaan ervan uit dat we met dit initiatief in heel Nederland meer energie kunnen besparen. Hoewel veel mensen weten dat overstappen naar LED-verlichting hierbij een belangrijk onderdeel is, wordt deze stap nog te weinig overwogen. Ondanks dat de investering zich snel, met de huidige tarieven al binnen twee jaar, uitbetaalt. In onder andere het bedrijfsleven en bij de overheid zijn er nog genoeg stappen te zetten. De overheid zou het lichtende voorbeeld in deze kwestie moeten zijn, maar de helft van de overheidsgebouwen heeft momenteel nog niet eens energielabel C of hoger. Terwijl dit wel verplicht is gesteld sinds 1 januari. Daarnaast hoop ik dat er weer subsidies en regelingen vanuit de overheid komen om de overstap naar LED aan te moedigen. Dit kan volgens onze berekeningen namelijk jaarlijks 6,5 terraWatt aan energie besparen. Dat staat gelijk aan zo’n 13 miljard keer wassen, 240 miljard telefoons opladen of 6,8 miljoen airco’s die op jaarlijkse basis veertig dagen gebruikt worden. Een ongelooflijk besparingspotentieel waar wij, en hopelijk ook de rest van Nederland, ons hard voor maken.”

Meer weten over dit initiatief? Lees het hier: www.metledkanhet.nl.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Als het kabinet een eerlijke bijdrage wil leveren aan de klimaatafspraken van Parijs, dan is het noodzakelijk dat het toekomstige klimaatbeleid voor een belangrijk deel gericht is op het verminderen van vervuilende activiteiten. Dat blijkt uit een publicatie van onderzoeksbureau Ecorys, in opdracht van Natuur & Milieu, Greenpeace en Milieudefensie. Ecorys heeft voor alle economische sectoren die bijdragen aan de Nederlandse CO2-uitstoot in kaart gebracht welke beleidsmaatregelen nodig zijn om binnen de afspraak van maximaal 1,5 graden opwarming te blijven.

Ecorys nam in het onderzoek alle sectoren mee die onderdeel uitmaken van het Nederlandse Klimaatakkoord: elektriciteit, industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik.
De milieuorganisaties spreken van een duidelijk beeld: ‘Dit onderzoek laat zien dat het nog steeds mogelijk is om de CO2-uitstoot van ons land tijdig en voldoende te verminderen. Dat is een opluchting. Maar het is ook heel duidelijk dat we er met de huidige klimaataanpak niet komen, dus politiek en beleidsmakers, ga aan de slag met de benodigde maatregelen.’

Nederlands koolstofbudget

Ieder jaar blijkt uit de Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat Nederland fors achterloopt met het halen van de klimaatdoelen. Het kabinet heeft aangegeven komend voorjaar met aanvullend beleid te komen om de achterstand in te halen. Uit eerder onderzoek van Natuur & Milieu, Greenpeace en Milieudefensie door NewClimate Institute, bleek bovendien dat Nederlandse klimaatdoelen (55% reductie in 2030, klimaatneutraal in 2050) niet scherp genoeg zijn om binnen het mondiale doel van de 1,5 graden opwarming te blijven. Het NewClimate Institute liet zien dat Nederland voor 2037 al 100% klimaatneutraal moet zijn om binnen het Nederlandse koolstofbudget te blijven. Ecorys heeft nu onderzocht welke ‘beleidsomslagen’ nodig zijn.

Verminderen, verbeteren en vervangen

De benodigde beleidsomslagen zijn ruwweg in te delen in drie categorieën: verminderen, verbeteren en vervangen van vervuilende processen en activiteiten. Uit het rapport blijkt dat de benodigde CO2-uitstoot per sector niet gehaald kan worden zonder maatregelen uit de categorie ‘verminderen van vervuilende activiteiten’. Bijna de helft van de reductie wordt gehaald met maatregelen uit deze categorie.

‘Het kabinet kiest nu vaak voor beleid waarmee activiteiten efficiënter of schoner kunnen worden uitgevoerd, maar dit rapport laat onmiskenbaar zien dat dat onvoldoende is. Uiteindelijk moeten we toe naar minder autokilometers, minder dieren in de landbouw, minder producten en minder energieverbruik. Natuurlijk is daar politieke moed voor nodig, maar de gevolgen van klimaatverandering zijn catastrofaal als overheden moeilijke besluiten blijven uitstellen’, aldus de milieuorganisaties.

Voorbeelden van beleidsomslagen

  • Geen uitbreidingen meer van snelwegen. Het totaal aantal autokilometers moet omlaag en meer asfalt laat het autogebruik juist toenemen. Investeer in plaats daarvan in openbaar vervoer, laadinfrastructuur en deelmobiliteit.
  • Omschakeling van intensieve veehouderij naar grondgebonden bedrijven, in combinatie met het verminderen van het aantal dieren.
  • Daling energieverbruik: van een vraaggestuurd naar een aanbodgestuurd systeem. Dat betekent bijvoorbeeld dat er geen plek meer is voor grote nieuwe energieslurpers zoals datacentra wanneer het aanbod van duurzame energie dat niet toelaat.
  • Circulair grondstof- en materiaalgebruik in de industrie. Om de industrie deze overstap te laten maken, moeten er veel scherpere normen komen voor het gebruik van gerecyclede grondstoffen.

Klimaatrechtvaardigheid

Klimaatrechtvaardigheid is een belangrijk onderdeel van de energietransitie. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen en het moet voor iedereen mogelijk zijn om de transitie door te maken. Maatregelen mogen dus niet slechter uitpakken voor mensen met lage inkomens. Daarom zijn in het onderzoek ook maatregelen toegevoegd waarvan zij juist profiteren of waarbij zij worden ontzien of gecompenseerd. Bijvoorbeeld door extra ondersteuning van mensen met een krappe beurs of compensatie aan huishoudens en mkb-bedrijven die financieel onevenredig hard worden geraakt.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Op 12 januari was een groot aantal partijen, betrokken bij de ontwikkeling van batterijen in Nederland – kleine bedrijven, multinationals en kennisinstellingen – aanwezig bij de kick off van het BatteryNL consortium. Hun doel is om binnen acht jaar de volgende generatie batterijen te ontwikkelen op basis van een beter begrip van materiaal-grensvlakken.

Veiligere batterijen met een hogere dichtheid

BatteryNL wil de volgende generatie batterijen ontwikkelen die veiliger zijn, een hogere energiedichtheid hebben en over een langere levensduur beschikken – allemaal cruciaal voor een samenleving die gebaseerd is op duurzame energiebronnen.

Marnix Wagemaker, TU Delft: “Wij ontwikkelen materialen voor de volgende generatie batterijen die veiliger en milieuvriendelijker zijn en hogere prestaties leveren, die nodig zijn om het toekomstige elektriciteitsnet te stabiliseren en de voordelen van elektrische mobiliteit te benutten.”

Het hart van de batterijen onderzocht en verbeterd

Op basis van unieke Nederlandse expertise zal het consortium het hart van deze felbegeerde batterijen – de elektrode-elektrolyt interface – onderzoeken en verbeteren met behulp van schaalbare technologieën.

Adriana Creatore, Technische Universiteit Eindhoven: “We verbinden de wetenschap om processen op het grensvlak kathode/elektrolyt en elektrolyt/anode te ontrafelen met dunne film-gebaseerde, opschaalbare interface-engineering. Op die wijze realiseren we batterijen die een hoge energiedichtheid hebben, veilig en kosteneffectief zijn.”

Spilfunctie in de ontwikkeling van de toekomstige batterijtechnologie

Om de maatschappelijke integratie van deze technologische doorbraken te vergemakkelijken, zullen de sociale en economische gevolgen in nauwe samenwerking met diverse belanghebbenden worden geëvalueerd. Dit consortium van experts, kleine bedrijven, multinationals en maatschappelijke organisaties maakt zo de weg vrij voor Nederlandse partijen om een spilfunctie te vervullen in de ontwikkeling van toekomstige batterijtechnologie.

Mark Huijben, Universiteit Twente: “Het beheersen van de elektrode-elektrolyt interface is de grote uitdaging voor de volgende generatie batterijen, omdat uitzonderlijke energiecapaciteiten gecombineerd moeten worden met het elimineren van elk capaciteitsverlies in de tijd.”

Kick off Battery NL

Tijdens de bijeenkomst werden alle werkpakketten (WP’s) gepresenteerd door hun leiders:

  • WP1: 2-dimensionale Li-ion batterij modelsystemen: begrip van interface reacties en strategieën naar stabiele interfaces, Mark Huijben.
  • WP2: Ontwikkeling van interface strategieën en vertaling van 2D naar 3D, Petra de Jongh
  • WP3: Operationele karakterisering, Moniek Tromp
  • WP4: Opschalingsstrategieën voor interface ontworpen batterijmaterialen, Mahmoud Ameen
  • WP5: Veiligheid, prestatie en integratie, Erik Kelder
  • WP6: Socio- en technisch-economische studies, Bob van der Zwaan
  • WP7: Battery NL netwerk, samenwerking en outreach, Marnix Wagemaker
  • WP8: Projectmanagement, Ingrid de Haer

Alle partijen op één lijn: van academische wereld tot start-ups

BatteryNL bestaat uit experts binnen de academische wereld, hightech startups, multinationals en maatschappelijke partners. Naast de initiatiefnemers, Technische Universiteit Delft, Universiteit Twente, Technische Universiteit Eindhoven, Universiteit Utrecht en Rijksuniversiteit Groningen, bestaat het consortium uit de Universiteit van Amsterdam, TNO, Holst Centre, Hogeschool Rotterdam, Hogeschool Utrecht, Hanzehogeschool, Saxion Hogeschool, Fontys Hogeschool, Delft IMP, E-magy, Euro Support, LeydenJar, Lionvolt, LithiumWerks, PTG/e, Shell, SALD, VSParticle, Air Liquide, Forschungszentrum Jülich, MEET Battery Research Centre, ANWB, DNV, Durapower, EnergyStorageNL, InnoEnergy, New Energy Coalition, RAI, Solvis, VDL. BatteryNL vertegenwoordigt de top academische universiteiten en Hogescholen die actief zijn in batterijonderzoek in Nederland. De academische partners zijn experts in batterij- en interfacematerialen/chemie en karakteriseringsmethoden (vooral tijdens batterijgebruik). Prof. M. (Marnix) Wagemaker (TU Delft – Faculteit Toegepaste Wetenschappen) is de projectleider van het door NWO-ORC gefinancierde project van 9,3 miljoen euro (projectnummer NWA.1389.20.089).

Petra de Jongh, Universiteit Utrecht: “De ontwikkeling van betere batterijen past perfect in ons duurzaamheidsgerelateerde onderzoek aan het Debye Instituut van de Universiteit Utrecht. Met onze expertise in het ontwerpen en begrijpen van nieuwe materialen maken we de vertaalslag van 2D naar 3D mogelijk: van de atomaire schaal naar de nanoschaal.”

Onderzoek, onderwijs en valorisatie

Daarnaast hebben de hogescholen expertisecentra ontwikkeld op het gebied van duurzaamheid en energietransitie, specifiek gericht op de rol van batterijen, waar onderzoek en onderwijs samenkomen en waar de resultaten kunnen worden gevaloriseerd en benut. De betrokkenheid van bedrijven bij het consortium zal bijdragen tot een grotere impact doordat de succesvolle technologieën op grotere schaal in batterijsystemen kunnen worden toegepast, wat uiteindelijk zal bijdragen tot een duurzamere samenleving. De meest relevante nationale stakeholders op het gebied van mobiliteit en elektrische auto’s, zowel maatschappelijke stakeholders als bedrijven nemen deel aan BatteryNL.

Moniek Tromp, Rijksuniversiteit Groningen: “Naast de nieuwe materialen en geavanceerde (karakterisatie)methoden die we gaan ontwikkelen, heeft het project nu al de aanzet gegeven voor een Nederlands Batterij ecosysteem, inclusief de vele uiteenlopende stakeholders, die cruciaal zijn voor de energietransitie, de positie die Nederland kan innemen en de rol die ze daarin  kunnen spelen.”

Foto: Kick-off van het Nederlandse consortium BatteryNL

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Boskalis heeft de opdracht verworven voor de aanleg van een omvangrijk windpark voor de kust van de Verenigde Staten. Hiervoor zal Boskalis onder meer het transport en de installatie van de turbinefundaties en elektriciteitskabels voor zijn rekening nemen, met de inzet van twee kraanschepen en diverse transport- en kabellegschepen. Met het contract wordt een bijzondere mijlpaal voor Boskalis bereikt, omdat dit het honderdste windparkproject op zee betreft waaraan Boskalis de afgelopen tien jaar heeft gewerkt.

De verwerving van dit project volgt op een drukbezet jaar voor Boskalis in de offshore windmarkt. De kraanschepen Bokalift 1 en 2, alsmede het valpijpschip Seahorse waren actief op diverse projecten in Taiwan en met de surveyvloot is bodem- en grondonderzoek uitgevoerd ten behoeve van diverse offshore windprojecten in de Verenigde Staten en Europa, alwaar Boskalis ook actief was met zijn kabellegschepen.

Peter Berdowski, CEO Boskalis: “Wij zijn trots dat wij met de verwerving van dit prachtige project de mijlpaal van ons honderdste windpark op zee hebben bereikt. Het illustreert de leidende rol die wij het afgelopen decennium in de offshore windmarkt hebben opgebouwd. In die tien jaar waren wij betrokken bij de realisatie van bijna de helft van alle offshore windparken wereldwijd, met uitzondering van China. Met onze combinatie van activiteiten op het gebied van waterbouw en offshore leveren wij een unieke bijdrage aan de mondiale energietransitie.”

Boskalis is een toonaangevende internationale dienstverlener op het gebied van baggeren, maritieme infrastructuur en maritieme diensten. De onderneming levert wereldwijd creatieve en innovatieve totaaloplossingen voor infrastructurele uitdagingen in maritieme gebieden, kuststreken en rivierdelta’s. Met kernactiviteiten zoals kust- en oeverbescherming en landaanwinning kan Boskalis adaptieve en mitigerende oplossingen aanbieden ter bestrijding van de gevolgen van klimaatverandering, zoals extreme weersomstandigheden en de stijging van de zeespiegel, evenals oplossingen voor de toenemende behoefte aan ruimte in kust- en deltagebieden over de hele wereld. De onderneming faciliteert de ontwikkeling van offshore energie-infrastructuur, waaronder duurzame windenergie. Tevens is Boskalis actief in de aanleg en het onderhoud van havens, waterwegen, toegangskanalen en civiele infrastructuur waarmee bijgedragen wordt aan het faciliteren van handelsstromen en de sociaal-economische ontwikkeling van een regio. Boskalis is tevens een internationaal expert op het gebied van scheepsbergingen en heeft een strategisch partnership in terminaldiensten (Smit Lamnalco). Met een veelzijdige vloot van ruim 500 schepen en vaartuigen en circa 10.000 medewerkers, inclusief deelnemingen, is de onderneming wereldwijd actief met Creating New Horizons.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Als er de komende 10 jaar geen veranderingen aan hun organisatie worden doorgevoerd, is deze niet meer levensvatbaar. Daarvan is 40 procent van de CEO’s wereldwijd overtuigd. In Nederland denkt bijna de helft (45 procent) van de CEO’s dat hun organisatie binnen tien jaar ten einde komt als deze doorgaat op dezelfde koers. Dat blijkt uit de 26e PwC CEO Survey, een jaarlijks onderzoek naar de visie van bedrijfsbestuurders over de economie, de eigen organisatie en de omgeving waarin zij opereren. Aan het onderzoek deden wereldwijd 4.410 CEO’s mee, van wie 85 in Nederland. Klimaatverandering neemt dit jaar een relatief minder belangrijke plaats in op de agenda van de CEO’s. Toch zijn de meeste van hen wel bezig met de energietransitie. De meeste CEO’s proberen tegelijkertijd te decarboniseren, te innoveren en een klimaatstrategie te ontwikkelen.

Een meerderheid van de CEO’s rekent de komende tijd de hoge energieprijzen door en neemt initiatieven om het verbruik te verminderen. 34 procent wil overschakelen naar andere energiebronnen. Vrijwel alle CEO’s zijn bezig met het reduceren van de CO2-reductie. 41 procent heeft deze maatregelen daadwerkelijk geïmplementeerd en 49 procent is nog bezig met voorbereidingen daarvoor.

Deze uitkomst laat ook zien dat er een transitie gaande is.

Meer informatie

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Henkel en IGNIS, de Spaanse geïntegreerde hernieuwbare energiegroep, hebben een tienjarige Virtual Power Purchase Agreement (VPPA) getekend met betrekking tot twee nieuwe zonne-energiecentrales in Spanje. Het aandeel van Henkel in de geproduceerde elektriciteit komt overeen met de vraag van meer dan 40 productievestigingen van het bedrijf in Europa.

Met behulp van dergelijke langlopende VPPA’s draagt Henkel bij tot extra opwekking van hernieuwbare energie. De overeengekomen hoeveelheid elektriciteit zal aan het openbare elektriciteitsnet worden geleverd. De nieuwe zonne-energiecentrales komen in Castilla y León en Andalucía (Spanje) en zullen jaarlijks 72.000 ton CO2-uitstoot vermijden, vergeleken met de algemene elektriciteitsproductie uit fossiele bronnen. Met een totaal productievolume van ongeveer 220.000 MWh per jaar zullen de zonneparken volgens plan in de zomer van 2024 op het net worden aangesloten. De overeenkomst met Henkel heeft betrekking op ongeveer 90 procent van de totale elektriciteitscapaciteit van het project.

“Bij Henkel zijn we op weg naar een ecologische transformatie van ons bedrijfsmodel. Aangezien we streven naar klimaatpositieve activiteiten tegen 2030, zijn projecten zoals deze VPPA een belangrijke hefboom om het aandeel groene energie in het net te vergroten en zo de bredere omschakeling van fossiele naar hernieuwbare energie te versnellen”, aldus Ulrike Sapiro, Chief Sustainability Officer bij Henkel. “Deze VPPA is het meest impactvolle meerjarencontract voor hernieuwbare energie voor Henkel in Europa. We waarderen onze samenwerking met IGNIS en kijken uit naar de start van dit fantastische project”, voegt Petra Spallek, Henkel Corporate Vice President Purchasing, toe.

VPPA’s, samen met een combinatie van on-site productie van hernieuwbare elektriciteit en directe aankopen, zullen Henkel helpen om haar wereldwijde doelstelling van 100 procent hernieuwbare elektriciteit voor haar wereldwijde productielocaties in 2030 te halen.

Deze overeenkomst versterkt de bijdrage van IGNIS aan het koolstofvrij maken van de industrie en is een mijlpaal in de consolidatie van IGNIS als toonaangevend geïntegreerd energiebedrijf. Als wereldwijde onderneming richt IGNIS zich op PPA-overeenkomsten met een track record van duurzame energieprojecten wereldwijd.

“IGNIS zet zich sterk in om een van de belangrijkste onafhankelijke energieproducenten in Europa te worden en ondersteunt haar klanten in de energietransitie wereldwijd. We zijn er trots op deze overeenkomst met Henkel te hebben getekend en een van hun partners te worden voor het gebruik van duurzame energie”, aldus Santiago Bordiú, CEO van Asset and Energy Management van IGNIS.

De zonnecentrales zullen worden gebouwd en volledig worden geëxploiteerd door IGNIS, als aanvulling op een portefeuille van meer dan vier GW aan operationele activa die al door het bedrijf worden beheerd. Henkel werd bij de VPPA geadviseerd door Schneider Electric’s Sustainability Business.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Meer dan duizend privéjets vlogen afgelopen jaar binnen een week van en naar vliegvelden rond het Zwitserse Davos, tijdens het jaarlijkse World Economic Forum. Tijdens de top was de CO2-uitstoot van deze vluchten richting het bergresort vier keer hoger dan in een gemiddelde week. Dat blijkt uit een analyse van CE Delft in opdracht van Greenpeace International.

Luchtvaartexpert Maarten de Zeeuw van Greenpeace: “De rijkste en machtigste mensen vliegen naar Davos om daar achter gesloten deuren over klimaat en ongelijkheid te praten. Maar ze reizen met het vervuilendste en meest exclusieve vervoersmiddel: een privéjet. Dat is gewoon schaamteloos. Zeker nu er in januari door heel Europa hitterecords sneuvelen en klimaatrampen wereldwijd steeds meer mensen raken.’

Privéjets liggen sinds afgelopen jaar onder een vergrootglas, na kritiek op ultra-korte vluchten die prominente publieke figuren maken zoals bijvoorbeeld Max Verstappen. De analyse die Greenpeace International publiceert komt een paar dagen voordat leiders uit de politiek en het bedrijfsleven naar Davos afreizen voor het World Economic Forum 2023. De bijeenkomst heeft het zelfbenoemde doel om de klimaatcrisis en andere ‘lopende crises’ aan te pakken en roept op tot ‘stevige gezamenlijke actie’.

Dit onderzoek toont aan dat het aantal privévluchten van en naar vliegvelden rond Davos twee keer zo hoog was tijdens het World Economic Forum 2022 dan tijdens een gemiddelde week. Al deze vluchten veroorzaakten een CO2-uitstoot die gelijk staat aan wat 350.000 auto’s in één week uitstoten. De onderzoekers stellen dat de helft van de vluchten die week gelinkt kan worden aan de bijeenkomst van politiek leiders en CEO’s.

Van al deze vluchten was 53% een korte vlucht van minder dan 750 km die makkelijk met de trein of auto had gekund. 38% was zelfs korter dan 500 km. De allerkortste vlucht die week was maar 21 km. De meeste vluchten van of naar de Davos vliegvelden kwamen  vanuit Duitsland, Frankrijk en Italië. Vanuit Nederland gingen in de onderzochte periode acht vluchten heen en zes vluchten terug.

“80% van de wereldbevolking heeft nooit gevlogen, maar de klimaatschade die de luchtvaart veroorzaakt raakt hen wel. En dan claimt het WEF de 1,5 graad doelstelling uit het Klimaatakkoord van Parijs te omarmen. Daarmee is deze jaarlijkse ‘privéjet bonanza’ een onsmakelijk lesje hypocrisie. Als we echt willen gaan voor een groene, rechtvaardige en veilige wereld voor iedereen, dan horen privévliegtuigen in een museum thuis. De zogenaamde wereldleiders moeten het goede voorbeeld geven en privéjets en onnodige korte vluchten verbieden,” zegt De Zeeuw.

Privéjets zijn niet gereguleerd in de EU, ook al zijn ze het meest vervuilende vervoermiddel per passagier en kilometer. In 2022 begonnen verschillende EU landen in navolging van Frankrijk zich uit te spreken voor EU-brede afspraken om de vervuiling van privéjets terug te dringen.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Philips becomes the first health technology company to have its entire value-chain CO₂ emissions reduction targets approved by the Science Based Targets initiative (SBTi). Philips also awarded ‘double A’ score by global environmental non-profit CDP for leadership in corporate transparency and performance on climate change and water security – Philips’ 10th consecutive A-list score for climate action

Net-zero across the value chain

Incentivizing its suppliers to commit to science-based CO₂ emissions reduction targets is a key part of Philips’ efforts to reduce emissions across the company’s end-to-end value chain. With 40% of its suppliers (based on spend) now committed to science-based targets [1], Philips is already well on the way to achieving its 50% supplier commitment target for 2025. Combined with the carbon neutrality already achieved in the company’s operations, across Scope 1 (internal) and Scope 2 (energy sourcing) emissions, Philips’ added focus on its Scope 3 (value chain) emissions puts the company firmly in line with the Paris Agreement 1.5⁰C target. Philips is the first health technology company to have its Scope 3 CO₂ emissions reduction targets assessed and approved by the Science Based Targets initiative (SBTi), which means all the company’s climate change targets are now SBTi approved.

In December 2022, Philips was awarded a CDP ‘A-list’ score for climate change for the 10th consecutive time and became one of only 15 European companies to achieve a double A-list score for climate change and water security – the highest score achievable based on its 2022 reporting.

“Having our Scope 1, 2, and 3 emissions reduction targets approved by SBTi and our sustainability performance regularly assessed by CDP demonstrates Philips’ commitment to building a transparent, just and low-carbon value chain in line with the Paris Agreement 1.5⁰C target,” said Marnix van Ginneken, Chief ESG & Legal Officer at Philips. “Reducing emissions in our supply chain has a potential impact seven times greater than the reduction of CO₂ emissions from Philips’ own operations, so reducing our Scope 3 emissions has a real knock-on effect, reducing our overall carbon footprint and that of our suppliers and customers.” For the industry as a whole, a report by Health Care Without Harm concluded that 71% of the healthcare sector’s worldwide Scope 3 emissions are primarily derived from supply chains [2].

As part of its wider Supplier Sustainability Program, Philips collaborates closely with suppliers, using the tools, expertise, and experience it has gained while greening its own operations to help suppliers identify and mitigate their emissions. In 2021, the company provided tailored feedback and guidance to 89% of its strategic suppliers, helping them grow their climate change capabilities while also achieving cost-effective carbon reductions.

Committed to sustainable logistics, Philips is one of 19 global brands signed up to the coZEV initiative’s 2040 zero-carbon ocean shipping ambition.

Downstream to customers and users

Philips’ proactive program of Scope 3 emissions reduction is not confined to the company’s upstream supply chain activities. The company also addresses emissions in its downstream distribution system, customer base, and beyond, including emissions reductions associated with the use and end-of-life management of its products and solutions.

In the design of new products, Philips applies its EcoDesign principles to address energy consumption and materials use, avoids the use of hazardous substances, designs for end-of-life circularity, and makes product packaging easier to recycle and re-use. The company’s unique BlueSeal helium-free in operations MRI scanners, for example, massively reduce the need for helium gas produced as a byproduct of fossil fuel extraction, while its MR PowerSave and SmartSpeed technology can reduce a system’s power consumption by up to 46% between scans and up to 53% during scans.

Another example is the embedding of circular practices throughout Philips’ operations, via materials and circular packaging initiatives that see boxes and materials constantly being circulated between its suppliers, warehouses, and the Philips shop floor, resulting in substantial cost savings and significantly reducing single-use packaging and waste. Philips also increasingly offers a trade-in on all its professional medical equipment so it can be responsibly repurposed or recycled when customers have finished with it, in line with its ambitious circular economy target to offer a trade-in on all professional medical equipment, and taking care of responsible end-of-use management by 2025.

Notes:

[1] By year-end 2022.
[2] Health Care Without Harm, Climate-smart health care series Green Paper Number One ‘Health Care’s Climate Footprint: How the Health Sector Contributes to the Global Climate Crisis and Opportunities for Action’. https://noharm-global.org/sites/default/files/documents-files/5961/HealthCaresClimateFootprint_092319.pdf

[ad_2]

Source link

Berichten paginering