Met de hoge gasprijzen zoeken steeds meer mensen naar manieren om op hun energierekening te besparen. Een populaire oplossing is om de verwarming lager te zetten en alternatieve manieren te gebruiken om de woning te verwarmen. Infrarood verwarming is daarbij populairder dan ooit.

Infrarood verwarming werkt anders dan traditionele verwarmingssystemen. In plaats van de lucht in de ruimte te verwarmen, verwarmen infrared heating panels direct de objecten en mensen in de ruimte. Dit zorgt voor een snellere en efficiëntere manier van verwarmen, met als bijkomend voordeel dat er minder energie verbruikt wordt.

Andere populaire manieren

Naast infrarood verwarming zijn er nog andere populaire manieren om de woning te verwarmen zonder de gasrekening de hoogte in te laten schieten. Zo kiezen steeds meer mensen voor pelletkachels, waarbij houtpellets als brandstof worden gebruikt. Ook elektrische verwarming is in opkomst, met name warmtepompen en elektrische radiatoren.

Het voordeel van deze alternatieve verwarmingssystemen is dat ze op lange termijn kostenbesparend kunnen zijn. Hoewel de aanschafkosten hoger kunnen zijn dan bij traditionele verwarmingssystemen, is de terugverdientijd vaak korter omdat er minder energie wordt verbruikt.

Duurzamer

Naast de financiële voordelen spelen ook duurzaamheidsoverwegingen een rol bij de keuze voor alternatieve verwarmingssystemen. Steeds meer mensen willen graag hun steentje bijdragen aan het verminderen van de CO2-uitstoot en zoeken daarom naar duurzame oplossingen voor het verwarmen van hun woning.

Het gebruik van infrarood verwarming panels en andere alternatieve verwarmingssystemen past binnen deze trend van duurzaamheid. Door bewuster om te gaan met onze energiebronnen en te kiezen voor meer duurzame oplossingen, kunnen we niet alleen geld besparen maar ook een bijdrage leveren aan het terugdringen van de CO2-uitstoot.

Hoewel het belangrijk is om bewust om te gaan met ons energieverbruik en te kiezen voor duurzame oplossingen, is het ook belangrijk om te beseffen dat niet elk alternatief verwarmingssysteem geschikt is voor elke woning. Het is daarom verstandig om je goed te laten informeren en adviseren door een expert voordat je een keuze maakt voor een alternatief verwarmingssysteem. Zo kun je er zeker van zijn dat je kiest voor een systeem dat past bij jouw woning en jouw behoeften.

Infrarood verwarming is in ieder geval een veelbelovende optie die steeds meer mensen overwegen. Met de voordelen van efficiëntie, duurzaamheid en kostenbesparing kan het zeker een interessante keuze zijn voor wie op zoek is naar een alternatieve manier van verwarmen.

[ad_1]

Uit een studie geleid door onderzoekers van de Universiteit Antwerpen en het Catalaanse onderzoekscentrum rond ecologie en bosbeheer CREAF blijkt dat uitgestrekte natuurgebieden wereldwijd symptomen van destabilisatie vertonen, en dus op het punt staan ingrijpend te veranderen. Daarbij zou het vermogen van deze gebieden om koolstof vast te leggen in het gedrang kunnen komen.

Een studie die deze week gepubliceerd werd in het gerenommeerde vakblad Nature, wijst op duidelijke tekenen van destabilisatie van de koolstofopname in landecosystemen in grote delen van de wereld. Volgens de studie behoren het Middellandse Zeegebied, Zuidoost-Azië en de westkust van Noord- en Midden-Amerika tot de gebieden die het meeste risico lopen op destabilisatie. In het Middellandse Zeegebied kunnen abrupte veranderingen bossen omvormen tot struwelen met kreupelhout.

Het verschil tussen de opname en de uitstoot van CO2 in deze gebieden schommelt steeds meer, met sommige jaren sterke plantengroei (en dus hoge koolstofvastlegging) en andere jaren zwakke plantengroei (en lage koolstofvastlegging). De auteurs van het onderzoek waarschuwen dat deze toenemende variabiliteit wijst op de ontwrichting van ecosystemen, met abrupte veranderingen tot gevolg.

Bossen verworden tot struwelen

“Niet alleen de variabiliteit van deze ecosystemen neemt toe, maar ook hun ‘geheugen’, waarbij de koolstofopname in een bepaald jaar steeds positiever gerelateerd is aan de opname het jaar voordien. Zo is het alsmaar waarschijnlijker dat een lage koolstofopname gevolgd wordt door een nog lagere opname het jaar daarna”, zegt de hoofdauteur van de studie, Marcos Fernández, onderzoeker aan de Universiteit Antwerpen en CREAF.

“Dit zijn duidelijke symptomen van destabilisatie van belangrijke ecosystemen, die abrupte veranderingen teweeg kunnen brengen in landschappen. In mediterrane ecosystemen kunnen bossen bijvoorbeeld verworden tot struwelen met kreupelhout, en dat is in het huidige klimaat een onomkeerbaar proces.”

De studie bevestigt dat de gebieden met het grootste risico op destabilisatie minder bosareaal en meer akkerland hebben, warmer zijn, en grotere temperatuurschommelingen kennen. Dat kan in verband staan met een toename van extreme weersomstandigheden, zoals hitte- en koudegolven. Tot deze risicogebieden behoren de westkust van Noord- en Midden-Amerika, het Middellandse Zeegebied, het oosten van Afrika, India, Pakistan en Zuidoost-Azië.

Voor deze studie werkte het onderzoeksteam met gegevens over de wereldwijde netto ecosysteemproductie voor de periode 1981–2018 van CAMS en CarboScope, twee wereldwijde atmosferische inversiemodellen. Ze gebruikten ook gegevens over de netto ecosysteemproductie van TRENDY, een verzameling van twaalf dynamische wereldwijde vegetatiemodellen.

Instabiliteit bemoeilijkt koolstofvastlegging

De studie toont aan dat het vermogen om koolstof vast te leggen de afgelopen jaren aangetast is in de regio’s met het grootste risico op destabilisatie, terwijl dat vermogen juist toegenomen is in gebieden waar de variabiliteit afgenomen is, zoals het Amazonegebied en delen van Midden- en Noord-Europa. “In de Amazone is er weliswaar koolstof verloren gegaan tijdens de onderzoeksperiode, maar de verliezen worden steeds kleiner omdat de capaciteit voor koolstofvastlegging van deze systemen groter wordt”, legt onderzoeker Josep Peñuelas van CREAF uit.

“De koolstofcyclus kunnen voorspellen is essentieel als we de klimaatverandering willen tegengaan, want landecosystemen vangen momenteel ongeveer een derde van alle menselijke koolstofuitstoot af. Als het vermogen om koolstof vast te leggen afneemt in deze gebieden, dan zullen we met z’n allen onze CO2-uitstoot nog sterker moeten gaan inperken”, zegt Sara Vicca (UAntwerpen), een van de auteurs van de studie.

“We weten nog niet of zulke abrupte veranderingen het klimaat of de koolstofvastleggingscapaciteit van planten zullen veranderen, maar in elk geval wordt het door de mogelijke destabilisatie van grote delen van de biosfeer veel moeilijker om voorspellingen te doen.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Wereldwijd stellen bedrijven ambitieuze milieu-, sociale en bestuursdoelstellingen (ESG) vast, maar slechts 6% voert op actieve wijze maatregelen uit om die doelstellingen te halen. De meeste bedrijven (53%) bevinden zich nog in een relatief vroeg stadium van ESG-transformatie en voeren basismaatregelen uit zoals het compenseren van koolstofemissies met CO2-certificaten. Dat zijn de bevindingen van de studie “ESG Empowered Value Chains 2025”, waarvoor PricewaterhouseCoopers (PwC) wereldwijd meer dan 900 executives heeft ondervraagd over de status quo van hun ESG-transformatie. De studie suggereert een algemeen gebrek aan urgentie om meer ingewikkelde en moeilijk meetbare inspanningen te ondernemen, zoals het herontwerpen van producten of het verbeteren van diversiteit en inclusie. Ondertussen maakt een kleine groep van volwassen ESG-Champions snel vorderingen om ESG-maatregelen in hun hele waardeketen op te nemen en zichzelf en hun leveranciers uiteindelijk duurzamer en concurrerender te maken.

Bedrijven onder toenemende druk

Bedrijven staan onder enorme druk. De gevolgen van COVID-19 en de oorlog in Oekraïne houden aan met verstoring van de toeleveringsketen, grondstoffentekorten en inflatie. Tegelijkertijd worden bedrijven door consumenten (inclusief werknemers), investeerders en toezichthouders steeds meer onder druk gezet om hun bedrijf om te vormen en te voldoen aan een groeiend aantal milieu- en sociale normen. 

“De ESG-transformatie kan in deze tijden overkomen als een extra last – de overgang is duur, veeleisend en complex”, zegt Hans-Jörg Kutschera, ESG Operations Lead bij Strategy&, het wereldwijde strategieadviesbureau van PwC. “Toch is het voor bedrijven van existentieel belang om de ecologische en sociale gevolgen van hun acties te kennen en hun activiteiten af te stemmen op ESG-normen. Dit geldt vooral voor bedrijven die op de kapitaalmarkt zijn georiënteerd.” Sommige beleidsmakers zien in het onderzoek ook de voordelen van een ESG-pioniersrol. Want net als bij digitalisering zijn de voordelen van de transformatie groter naarmate deze eerder plaatsvindt. “De pioniers konden snel leren van fouten en evolueren. Degenen die aarzelden, moeten nu veel investeren om hun achterstand in te halen. Het is beter om een ESG-Champion te zijn dan een volger”, zegt Kutschera.

ESG-kampioenen richten zich op snelheid, holisme en transparantie

De studie toont een belangrijke verschuiving in het denken over hoe het omvormen van activiteiten om te voldoen aan ESG-normen bedrijven uiteindelijk veerkrachtiger en concurrerender kan maken. Voor een kleine groep kampioenen (6%) betekent dit dat zij zwaar investeren en afzien van winst op korte termijn, om hun bedrijf op lange termijn duurzaam te maken. 

“ESG Champions hebben vergelijkbare kenmerken”, legt Stefan Schrauf, Operations leader bij PwC Duitsland, uit. “Ze zijn doorgaans groter met een omzet van meer dan 3 miljard euro. Ze zijn beter in het maken van plannen, het ondersteunen ervan met concrete maatregelen en het opvolgen ervan.” ESG Champions hebben gedetailleerde routekaarten voor de korte en lange termijn die het grootste deel van hun waardeketens bestrijken, evenals toezicht op mensenrechtenrisico’s, en robuuste, productspecifieke normen voor gebieden als bijvoorbeeld dierenwelzijn en de inkoop van grondstoffen. Meer dan 70% van hun producten en diensten zijn in overeenstemming met ESG-doelstellingen. Zij hebben ESG-doelstellingen en KPI’s gekoppeld aan bedrijfsdoelstellingen, en deze zijn opgesplitst in operationele functies en worden regelmatig gecontroleerd. 81% van de Champions zijn hun bedrijfsmodellen aanzienlijk aan het aanpassen, bijvoorbeeld door over te stappen op circulaire bedrijfsmodellen of door hun productportefeuilles aan te passen aan de ESG-doelstellingen. Ter vergelijking: slechts 15% van de andere bedrijven doet dit.

Champions zijn digitaal geavanceerder, met hogere niveaus van gegevenstransparantie en toegankelijkheid. 81% zegt dat hun ESG-gegevens volledig beschikbaar zijn en worden gebruikt voor de besluitvorming, vergeleken met slechts 13% van de andere bedrijven die hetzelfde zeggen. 

“Het lijkt erop dat ESG-Champions ook veerkrachtiger zijn wanneer ze geconfronteerd worden met ESG-uitdagingen”, zegt Schrauf. “Champions noemen gemiddeld 25% minder vaak uitdagingen die de implementatie tegenhouden, zoals kosten, toegang tot gegevens en onduidelijke zakelijke impact.” Volgens Stefan Schrauf lijken ze aanzienlijk minder last te hebben van kwesties die andere bedrijven grote zorgen baren, zoals onvoldoende steun van het topmanagement, een gebrek aan ESG-strategie en onduidelijke verantwoordelijkheden – slechts 13% van de Champions noemde deze uitdagingen tegenover ongeveer een kwart van de andere bedrijven. Voor Champions is hun grootste zorg onvoldoende toegang tot gegevens.

Geavanceerde digitalisering versnelt duurzame transformatie

De meeste bedrijven noemen problemen met onvoldoende IT, digitale oplossingen of toegang tot gegevens als belangrijke ESG-uitdagingen. Deze bevindingen zijn voorspelbaar aangezien de digitale capaciteiten van veel bedrijven nog in ontwikkeling zijn. Uit een andere recente studie van PwC blijkt dat 64% van de industriële productiebedrijven zich nog in een vroeg stadium van digitale transformatie bevindt. 

Uit de studie blijkt dat een hoge mate van digitalisering van vitaal belang is voor de uitvoering van ESG-maatregelen, met name wat betreft de gegevens die daarvoor nodig zijn. Deze gegevens moeten in het hele bedrijf betrouwbaar en gemakkelijk toegankelijk zijn om de effecten en activiteiten effectief te monitoren, te volgen en te controleren. In dit verband vertrouwen pioniers meestal op moderne IoT-oplossingen om milieu-KPI’s in realtime te meten en de ecologische voetafdruk van hele fabrieken en van afzonderlijke machines en producten te bepalen. Bovendien kunnen analyses helpen om het energieverbruik te voorspellen. Technologie is ook de sleutel tot ESG-gerichte samenwerking met leveranciers en klanten in de hele waardeketen en is essentieel om te voldoen aan de toenemende rapportage-eisen. Hiaten in de digitalisering leiden snel tot een concurrentienadeel.

Opkomende kloof tussen kampioenen en anderen

Uit het onderzoek blijkt dat er een kloof aan het ontstaan is tussen bedrijven die snel handelen om ESG-normen breed toe te passen en bedrijven die dat niet doen. Terwijl sommigen snel handelen en ESG-normen op brede basis invoeren, blijven degenen die alleen het minimum overeenkomen ver achter. Als kampioenen zich richten op gebieden als geavanceerde tracking en samenwerking met leveranciers, verbeteren ze hun hele waardeketen, waardoor het moeilijker wordt om te concurreren met bedrijven die deze maatregelen niet hebben genomen. “Hoewel de ESG-transformatie het concurrentievermogen van bedrijven op korte termijn kan aantasten door stijgende kosten, wegen de voordelen op lange termijn zwaarder dan de nadelen”, zegt Dr. Hans-Jörg Kutschera. “Deze omvatten meer transparantie in toeleveringsketens, lagere energiekosten, lagere materiaalkosten, een innovatievoorsprong en, als gevolg daarvan, een grotere belangstelling van investeerders. Bedrijven die achterblijven, kunnen die achterstand binnenkort misschien niet meer inhalen.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De burgemeester van Utrecht, Sharon Dijksma, opende vandaag op het Jaarbeursplein in Utrecht de Nederlandse communicatieportal voor Global We for Climate Action. De portal staat in live verbinding met portals in 25 andere landen en is bedoeld om mensen met elkaar in gesprek te laten gaan over het klimaat.

Dezelfde problemen, andere omstandigheden

Burgemeester Dijksma ging live in gesprek met klimaatactivisten via de portal in Mumbai. Dit deed zij samen met cabaretier en klimaatactivist Dolf Jansen en Aniek Moonen, voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging.

Aniek Moonen, voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging: “Heel bijzonder om levensecht en rechtstreeks met mensen in Mumbai in gesprek te gaan en te ontdekken dat we met dezelfde problemen te maken hebben. Dat terwijl we in werkelijkheid duizenden kilometers van elkaar vandaan zijn. We hadden het bijvoorbeeld over hun probleem met de enorme vervuiling van de rivieren door wegwerpplastic; datzelfde probleem moeten wij hier ook tackelen. Door oplossingen te delen, kunnen we problemen effectiever oplossen.”

Nederland in de frontlinie van klimaatverandering

Global We for Climate Action is een programma van The Museum for the United Nations / UN-live en wordt ondersteund door IKEA Foundation. Doel van het programma is mensen die aan de frontlinie van de klimaatverandering staan, een podium te geven in het internationale klimaatdebat.

Het klinkt misschien gek dat een land als Nederland als een van de landen in de frontlinie van klimaatverandering gezien wordt. Maar ook ons land, waarvan 26% onder zeeniveau ligt, is kwetsbaar voor klimaatverandering.

Per Heggenes, CEO van IKEA Foundation: “Iedereen op onze planeet heeft te maken met klimaatverandering. De portals zorgen dat zoveel mogelijk ‘gewone’ mensen met elkaar in gesprek kunnen gaan en hun zorgen en ideeën kunnen delen. We willen al die verschillende stemmen laten horen en laten meetellen in de aanpak van klimaatverandering.”

Het grootste gesprek over klimaatverandering

Deelnemers uit Mumbai in gesprek met Dolf Jansen en Aniek Moonen over wat zij merken van klimaatverandering in hun omgeving en wat zij daaraan doen. (foto Stijn Rademaker/ Global We for Climate Action)

Nederland is de 23e portal die is aangesloten op het Global We for Climate Action netwerk. Andere landen met een portal zijn onder meer Barbados, Brazilië, Colombia, Indonesië, Irak, Mali, Mexico, Nigeria, Palestina, Polen en Zuid-Afrika.

Molly Fannon, CEO van UN-live: “Global We gaat over het samenbrengen van zoveel mogelijk mensen, vanuit alle lagen van de samenleving en wereldwijd, in het gesprek over klimaatverandering. Klimaatleiders vind je overal ter wereld en die in Nakivale, Oeganda, zijn net zo belangrijk als die van formele leiders in Den Haag of New York.”

Dagelijks vinden er live connecties tussen de portals plaats. Tot eind april 2023 worden honderden gesprekken vanaf de 25 locaties opgenomen en geanalyseerd. Gespreksbegeleiders van de portals werken hierin samen met een team van non-profitorganisatie Cortico, MIT CCC (Center for Constructive Communication) en het team van UN-live.

En natuurlijk afscheid nemen met een selfie! (foto Stijn Rademaker/ Global We for Climate Action)

Locatie en programma

De Global We-portal in Utrecht staat tot 1 maart op het Jaarbeursplein en verhuist daarna naar het Berlijnplein in Leidse Rijn (Utrecht). Meer informatie over deelname is te vinden op Museum for the United Nations – Join the Global We – https://www.museumfortheunitednations.com/globalwe

 

Foto bovenaan: Met een brede zwaai openen burgemeester Sharon Dijksma en cabaretier Dolf Jansen de Nederlandse Global We-portal voor Aniek Moonen, voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging. De portal staat nog tot 1 maart op het Jaarbeursplein en verhuist daarna naar het Berlijnplein in Utrecht. Vlnr Per Heggenes, Molly Fannon, Sharon Dijksma, Dolf Jansen en Aniek Moonen. (foto Stijn Rademaker/ Global We for Climate Action)

[ad_2]

Source link

[ad_1]

CapeOmega en Neptune Energy hebben vandaag NoordKaap aangekondigd, een projectconcept voor een grensoverschrijdende CO₂-opslagoplossing voor industriële emittenten in heel Europa. Deze oplossing maakt rechtstreekse injecties op offshore locaties en lossen via een terminal mogelijk. RWE heeft een intentieverklaring getekend met zowel CapeOmega als Neptune Energy om via dit concept de mogelijkheid te onderzoeken om groene CO₂ van hun biomassacentrale in de Eemshaven te verschepen voor offshore-opslag in de Nederlandse Noordzee.

NoordKaap kijkt naar een netwerkgebaseerde benadering van Carbon Capture & Storage (CCS) via maritiem transport. Dit kan een cruciale bijdrage leveren aan de Nederlandse, Noorse en Europese klimaat- en energiedoelstellingen. NoordKaap wil kosteneffectieve, schaalbare CCS-oplossingen bieden aan industriële clusters waar transport per schip de primaire of vroegst beschikbare exportoptie is. Het project onderzoekt – naast de Eemshaven regio in Nederland – ook kansen voor industriële clusters in Duitsland, België, Scandinavië en Noord-Frankrijk. NoordKaap voorziet in ondergrondse CO₂-opslaglocaties voor de kust van Nederland en Noorwegen. Het concept wordt ondersteund door haar partners Groningen Seaport, KNCC, Vopak en Return Carbon.

NoordKaap zal naar verwachting in 2028 operationeel zijn en het concept is bij de Europese Unie ingediend als een ‘Project of Mutual Interest’ (PMI) op de zesde PCI-lijst1.

Evy Glørstad, CEO CapeOmega AS: “NoordKaap wordt uitgevoerd door een integraal partnership van alle relevante spelers in de keten – van emittenten tot eigenaars van opslagfaciliteiten – om de ontwikkeling hiervan goed te coördineren en een succesvolle strategie gericht op CO₂-reductie te realiseren. CapeOmega wil de waardeketen ondersteunen met de noodzakelijke infrastructuur om CO₂ veilig te kunnen transporteren en op te slaan. Project NoordKaap stelt ons in staat onze positie en ervaring als licentiehouder van pijpleidingen, terminals en onze expertise in de scheepvaart in te zetten voor offshore CO₂-opslag en CO₂-reductie.”

Lex de Groot, Managing Director van Neptune Energy Nederland: “CO₂-opslag is een cruciaal onderdeel voor het realiseren van de klimaatdoelstellingen van de EU. Voor een goed functionerende CCS-markt moeten zowel emittenten als opslagaanbieders CO₂ veilig kunnen transporteren. We zijn ons ervan bewust dat de toegang tot pijpleidingen voor sommige industrieën beperkt zal zijn. Daarom richten wij ons op beide typen transport naar onze offshore opslagfaciliteiten: pijpleidingen en scheepvaart. CCS ondersteunt tevens de strategie van Neptune om tegen 2030 meer CO₂ op te slaan dan wordt uitgestoten door onze activiteiten en door het gebruik van de olie- en gasproducten die we verkopen.”

Roger Miesen, CEO van RWE Generation: “RWE wil deze nieuwe mogelijkheden graag samen met CapeOmega en Neptune verkennen. Op dit moment onderzoeken we de mogelijkheid om groene CO₂ van onze biomassacentrale in Eemshaven te vervoeren naar en op te slaan in offshore opslagfaciliteiten in het Nederlandse deel van de Noordzee. Dit resulteert in negatieve emissies en deze ambitie willen we in 2030 waar hebben gemaakt. Daarom is het project NoordKaap zo’n interessante kans voor ons.”

1Projects of Common Interest (PCI) hebben tot doel energiesystemen met elkaar te verbinden en hiaten in de infrastructuur tussen EU-landen te overbruggen. Een Project of Mutual Interest (PMI) verbindt energiesystemen tussen een EU-land (of landen) en een derde land. Een succesvolle toekenning van de PCI/PMI-status geeft toegang tot versnelde vergunningverlening en financiering in het kader van de Connecting Europe Facility.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Alfen, specialist op het gebied van energieoplossingen en actieve bijdrager aan Europa’s energietransitie in de strijd tegen klimaatverandering, en SemperPower, marktleider op het gebied van onafhankelijke, grootschalige energieopslagprojecten in Nederland, introduceren met trots Project Pollux. Op het gebied van capaciteit is het het grootste batterij-energieopslagsysteem dat ooit in Nederland is gebouwd. Het opslagsysteem bevindt zich in Vlissingen en biedt met behulp van Alfen’s TheBattery Elements een oplossing voor twee van de grootste problemen van de energietransitie: onbalans op het net en de onvoorspelbaarheid van hernieuwbare energiebronnen.

Europa’s energietransitie van fossiele brandstoffen naar koolstofvrij zit in een stroomversnelling, wat leidt tot nieuwe uitdagingen voor het elektriciteitsnet. Denk daarbij aan de balans tussen vraag en aanbod, en stroomvoorziening tijdens piekmomenten. Tot nu toe lag dit volledig bij gas- en kolencentrales, maar sinds Europa deze centrales wil sluiten, kampt het met een nieuw probleem. En flexibele energieopslag is een van de meest veelbelovende oplossingen. Grootschalige batterij-energieopslagsystemen zoals Project Pollux maken het mogelijk om hernieuwbare energie op te slaan bij overvloed en vrij te geven wanneer de markt hierom vraagt.

”Alfen is heel enthousiast over de samenwerking met SemperPower en hun bijdrage aan Europa’s energietransitie“, aldus Michelle Lesh, Chief Commercial Officer bij Alfen. ”Als we van Europa’s energietransitie een duurzaam succes willen maken, moeten we oplossingen bedenken voor de problemen die continue groei en de fluctuaties in het opwekken van hernieuwbare energie veroorzaken. Batterij-energieopslagsystemen zoals Project Pollux spelen een cruciale rol in het toekomstbestendig maken van ons net en het effectief beheren van vraag en aanbod.”

TheBattery Elements energieopslagsystemen van Alfen worden op maat gemaakt voor verschillende markten en toepassingen, steevast op basis van dezelfde ontwerpprincipes om uitstekende prestaties, flexibiliteit, modulariteit en duurzaamheid te garanderen. SemperPower zal het grootschalige energieopslagsysteem ontwikkelen, financieren en exploiteren, terwijl Alfen verantwoordelijk is voor het ontwerp, de levering, civiele werken, installatie, tests en langetermijnonderhoud. Naar verwachting zal het systeem in het vierde kwartaal van 2023 operationeel zijn.

”In 2021 hebben we het eerste grootschalige batterij-energieopslagsysteem samen met Alfen succesvol gerealiseerd”, aldus Dennis Schiricke, CEO van SemperPower. “Sindsdien zien lokale netbeheerders een ongekende toename in aanvragen voor de koppeling van batterij-energieopslagsystemen aan hun net. Met dit project blijven we samen met Alfen reageren op de uitdagingen die netbeheerders op hun pad krijgen en versnellen we de energietransitie.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Cepsa en ACE Terminal hebben een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend waarbij het Spaanse energiebedrijf groene ammoniak zal leveren aan de geplande importterminal in de haven van Rotterdam, voor eindtoepassingen in de industrie na omzetting van de ammoniak in waterstof, of voor direct eindgebruik in de scheepvaart en andere industrieën in Noordwest-Europa. Cepsa ontwikkelt 2GW groene waterstof op haar twee Energy Parks in Andalusië, Zuid-Spanje, als onderdeel van haar Positive Motion strategie om in 2030 leider te worden in duurzame mobiliteit en in de productie van hernieuwbare waterstof en geavanceerde biobrandstoffen, en om een benchmark in de energietransitie te worden. De twee waterstoffabrieken, met een investering van 3 miljard euro, zullen deel uitmaken van de Andalusische Groene Waterstofvallei, de grootste groene waterstofhub in Europa, waarvoor Cepsa onlangs een aantal samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten in de hele waterstofwaardeketen.

Aan de importzijde werken Gasunie, HES International en Vopak samen om ACE Terminal te ontwikkelen als toegangspunt tot Nederland voor ammoniak als drager voor groene waterstof en als duurzame grondstof. De open access terminal komt in de haven van Rotterdam, een zeer belangrijke haven voor Noordwest-Europa vanuit energieoogpunt. Met het geplande hergebruik van activa en infrastructuur is ACE Terminal een project met een korte doorlooptijd. De MoU met Cepsa is de eerste van overeenkomsten tussen toekomstige klanten en de ACE open access hub terminal voor de import van groene waterstof en ammoniak.

De intentieverklaring tussen Cepsa en ACE Terminal behelst een samenwerking die moet leiden tot een bindende commerciële overeenkomst om het overzeese transport van groene ammoniak te faciliteren, de groene ammoniak te distribueren naar eindmarkten in het achterland en de groene ammoniak te verwerken tot groene waterstof, klaar voor gebruik door eindklanten in Noordwest-Europa. De locatie van ACE Terminal in de haven van Rotterdam biedt directe aansluiting op de Rotterdamse industrie en het geplande nationale waterstofnetwerk, en heeft een uitstekende aansluiting op de infrastructuur naar Noordwest-Europa.

Door groene waterstof te importeren die door Cepsa in Zuid-Spanje concurrerend kan worden geproduceerd dankzij omstandigheden als veel zon, wind en land, een solide elektriciteitsnet en toegang tot havens met veel vervoer, helpt deze samenwerking de industrie en het transport in Noord-Europa koolstofvrij te maken en de onafhankelijkheid, zekerheid en betaalbaarheid van energie in Europa te waarborgen.

De samenwerking met ACE Terminal versterkt de overeenkomst van Cepsa met de Haven van Rotterdam om waterstof die in haar San Roque Energy Park bij de baai van Algeciras wordt geproduceerd, te exporteren via waterstofdragers zoals ammoniak, waardoor de eerste groene waterstofcorridor tussen Zuid- en NoordEuropa tot stand komt en een groene waterstofbevoorradingsketen tussen twee van Europa’s belangrijkste havens, Rotterdam en Algeciras, wordt gewaarborgd.

Cepsa streeft ernaar de eerste export van groene waterstof vanuit Spanje in 2027 van start te laten gaan, een timing die goed aansluit bij de planning van het ACE Terminal-project.

Rob Jetten, minister van Klimaat en Energie, die aanwezig was bij de ondertekening van de MoU in Madrid, zei: “Deze intentieverklaring tussen Cepsa en ACE Terminal is een prachtig voorbeeld van het soort samenwerkingen dat nodig is en die we willen stimuleren met het nieuwe Memorandum of Understanding tussen Spanje en Nederland op het gebied van hernieuwbare waterstof. Het vormt een belangrijke mijlpaal voor de Europese waterstofstrategie voor de ontwikkeling van waterstofcorridors tussen Zuid- en Noord-Europa. Hiermee kunnen we de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen en de Nederlandse decarbonisatie- en klimaatdoelstellingen realiseren”.

Maarten Wetselaar, CEO van Cepsa, zei: “Deze alliantie maakt de Groene Waterstof Corridor tastbaar en vergroot het internationale potentieel van de Andalusische Groene Waterstof Vallei, waardoor de door Cepsa in Zuid-Spanje geproduceerde groene waterstof kan worden gebruikt voor de industrie en scheepvaart in NoordEuropa. Partnerschappen als deze zijn voorbeelden van de samenwerking die in heel Europa nodig is om energiezekerheid te garanderen zonder de klimaatdoelstellingen in gevaar te brengen, en de belangrijke rol die Cepsa en Spanje in dit traject kunnen en moeten spelen.”

Egbert Vrijen, projectdirecteur ACE Terminal, zei: “We zijn verheugd dat Cepsa deze stap zet en voor ACE Terminal heeft gekozen. We hopen dat naast Cepsa meer partijen zich zullen aansluiten bij onze open access importterminal voor ammoniak/waterstof in de haven van Rotterdam.”

Rotterdam is de belangrijkste energiehaven van Europa en behandelt 13% van de Europese energievraag, terwijl de haven van Algeciras de eerste haven van Spanje is, de vierde van Europa en een belangrijke handelsroute tussen Europa en Azië. De toekomstige vraag naar groene waterstof in Noordwest-Europa overstijgt de capaciteit die lokaal kan worden geproduceerd uit duurzame bronnen, waardoor de noodzaak ontstaat om op grote schaal groene waterstof te importeren.

Foto: de ondertekenaars (v.l.n.r.): Hans de Willigen – Business Development Manager New Energies, Vopak, Rob Jetten, Minister for Climate and Energy of the Netherlands, Maarten Wetselaar, CEO Cepsa, Ulco Vermeulen – Director of Participations & Business Development, Gasunie

[ad_2]

Source link

[ad_1]

In 2023 ontvangen agrariërs die samen met GreenInclusive vezelhennep telen een CO2-toeslag. GreenInclusive is hiermee de eerste partij ter wereld die agrariërs een CO2-toeslag gaat vergoeden voor het telen van natuurlijke grondstoffen waarvan biobased bouwproducten worden gemaakt.

“Middels onze CO2-propositie, die inmiddels is goedgekeurd en vastgesteld door de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK)*, zijn we in staat om in de waardeketen die we ontwikkeld hebben, CO2 vast te leggen,” aldus Marthijs Roorda, oprichter en algemeen directeur van GreenInclusive. “Dat betekent dat we eind 2023 CO2-certificaten op de markt gaan brengen. Vooruitlopend op die verkoop willen we agrariërs, die een belangrijke schakel vormen in de keten, de zekerheid geven van een extra financiële vergoeding.”

Gecontracteerde telers krijgen in 2023 een CO2-toeslag van €25 per ton droge stof. In de praktijk zal deze toeslag variëren van €175 tot €275 extra inkomsten per hectare, bij respectievelijk 7 ton en 11 ton droge stofopbrengst per hectare. Roorda vervolgt: “Vanwege de stijgende vraag naar duurzame bouwproducten, verwachten we dat we deze CO2-toeslag in de toekomst fors kunnen verhogen.”

Vergoeding

Agrariërs kunnen via GreenInclusive meerjarige teeltcontracten afsluiten om op deze wijze inkomstenzekerheid te verkrijgen. Ze ontvangen een vergoeding van €120 per ton droge stof en een bonus van €1000 voor 10 hectare of meer. Daarnaast heeft vezelhennep in het nieuwe GLB een goede positie gekregen. Met vezelhennep ontvang je per hectare een hoog aantal punten en waarde voor de eco-regeling, die waarde vertaalt zich in een aanvullende financiële premie.

Biobased bouwproducten

De vezelhennep wordt verwerkt tot biobased bouwproducten, waaronder isolatiematten waarmee bestaande en nieuwe huizen duurzaam kunnen worden geïsoleerd. “Met de gehele regionale keten dragen we bij aan (sociale) werkgelegenheid, de grote maatschappelijke isolatieopgave en het vastleggen van CO2. Met onze producten die we van natuurlijke grondstoffen maken, voorkomen we ook het gebruik van fossiele grondstoffen uit het buitenland,” aldus Roorda.

CO2-certificaten

GreenInclusive heeft zelf fors geïnvesteerd en een unieke methodologie ontwikkeld die in verschillende commissies is getoetst binnen de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK)*. GreenInclusive is als enige Nederlandse partij bevoegd om de CO2 die zij opslaat in haar waardeketen te vermarkten door middel van de zogenoemde CO2-certificaten. Het doel van GreenInclusive is altijd geweest om een model te ontwikkelen dat bijdraagt aan de doelen van het klimaat- en grondstoffenakkoord en tegelijkertijd zorgt voor een stabiel en aanvullend inkomen voor agrariërs in Nederland.

* SNK ondersteunt de vrijwillige, nationale koolstofmarkt door plannen te beoordelen en certificaten uit te geven voor geverifieerde emissiereductie.

Foto: GreenInclusive

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Waterstofproducent HYGRO heeft, tezamen met TNO, een subsidie van 11,8 miljoen euro toegekend gekregen om de keten van duurzame waterstofproductie tot en met de afzet in het wegtransport op gang te helpen. Groene waterstof is een belangrijk ingrediënt voor de energietransitie en het terugdringen van CO2-uitstoot. Financiële impulsen van de overheid ondersteunen deze transitie.

Waterstofketen ‘van wind tot wiel’

HYGRO lanceerde als eerste bedrijf ter wereld het concept van de ‘waterstofmolen’; een windmolen met geïntegreerde elektrolyse om direct aan de molen waterstof te produceren. Met waterstof als primaire energiedrager, zal uiteindelijk het ontwerp van een windturbine en dat van windparken veranderen. Door elektrolyse wordt windenergie (kosten)efficiënter gewonnen dan met elektriciteit.

Jan Willem Langeraar, medeoprichter HYGRO: “Dit project zal niet alleen demonstreren wat de technische mogelijkheden zijn voor een efficiënte keten en betaalbare tankstations, maar vooral ook laten zien dat duurzame waterstof onder de huidige regels concurrerend kan worden met diesel. Het is daarbij belangrijk dat de overheid met voldoende stimulering blijft komen voor partijen die vrachtwagens op waterstof willen aanschaffen. Bijvoorbeeld door de AanZET subsidie. Door opschaling zal er een verdere kostenreductie mogelijk worden waardoor de transitie uiteindelijk vanzelf gaat.”

Schaal en volume

De ontwikkeling van geïntegreerde waterstofproductie bij windmolens en leveranties van waterstof aan tankstations tijdens dit project zal voor voldoende waterstof zorgen in de regio Noord-Holland om 50 tot 80 waterstof elektrische vrachtwagens op groene waterstof te laten rijden. Dit is equivalent aan 2.500 tot 5.000 waterstof elektrische personenauto’s die 20.000 kilometer per jaar rijden en een vergelijkbaar aantal waterstof elektrische generatoren voor op bouwplaatsen. Het resultaat van dit project is een reductie van de kosten in de waterstofketen en een snellere groei van het gebruik van waterstof in de mobiliteit.

Door het tegelijkertijd opschalen van waterstof productie en distributie via tankstations, met het gebruik van waterstof door waterstof elektrische vrachtwagens, personenauto’s en bouwmachines zoals bijvoorbeeld generatoren, zal de kostprijs van zowel voertuigen als de waterstoflevering snel verder dalen. In de komende jaren zal daardoor het aandeel waterstofmobiliteit flink toenemen wat leidt tot minder CO2-uitstoot, en wordt tegelijkertijd ook geluids-, NOx- en fijnstofemissies voorkomen. Het project geeft een doorkijk naar de energie-infrastructuur van de toekomst.

Integratie van waterstofproductie met windturbines

Met de toekenning van deze subsidie worden de eerste stappen gezet naar integratie van waterstofproductie met windturbines. Diverse partijen hebben zich gecommitteerd aan het project door een Letter of Intent (LOI) te tekenen.

Greenchoice zal ervoor zorgen dat ook op windstille momenten met veel zonne-energie groene waterstof gemaakt kan worden. Daarnaast wordt met behulp van de subsidie aangetoond dat door een geïntegreerde aanpak van productie, hogedruk opslag en distributie over de weg betaalbare waterstoftankstations gerealiseerd kunnen worden. Het eerste waterstoftankstation komt bij het AVIA Mobiliteitsplein van AVIA Marees in Wieringerwerf.

Met financiering vanuit de Regiodeal Maritiem Cluster Kop van Noord-Holland, wordt het AVIA Mobiliteitsplein in Wieringerwerf middels een speciale leiding, aan te leggen met de firma SoluForce en Visser & Smit Hanab, gekoppeld aan de waterstofproductie bij de windturbine.

Het project voorziet ook in drie satellietstations in Noord-Holland. De exacte locaties worden nog samen met AVIA Marees vastgesteld en zal mede afhankelijk zijn van de wensen van klanten voor waterstofmobiliteit.

Meewind, dat via haar Groenfonds Regionaal Duurzaam mede-investeerder is in de HYGRO-turbine, kijkt uit naar deze volgende fase van ontwikkeling.

TNO: validatie van het project

TNO is verantwoordelijk voor het valideren van de verwachte energiebesparing en efficiëntieverbeteringen in de keten van wind tot wiel. TNO analyseert de efficiëntieverbeteringen die HYGRO verwacht te bereiken bij de elektrolyse middels ‘pulsed power’ en de efficiëntieverbeteringen in de distributie van waterstof over de weg door gebruik te maken van de door HYGRO ontwikkelde ‘iBundles’. TNO zal de onderzoeksresultaten en leerervaring breed verspreiden in Nederland en breder in Europa via organisaties, zoals Hydrogen Europe Research.

Clusterleider Elektrolyse bij TNO, Lennart Van der Burg over de waterstofwindmolen: “Het gaat om een aanzienlijk subsidiebedrag binnen dit project. Belangrijk is dat de gegevens uit ons onderzoek ook beschikbaar komen voor andere organisaties binnen de waterstofketen. Brede kennisdeling is van absoluut belang om de elektrolyse ontwikkeling te versnellen. Op dit moment is er heel weinig praktijk data publiek beschikbaar. Bijvoorbeeld over de performance van de elektrolyser onder verschillende condities. We hebben een lijst van meer dan 20 parameters waar we de elektrolyser op willen monitoren.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De ministerraad heeft ingestemd met de benoeming van de nieuwe onafhankelijke Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie. Carolien Gehrels is op voorstel van minister Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat benoemd tot voorzitter van deze adviescommissie. Naast de voorzitter zijn de leden Ton Büchner, Tanja Cuppen, Pieter Boot en Laurens de Vries benoemd.

Ambitieus en haalbaar

De onafhankelijke Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie gaat advies uitbrengen of de afspraken die bedrijven en overheid maken ambitieus genoeg zijn om verder uit te werken in de concrete maatwerkafspraken. Zo kijkt de commissie of deze afspraken voldoende bijdragen aan extra en snellere CO2-reductie en of er concrete doelen worden vastgelegd op het gebied van stikstofreductie en de impact op de leefomgeving. Ook toetst de commissie of de afspraken haalbaar en doelmatig zijn.

De adviescommissie bestaat uit:

  • Carolien Gehrels (voorzitter) – Global Director Energy Transition Arcadis, wethouder namens de PvdA van Amsterdam van 2006 tot en met 2014.
  • Ton Büchner – ondernemer en voorheen onder andere CEO van AkzoNobel.
  • Tanja Cuppen – Chief Risk Officer van ABN AMRO.
  • Pieter Boot – tot voor kort werkzaam bij het Planbureau voor de Leefomgeving als sectorhoofd Klimaat, lucht en energie.
  • Laurens de Vries – hoogleraar Complexe Energietransities bij de TU Delft.

De commissie heeft in deze samenstelling de benodigde kennis en ervaring. Ieder maatwerktraject is anders. Vanwege deze complexiteit is het mogelijk om tijdelijk een extra gastdeskundige te benoemen om advies uit te brengen over een specifiek onderwerp. Bedrijven en overheid spreken eerst in de intentieverklaring (Expression of Principles) op hoofdlijnen de doelen en voorwaarden af, die verder worden uitgewerkt en vastgelegd in de overeenkomst (Joint Letter of Intent). Na advies van de onafhankelijke commissie worden deze afspraken verder in detail uitgewerkt tot juridisch bindende maatwerkafspraken.

Minister Adriaansens: “Met de maatwerkaanpak kijken we wat de industrie extra én eerder kan doen om te verduurzamen. Een ongelooflijk belangrijk middel bovenop het Klimaatakkoord om de CO2-uitstoot te verminderen. Deze aanpak is nieuw, voor zowel bedrijven als voor de overheid. Onafhankelijk advies of we de goede dingen doen, is voor mij cruciaal. Het gaat tenslotte om grote en serieuze investeringen en aanpassingen, die we niet van de een op de andere dag kunnen regelen. Dat moet zorgvuldig, met oog voor ambitie en haalbaarheid. Ik ben daarom ontzettend blij dat we deze commissie hebben benoemd.”

Maatwerkaanpak

Met de maatwerkaanpak van de Rijksoverheid kunnen de grootste industriële uitstoters een extra stap zetten om sneller minder CO2 uit te stoten. Het komt bovenop de CO2-reductie die al door andere maatregelen uit het Klimaatakkoord wordt gerealiseerd. Bedrijven worden met de maatwerkaanpak uitgedaagd zelf met ambitieuze plannen te komen om de CO2-uitstoot van hun eigen schoorsteen en elders in de keten te verminderen, en hun impact op de omgeving te verbeteren. Het beperken van de stikstofuitstoot wordt hier in meegenomen. Met maatwerk wil het kabinet de onzekerheden, obstakels en vertragende factoren rond verduurzaming zoveel mogelijk wegnemen. Bedrijven moeten wel een visie hebben op hun weg naar klimaatneutraliteit en circulariteit, zodat ze hun activiteiten nu en in de toekomst in Nederland kunnen blijven ontwikkelen. Daarnaast kunnen afspraken gemaakt worden over onder andere energie- en gasbesparing, scholing van technisch personeel en het matchen van vraag naar en aanbod van elektriciteit.

[ad_2]

Source link

Berichten paginering