[ad_1]

Een wereldprimeur in Lochem (Gld). Vanaf vandaag worden daar in de wijk Berkeloord voor het eerst twaalf bewoonde woningen verwarmd met waterstof via het bestaande aardgasnet. Bij deze pilot onderzoekt Alliander op verzoek van de bewoners van deze monumentale panden of waterstof een goed alternatief is voor aardgas voor het verwarmen van woningen. Alliander werkt daarbij samen met onder andere LochemEnergie, Remeha en Westfalen Gassen Nederland BV.

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Daardoor verandert het energiesysteem en Alliander bereidt zich hierop voor. Waterstof is één van de alternatieven voor aardgas om woningen en gebouwen mee te verwarmen. Zo kan het een goed alternatief zijn voor met name woningen die moeilijk te isoleren zijn en waarvoor elektrische warmtepompen geen oplossing bieden, of in wijken waar geen warmtenet kan worden aangelegd. Een bijkomend voordeel is dat voor het transport van waterstof naar de woningen gebruik kan worden gemaakt van de gasleidingen die al in de grond liggen.

Unieke pilot

Arthur van Schayk, algemeen directeur Remeha: “De energietransitie moet versnellen en dat kunnen we alleen door als ketenpartners nauw samen te werken. Waterstof gaat, naast elektrificatie en warmtenetten, een belangrijke rol spelen in de verduurzaming van de bebouwde omgeving. Na de projecten in Rozenburg en Uithoorn hebben we nu in Lochem de primeur dat bewoonde woningen via het bestaande netwerk door middel van waterstof worden verwarmd. Met dit project willen we als fabrikant aantonen dat de Remeha cv-ketel voor waterstoftechnologie klaar is voor toepassing in de praktijk.”

Naast het feit dat in Lochem voor het leveren van waterstof het bestaande aardgasnet wordt gebruikt, is het ook een unieke kans voor de bewoners om hun veelal monumentale woningen te verduurzamen met behoud van de waarde van hun erfgoed. Zowel bewoners als betrokken partijen hebben dan ook veel geïnvesteerd om deze pilot mogelijk te maken.

Veel voorbereidingen

Aan de overstap naar waterstof ging veel voorbereiding vooraf. Zo is onder meer aan de Stijgoord in Lochem door Westfalen een locatie gebouwd waar het waterstof in het bestaande gasnet wordt gevoed. In deze zogeheten invoed-installatie wordt de druk van het waterstof geregeld en wordt die voorzien van een geurstof omdat waterstof van nature geurloos is. De woningen zelf zijn eerst goed geïsoleerd. Vervolgens zijn de bestaande cv-ketels vervangen door de wereldwijd eerste gecertificeerde 100% waterstofketels van Remeha. In de straat zijn extra gasleidingen aangelegd om de woningen die niet meedoen aan de pilot te kunnen blijven voorzien van aardgas.

Werken aan het waterstofnet

Het onderhoud aan het waterstofnet gebeurt door netbeheerder Liander. Deze pilot is ook voor de netbeheerder een nieuwe stap. De werkzaamheden lijken in eerste instantie veel op het werk dat gasmonteurs dagelijks uitvoeren. Wel vraagt het om een aantal extra handelingen. Daarom heeft een groep monteurs eerder dit jaar een opleiding gevolgd, specifiek gericht op waterstof, in een speciaal voor dit doel gebouwd waterstofhuis in Apeldoorn. Begin september slaagde deze groep voor hun examen.

Drie jaar onderzoek

De pilot in Lochem duurt drie jaar. Zo kan voldoende ervaring worden opgedaan tijdens koude winters. De ervaringen worden vervolgens gedeeld met andere netbeheerders die plannen hebben voor vervolgprojecten met meer bewoners. Op die manier ontstaat steeds meer inzicht in hoe waterstof een aanvulling kan zijn bij de verduurzaming van bestaande woningen.

De pilot in Lochem is een samenwerking van burger-energiecoöperatie LochemEnergie, Remeha, Westfalen Gassen Nederland BV, Kimenai Installatiebeheer BV, Belangenvereniging Beschermd Stadsgezicht Berkeloord (BBSB) en Alliander. Mogelijk gemaakt door de gemeente Lochem en provincie Gelderland.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Afgelopen dinsdag heeft Grid-ON een batterij geplaatst op een aansluiting die al zonnepanelen en een windturbine combineerde. De batterij stroom levert stroom in de dalmomenten en laadt deze zichzelf op bij een overschot aan elektriciteit. Dit stabiliseert het net. Bovendien kent deze combinatie van drie energiebronnen een interessant verdienmodel. Het is een van de eerste projecten van deze omvang en kan door de uitbreiding 10 miljoen kWh leveren. Dit staat gelijk aan het jaarverbruik van ongeveer 3.000 huishoudens.

Cable pooling 2.0

Het project is een verrijking van cable pooling. Dit omvat het combineren van twee energiebronnen op dezelfde aansluiting. Cable pooling optimaliseert het gebruik van het energienet. Wind en zon vullen elkaar aan en wisselen elkaar vaak af. In de zomer zijn er meer zonuren en in de winter waait het vaak harder. De toevoeging van de batterij zorgt daarbij voor balanshandhaving op het bestaande stroomnet. Overtollige duurzame energie wordt bij piekmomenten opgeslagen en terug geleverd aan het stroomnet bij een tekort.

Martijn Schipper, medeoprichter Grid-ON: “Deze aanpak voor het verbeteren van het bestaande net is cruciaal voor de energietransitie. De markt is op zoek naar een oplossing en kijkt enkel naar de netbeheerder. Die moet volgens hen het net uitbreiden. Wij realiseren een andere oplossing. We kunnen het bestaande netwerk verbeteren door meer capaciteit op dezelfde aansluitingen te realiseren.”
Slim managementsysteem ondersteunt maximale benutting project

Het project wordt mogelijk gemaakt door een geavanceerd energie- en powermanagementsysteem. Dit systeem controleert of er voldoende ruimte is op de aansluiting en bepaalt welke bron – wind, zon of batterij – voorrang krijgt. Het systeem verzorgt tevens de communicatie met energiemaatschappij Scholt Energy. Deze neemt de energie af en zet de batterij op afstand in op de verschillende energiemarkten, zoals de onbalansmarkt. De batterij wordt ook ingezet voor balanceerdiensten voor het net. Dit creëert een interessant verdienmodel voor ondernemers.

De meerwaarde en eigenschappen van de batterij

Vanaf 16 december wordt de geplaatste batterij in gebruik genomen door internationale bloembollenexporteur Fluwel. Met de plaatsing van de batterij naast de windturbine en het zonnepark levert Fluwel naast 10 miljoen kWh duurzame energie per jaar ook een bijdrage aan balanshandhaving op het elektriciteitsnet. De batterij van leverancier Vamat heeft een vermogen van 1 MVA en een capaciteit van 2 MWh. De unieke eigenschap van een secundaire spanning van 800V maakt de batterij bij uitstek geschikt om bij zon- of windparken geplaatst te worden.

Rens Smal, medeoprichter Grid-ON: “Niet alleen de batterij, maar ook de zonnepanelen en de windturbine worden ingezet voor balanshandhaving. Zo wordt de productie van wind- en zonne-energie terug geregeld en deels geladen in de batterij bij een overaanbod. Ook hier staan inkomsten tegenover die de businesscase voor ondernemers verder verbeteren.”

Over Grid-ON

Grid-ON is een samenwerking tussen Rens Smal (Enerzien), Martijn Schipper en Jesper Zuurbier (beide Uw Stroom). Grid-ON bundelt kennis op het gebied van systeemintegratie van slimme energiesystemen met technische en financiële kundigheid (zoals subsidies, onder andere de SON-regeling van de provincie Noord-Holland) om organisaties slimmer met energie en hun aansluitingen om te laten gaan. Voor klein ondernemers en het MKB is Grid-ON een welkome verschijning, daar de combinatie van meerdere energiebronnen met batterijen nu veelal gericht is op grotere markten en vermogensbehoeften. Vaak gaat dit over aansluitingen van vijf tot twintig mega-volt-ampère (MVA) of nog groter.  Dat is zonde aangezien ook in het segment tot 2 MVA volop kansen zijn voor de toevoeging van energieopslag.  Bij Grid-ON staan een onderbouwde business case en het belang van de klant voorop.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Vandaag, 1 december, kondigt het platform van klimaatpioniers 100 Months to Change (100MTC) een bijzondere samenwerking aan. Met 15 maanden klimaatwerk op de teller, delen de experts van het platform een belangrijk inzicht waarom organisaties onvoldoende voortgang boeken op klimaatdoelen in organisaties. Oorzaak is het gebrek aan richting en ruimte om aan de transitie opgave te werken. Ook ontbreekt de bijdragen van jongeren in deze onderwerpen. Het platform 100MTC zet daarom naast de huidige activiteiten per direct ook in op het vergroten van de capaciteit in transitieteams in samenwerking met Hieroo, een netwerk van Jonge Consultants.  

Op 1 december vindt een 100MTC Changemaker bijeenkomst plaats voor Partners en Experts van 100 Months to Change (100MTC) in samenwerking met Hieroo, Transform4C en Hogeschool Windesheim. Het 100MTC platform werkte in de afgelopen 15 maanden met 40 organisaties aan het versneld realiseren van de klimaatdoelen. Samen met grote bedrijven zoals ABN AMRO, EY, Renewi en Dura Vermeer, maar ook diverse ministeries en onderwijsinstellingen zoals Fontys werden zeker 10.000 professionals en toekomstig professionals betrokken en uitgedaagd om zich meer in te zetten voor klimaattransitie in hun dagelijkse werkzaamheden. Deze samenwerkingen leverden vele acties op en gaven duidelijke inzichten om te kunnen versnellen. Er zijn op 1 december nog  85 maanden te gaan voor organisaties om de klimaatdoelen van 2030 te realiseren.

Gebrek aan perspectief en capaciteit grootste uitdaging in klimaattransitie

Uit onderzoek onder 10.000 professionals in de afgelopen 15 maanden blijkt dat er twee concrete inzichten zijn als het gaat om klimaattransitie. Ten eerste lijken professionals die aan transitie werken meer ruimte nodig te hebben van leiders om anders te gaan werken om bij te kunnen dragen aan duurzame (klimaat) doelen als organisatie. Ten tweede blijkt dat leiders op hun beurt de medewerkers en partijen in de waardeketen nodig hebben voor het ontwikkelen en uitdragen van visie op de organisatie. Dat gaat verder dan droge doelen in een rapportage. Professionals die gemotiveerd zijn voor de transitie opgaves – formele of informele leiders – kunnen vertraging doorbreken door deze beelden bij elkaar te brengen en om te zetten in concrete actie met focus. Hoe je als organisatie de inzichten en tools van deze pioniers kunt gebruiken, delen partners in het platform door middel van Experiences en het boek Klimaatwerkers.

“Transitie gaat niet over techniek of beleid, maar is mensenwerk. Het gaat er vooral om dat er capaciteit is om een slim transformatieproces in te richten,” aldus Charlotte Extercatte, auteur van het boek Klimaatwerkers en oprichter van 100MTC.

Grote animo onder professionals om te verduurzamen

Het platform 100MTC en de Jonge Consultants van Hieroo slaan de handen ineen om samen een belangrijk knelpunt in organisaties, die met het platform aan transitie werken, op te lossen: capaciteit en kennis over transformatie. Een opvallende samenwerking tussen twee pionierende consultants. Procesmanager Loraine Westerneng van 100MTC zegt hierover: „Het gekke is: er zijn ongelooflijk veel professionals en toekomstig professionals die willen bijdragen aan transitie onderwerpen. Toch kampen vele transitieteams met tekort aan tijd en middelen. Ook is het opvallend dat er ook weinig jongeren aan tafel zitten. Terwijl zij, vol energie, goede ideeen, en skills, de perfecte partner zijn om in organisaties tot vernieuwing te komen op deze onderwerpen. Zij zijn de klimaatwerkers van morgen!

Jong consultant Lot Steemers van Hieroo zegt hierover: “Onderwerpen als rapportages, beleid maken en droge doelen stellen gaan vaak voor. We weten alleen van succesvolle pioniers dat het sneller kan door een slim transformatieproces te organiseren. Hoe dat werkt, leerde ik van 100MTC als jonge consultant bij Hieroo Zwolle van 100MTC partner Transform4C. Deze vaardigheden zet ik nu bijvoorbeeld in als procesmanager bij de overheidsorganisatie RVO DuurzaamDoor.“

Charlotte sluit af: ‚Het is prachtig dat we deze samenwerking juist nu kunnen aankondigen. Het is nu alle hens aan dek om te zorgen dat organisaties hun klimaatdoelen halen en we als samenleving niet boven de 1,5-2 graden opwarming uitkomen. Partners uit het 100 Months to Change netwerk kunnen deze jonge talenten vanaf nu in zetten en zo met de juiste skills en genoeg capaciteit en ondersteuning door met de versnelling van het klimaatwerk. Voor je het weet zijn er nog 80 maanden te gaan‘.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Verduurzaming van de industrie is een hoeksteen van het Nederlandse klimaatbeleid. Hiervoor is uitbreiding van infrastructuur voor elektriciteit, waterstof, CO2 en warmte nodig. Daarom zijn de Cluster Energiestrategieën (CES’en) opgesteld. Voor verzwaring van het elektriciteitsnet hebben netbeheerders exactere en concretere cijfers van de industrie nodig dan ze nu krijgen. Het PBL heeft in samenwerking met TNO en RVO de CES’en geanalyseerd en adviseert in het rapport ‘Reflectie op Cluster Energiestrategieën 2022 (CES 2.0)’ om meer vaart te maken met de ontwikkeling van een beveiligd platform (een datasafehouse). Hierop kunnen individuele bedrijven gevoelige gegevens delen met netbeheerders. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk om meer onzekerheid te accepteren over de volledige benutting van toekomstige energie-infrastructuur en om politiek-maatschappelijke afwegingen daarbij een grotere rol te geven.

Volledige uitvoering van de plannen van zes industriële clusters (Cluster Energiestrategieën; CES) zou de CO2-uitstoot in 2030 met 38 Mton verlagen vergeleken met nu. De industriële stroomvraag in 2030 zou kunnen verdrievoudigen, door de productie van groene waterstof, grootschalige elektrificatie van bestaande industrie en de komst van nieuwe bedrijven.

Netbeheerders hebben concretere gegevens industrie nodig

De gegevens in de CES’en blijken voor elektriciteitsnetbeheerders niet goed bruikbaar voor het opstellen van investeringsplannen. Netbeheerders hebben gedetailleerdere gegevens nodig over exacte locatie, capaciteit, waarschijnlijkheid en beoogde realisatiedatum van plannen. Dit zijn concurrentiegevoelige gegevens. Om bedrijven toch in staat te stellen deze data te delen kan een beveiligd platform, zoals een datasafehouse, uitkomst bieden. Een dergelijk systeem, waarin vertrouwelijkheid van de gegevens gegarandeerd is, zou netbeheerders de benodigde duidelijkheid verschaffen om passende investeringsbeslissingen te nemen. Meer vaart is nodig om een goed werkend datasafehouse van de grond te krijgen, waarmee één van de bottlenecks voor aanleg van energie-infrastructuur kan worden weggenomen.

Meer onzekerheid onvermijdelijk bij uitbreiding energie-infrastructuur

Op de langere termijn zien PBL, TNO en RVO dat er een spanningsveld is tussen de mate van onderbouwing die netbeheerders wensen voor het prioriteren van hun investeringen en de slechts globale onderbouwing en ruime bandbreedte van de toekomstige energievraag die de industrie en andere bedrijven kunnen bieden. Het zal daarom onvermijdelijk zijn om meer onzekerheid te accepteren en politiek-maatschappelijke afwegingen een grotere rol te geven bij het opstellen van investeringsplannen van netbeheerders.

Fors hogere elektriciteitsvraag industrie

Uitvoering van alle plannen en denkbare emissiereducties in de CES’en zou leiden tot een verdrievoudiging van de industriële elektriciteitsvraag van 40 terawattuur nu naar 134 terawattuur in 2030. Dit zou vragen om een navenante toename van de opwekking van CO2-vrij opgewekte elektriciteit. Circa 45 procent van de toename van de elektriciteitsvraag hangt samen met de productie van waterstof via elektrolyse. Het gezamenlijke elektrolysevermogen in 2030 in de CES’en bedraagt 11 gigawatt, met een elektriciteitsvraag van 44 terawattuur. Circa 30 procent extra elektriciteitsvraag komt van nieuwe bedrijven en datacenters. Circa een kwart van de toename hangt samen met elektrificatie en andere verduurzaming van de huidige industrie, zoals door het toepassen van elektrische boilers, elektrische fornuizen en staalproductie met groene waterstof.

Flinke emissiereductie mogelijk

Het totale broeikasgasreductiepotentieel van de plannen in de Cluster Energiestrategieën 2.0 is 38 Mton in 2030 vergeleken met nu (vergelijkbaar met 23 procent van huidige Nederlandse broeikasgasuitstoot). Bij de industrie neemt de uitstoot af met 26 Mton, de andere 12 Mton uitstootreductie slaat neer in andere sectoren, deels ook buiten Nederland. Een belangrijke bijdrage aan de uitstootreductie (17 Mton) komt op het conto van CO2 afvang en -opslag (CCS). Zoals blijkt uit de KEV, verwacht het PBL op basis van bestaand beleid niet dat alle bovenstaande plannen worden gerealiseerd.

Aanpak om kip-ei-probleem te overwinnen

De aanleg van de benodigde energie-infrastructuur wordt belemmerd door een klassiek kip-ei-dilemma, waarbij investeringsbeslissingen van verschillende partijen van elkaar afhankelijk zijn. De netbeheerder wil zekerheid over de toekomstige stroomvraag voorafgaand aan een investering in netverzwaring, maar industriële bedrijven durven geen investeringsbeslissing te nemen in een elektrificatieproject als niet zeker is dat de netcapaciteit er op tijd is. Om dit soort knelpunten op te lossen heeft de rijksoverheid het Nationaal Programma Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI) opgericht, waarin alle betrokken partijen samen werken om sneller cruciale infrastructuur te realiseren. Daarvoor hebben industriële bedrijven, netbeheerders, energieproducenten en regionale overheden dit jaar een update uitgebracht (CES 2.0) van hun gezamenlijk Cluster Energiestrategieën van vorig jaar.

Er zijn CES’en opgesteld voor de vijf grote industriële clusters (Noord-Nederland, Noordzeekanaalgebied, Rotterdam-Moerdijk, Zeeland-West Brabant en Chemelot in Limburg) en voor de overige industrie (samen cluster 6). Voorstellen voor infrastructuurprojecten uit de CES’en met nationale betekenis kunnen versneld uitgevoerd worden door opname in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), dat het kabinet in november 2021 presenteerde.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Iedereen beseft inmiddels dat een volledig gasloze klimaatinstallatie op elke plek in onze gebouwde omgeving onmogelijk is. Het is wel mogelijk om uiteindelijk zonder fossiel gas onze installaties te voeden. Om die reden zet Remeha in op de hybridisering van klimaat- en warmtapwaterinstallaties, omdat het dan mogelijk is het gasgebruik te minimaliseren. Via een samenwerking met scale-up Circ biedt Remeha haar klanten vervolgens een nieuwe optie om installaties met biogas in plaats van aardgas te voeden.

Remeha en Circ produceren en leveren producten die elkaar naadloos aanvullen, waar het gaat om het reduceren of zelfs vervangen van het aardgasgebruik. Circ is een innovatieve ontwikkelaar en producent van mini-vergisters – BioTransformers, zoals zij de apparaten noemen – die GFE-reststromen omzetten in biogas en biowater. Het biogas kan, zo nodig met een kleine nabewerking, aardgas vervangen en zo de verwarmings- of warmtapwaterinstallatie van een CO2-neutrale energiebron voorzien.

“Onze klanten voeden de BioTransformers hoofdzakelijk met groente- fruit- en etensresten”, vertelt Robert Kooloos, chief commercial officer bij Circ. “Daarmee produceren zij twee producten; biogas en biowater. Als het biogas vervolgens wordt gebruikt in de cv-toestellen, komt daarbij uitsluitend kortcyclische CO2 vrij. Deze CO2 uit voedselresten was anders bij verbranden of storten ook vrijgekomen. Het tweede product, biowater, is zeer rijk aan nutriënten en kan in veel gevallen als plantenvoeding worden gebruikt in bijvoorbeeld de land- en tuinbouw.” De BioTransformers van Circ zijn al te vinden in de hotelwereld en horeca, de zorgsector, de voedingsindustrie en andere sectoren met veel GFE-stromen.

“Remeha ziet in Circ een mooie partner waarmee onze adviseurs een extra oplossing voor handen hebben zodra zij klanten aan een efficiënte en CO2-neutrale verwarmings- of tapwaterinstallatie willen helpen” zegt Rick Bruins, business development manager bij Remeha. “In Nederland gebruiken we ongeveer 15 miljard kubieke meter aardgas in de gebouwde omgeving. Circa de helft daarvan gebruiken we in de utiliteit. Wij denken dat het realistisch is om via hybridisering het gasverbruik in de utiliteit uiteindelijk naar 2 miljard kubieke meter te reduceren. Die 2 miljard kuub zullen we door CO2-neutrale gassen moeten vervangen. Dat kan met waterstof, maar dat gas zal niet het volledige aandeel voor zijn rekening kunnen nemen. Daarom denken wij dat ook biogas en groen gas een belangrijke rol kunnen en zullen spelen.”

De BioTransformers die Circ ontwikkelt en produceert hebben verschillende capaciteiten. De kleinste verwerken 30 kilo per dag en de grootste 600 kilo GFE per dag. Het bedrijf produceert zowel de hardware als de software en zorgt dat de apparaten via een installateur bij de klant worden geïnstalleerd. “Onze klanten kopen de machine omdat zij hiermee meerdere doelen behalen. Ze vergroenen hun energievoorziening. Ze minimaliseren hun kosten voor het afvoeren van GFE-stromen. En sommige klanten kunnen het andere restproduct, biowater, goed gebruiken als voeding voor planten of leveren dit aan nabijgelegen locaties. In elk geval zorgen onze BioTransformers voor een duurzame businesscase die meestal in 2 tot 5 jaar is terugverdiend. Onze prognose is dat de toestellen die we in de jaren tot 2030 zullen verkopen in totaal zo’n 50 miljoen m3 aardgas kunnen vervangen”, zegt Kooloos.

Remeha en Circ willen via hun samenwerking een versnelling teweegbrengen; enerzijds in de hybridisering van cv- en warmtapwaterinstallaties, en anderzijds bij de inzet van biogas als vervanger van aardgas. “In veel horecabedrijven of voedingsindustrieën komen we als adviseur over de vloer omdat deze bedrijven willen verduurzamen”, zegt Bruins. “Maar lang niet overal is een all-electric oplossing mogelijk. Soms kun je bijvoorbeeld wel voor verwarming een warmtepomp gebruiken maar niet voor tapwater”. “En zelfs als een all-electric oplossing past, gaat Kooloos verder, “kan het alsnog interessant zijn om de BioTransformer te gebruiken. Puur omdat die bedrijven hun organische reststromen in dat geval effectief en rendabel voor verwarming en warmtapwater kunnen inzetten, en dus niet hoeven af te voeren.”

Kortgeleden leverde Circ al een BioTransformers die feilloos samenwerkt met een cv-systeem van Remeha. Zorgcentrum de Koperhorst in Amersfoort kocht een BioTransformer50 – voor 50 kilo GFE-reststroom per dag – en gebruikt het geproduceerde biogas als energiebron voor de Remeha Quinta Ace cv-toestellen die het gebouw verwarmen. En in december wordt bij het Van der Valk Hotel in Gorinchem een BioTransformer200 –  voor 200 kilo per dag – geïnstalleerd. Het biogas van dat apparaat wordt gebruikt voor een Remeha cv-ketel, die straks met voorrang zal worden gestookt. Pas als er niet genoeg biogas is, zullen de in hybride geschakelde warmtepompen in werking treden. Volgend jaar zullen er nog enkele combinaties van een BioTransformer met Remeha cv-ketels worden geïnstalleerd, zoals bij Van der Valk Hotel Nuland en De Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwersluis.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De CO2-uitstoot in de glastuinbouw wordt de komende jaren aanzienlijk verminderd. Daartoe hebben de ministeries van Landbouw, Economische zaken en Klimaat en Financiën vandaag met de glastuinbouwsector het Convenant Energietransitie Glastuinbouw 2022-2030 ondertekend. De partijen gaan werken aan maatregelen voor energiebesparing en verduurzaming die noodzakelijk zijn voor een gezonde en renderende glastuinbouw.

De glastuinbouw heeft de ambitie om in 2040 een klimaatneutrale en economisch rendabele sector te zijn. Daartoe zijn al stappen gezet, zoals het programma Kas als Energiebron. De sector heeft ook aardwarmtewinning grootgebracht waarmee, naast de warmtebehoefte van de glastuinbouw zelf, vele huishoudens worden verwarmd.

De energietransitie wordt middels dit convenant voortgezet en geïntensiveerd. De aanzet voor dit convenant is gegeven in het Klimaatakkoord van 2019 en het huidige kabinet heeft daar een aanvulling op gedaan. Het convenant bevat het restemissiedoel voor 2030, voorlopig vastgesteld op 4,3 tot 4,8 Mton CO2-equivalenten. Dit doel is een grotere reductie van 1,0 tot 0,5 Mton en daarmee ambitieuzer dan voorgaande afspraken, zoals het coalitieakkoord. Het definitieve restemissiedoel wordt in het voorjaar van 2023 bepaald, wanneer een aantal nog ontbrekende maatregelen is uitgewerkt.

Het convenant bevat de maatregelen en de inzet van de partijen om het beoogde doel te halen. Dat gebeurt door stimulerende maatregelen, zoals subsidies, infrastructuur, de gebiedsgerichte aanpak via de Greenports, het programma Kas als Energiebron voor R&D en demo- en kennisuitwisseling. En door prikkelende maatregelen zoals verdere beprijzing van CO2-emissie door aanpassing van de energiebelasting, het verbeteren van het CO2-sectorsysteem na 2024 met een individuele prikkel en het verplichten van energiebesparende maatregelen, die binnen vijf jaar kunnen worden terugverdiend.

Dit convenant is een vervolg op eerdere Meerjarenafspraken waarin het programma Kas als Energiebron de kern vormde. Piet Adema, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: “Ik ben enorm trots op de glastuinbouwsector in Nederland. Ze is wereldwijd toonaangevend in duurzame productie. Maar ik ben me ook bewust van de grote zorgen die bij ondernemers leven over de hoge gasprijzen. Tegelijk staan we gezamenlijk voor een forse klimaatopgave in de glastuinbouw. Daarom is dit convenant zo belangrijk. We gaan energiebesparing en -verduurzaming de komende jaren versnellen, zodat de sector in 2040 klimaatneutraal kan worden én wereldwijd toonaangevend blijft.”

Minister Rob Jetten van Economische Zaken en Klimaat: “Om Nederland klimaatneutraal te maken zijn grote veranderingen nodig in alle economische sectoren. Met dit convenant spreken we concreet af wat de sector gaat doen om klimaatneutraal te worden en hun energiemix te verduurzamen. De huidige energiecrisis toont aan dat we nóg sneller moeten verduurzamen. De Nederlandse glastuinbouwsector staat wereldwijd bekend om zijn innovatieve karakter. Door deze stappen te zetten richting klimaatneutraliteit, blijft de sector internationaal toonaangevend.”

Staatssecretaris Marnix van Rij (Fiscale zaken): “Met dit convenant zetten we een stap in het vergroenen van het belastingstelsel. We helpen zo de glastuinbouw aan een duurzamere toekomst. Het gaat om het duurzamer maken van deze voor Nederland belangrijke sector.”

Over het waarom van een convenant, zegt Adri Bom-Lemstra, voorzitter Glastuinbouw Nederland: “Overheid en sector geven met het convenant aan dat samenwerking een voorwaarde is voor de ingewikkelde opgave die de energietransitie is. Door samen te werken kunnen kennis, inzet en het innovatief vermogen van de sector worden benut en ondersteund en kan de juiste balans worden bereikt tussen het stimuleren en prikkelen van ondernemers om de CO2-emissie van de sector omlaag te brengen. Daarbij rekenen we op een stabiel beleid van de overheden, alleen dan kan de sector goede plannen maken en in beweging komen.”

Namens Greenports Nederland reageert Stefanie Miltenburg: “Een stabiel beleid en goede stimulerende maatregelen zijn nodig om ondernemers en regio’s in de transitie te helpen. Hier heeft de overheid wat te bewijzen.”

De ondertekening vond plaats op een van de bedrijven van Beekenkamp Group in Maasdijk. Voorafgaand aan de ondertekening bezochten de ondertekenaars de aardwarmteboring in Maasdijk en deden zij samen met An Beekenkamp, Algemeen Directeur Beekenkamp Group, een ronde over het bedrijf. Het bedrijf benutte de gelegenheid om het belang van de energietransitie te ondersteunen, te laten zien wat het bedrijf daar al aan doet, maar ook om de noodzaak van snelle concrete maatregelen voor de huidige energiesituatie te benadrukken.

Na ondertekening van het convenant vond er een gesprek plaats tussen minister Adema van LNV en ruim veertig ondernemers uit de glastuinbouw.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Ahold Delhaize announces the update of its interim CO2 emissions reduction target for its entire value chain (scope 3) to at least 37% by 2030, and to become net-zero by 2050. For its own operations (scope 1 and 2), the company remains committed to become net-zero by 2040 with an interim target of a 50% reduction by 2030. With this updated scope 3 interim target, Ahold Delhaize aims to achieve the decarbonization of its entire value chain and ensures that all of its climate targets are in line with the UN’s goal of keeping global warming below 1.5°C.  

The updated interim target is aligned with the Science Based Targets initiative’s Net-Zero Standard. In accordance with the recommendation by the Science Based Targets initiative, Ahold Delhaize is using its latest available emission profile from 2020 as baseline for its 37% 2030 reduction target, updated from a 2018 baseline before. In November 2021 the company joined the Business Ambition for 1.5°C, a global coalition of UN agencies, business and industry leaders, in partnership with the Science Based Targets initiative (SBTi) and the UN led campaign ‘Race to Zero’. The update today is part of the annual climate reporting cycle as per the Business Ambition agreements.

Decarbonization pathway

Whereas scopes 1 and 2 involve the CO2 emissions of Ahold Delhaize’s own operations (mainly consisting of energy, refrigeration systems, and owned and leased transport), scope 3 represents the indirect CO2 emissions across our entire value chain. This value chain consists of thousands of suppliers, producers and farmers who supply hundreds of thousands of products that are sold to millions of customers across the United States and Europe each day.

Jan Ernst de Groot, Chief Sustainability Officer of Ahold Delhaize: “As a group of mainstream supermarkets and retailers, we want to provide customers with sustainable and healthy products, while keeping shelf availability and affordability top of mind. Our commitment is to future generations, to continue to play a leading role in the transition to a more sustainable food system. We are proud of frontrunners like Albert Heijn, who inspire other brands within the Ahold Delhaize group – and the sector – to take sustainability performance to the next level in their market.

The updated interim target is the result of extensive review, which started in November 2021 together with external experts. This review shows that the main drivers of emission reduction in scope 3 can be structured in three categories: suppliers and farmers, low-carbon products and customer engagement.

Suppliers and farmers

A key element of our decarbonization efforts is encouraging and supporting our suppliers in setting their own emission reduction targets in line with the latest scientific evidence, and signing up to the Science Based Targets initiative. These emission reduction commitments will accelerate improvements in livestock farming, raw material sourcing, deforestation reduction, processing, food waste reduction, packaging and transport. Our brands can contribute by supporting their suppliers and farmers with concrete environmental actions. They can do this, for example, by setting up long-term contracts with farmers.

Low-carbon products

Several of Ahold Delhaize’s brands continue to introduce more plant-based protein products in their assortments, driving the improvement of existing assortments and the development of new assortments with less embedded emissions. Our Dutch local brand Albert Heijn, for example, committed to achieve a distribution of 60% plant-based and 40% animal-based protein sales by 2030. All our brands in Europe will commit to baseline their current protein ratio and set protein ratio targets by the end of 2024.

Customer engagement

Helping customers understand the impact of their buying decisions and make choices that fit their needs, their tastes and their values is an important part of our approach. This includes stimulating and rewarding more sustainable choices through loyalty programs and discounts, increasing product transparency through navigation systems and product labelling, improving assortments with more vegan and vegetarian products, and increasing awareness and knowledge about a healthy lifestyle.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Met de koop van carbon credits door Afvalverwerkingsbedrijf Van Happen Containers is het pilotproject van Carbon Farmers succesvol afgerond. Hiermee is een start gemaakt met koolstofboeren en duurzame ondernemingen aan elkaar te koppelen. Carbon Farmers is een initiatief dat op meerdere vlakken werkt aan de verduurzaming van Nederland, in eerste instantie door het stimuleren van de teelt van het perspectiefvolle gewas olifantsgras.

Carbon Farmers stelt ondernemingen die aan hun klimaatneutraliteit willen werken in staat een deel van hun moeilijk te vermijden CO2-uitstoot te compenseren. Met de koop van carbon credits (koolstofcertificaten) wordt geïnvesteerd in Nederlandse ‘carbon farmers’ (koolstofboeren) die olifantsgras verbouwen. Dit zorgt voor de afvang van grote hoeveelheden CO2 en genereert tegelijkertijd extra inkomsten voor de agrarische ondernemer.

Van Happen Containers is actief in afvalinzameling, transport, overslag en sortering van afvalstoffen en heeft een grote klantenkring in de veeteelt en de land- en tuinbouw. De missie van het Brabants  familiebedrijf is om zo veel mogelijk grondstoffen geschikt te maken voor hergebruik en daarmee de verbranding ervan te voorkomen. Ook is er geïnvesteerd in een unieke sorteerinstallatie, die het gemengde afval scheidt in herbruikbare deelstromen. Dankzij de duurzaamheidsgedachte van de familie en medewerkers bestaat het bedrijf 85 jaar. In de transitie ‘van afvalinzamelaar naar grondstofleverancier’ wordt er volop geïnvesteerd in innovatie.

Mark van Happen: “We hebben ervoor gekozen om dit project te steunen omdat het aansluit bij het DNA van ons bedrijf en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Van Happen Containers staat dicht bij de agrarische ondernemer. Zo werken we al jaren samen met LTO Ledenvoordeel om de afvalinzameling en -verwerking bij boerenbedrijven te verzorgen. Naast het voortdurend verminderen van onze eigen uitstoot, willen we ook boeren helpen om hun bedrijf te verduurzamen. Tot slot geloven wij dat lokale, bio-based grondstoffen voor o.a. papiersubstituten en de bouw een belangrijke rol zullen spelen in de circulaire economie van morgen. Wij willen die transitie mee helpen aanjagen.”

Olifantsgras (Miscanthus giganteus) heeft vele voordelen. Dit snelgroeiende ‘supergewas’ in de bodem en het gewas zelf erg veel COop, tot wel vier keer zoveel als een regulier bos. Het is ook erg gemakkelijk te telen: eenmaal aangeplant levert het zonder bemesting en met minimaal onderhoud een jaarlijks rendement op voor tenminste 20 jaar. Daarnaast houden de diepe wortels veel water vast bij hevige regenval en gedijt het gewas goed in droge zomers.

Over de afname van de oogst van olifantsgras zijn afspraken gemaakt met Miscancell. Dit Arnhemse bedrijf is gespecialiseerd in het verwerken van olifantsgras tot veelgevraagde grondstoffen cellulose en lignine. Hier worden vervolgens producten als asfalt, lijmen, boomvrij papier of bouwmaterialen van gemaakt.

In totaal zal Van Happen Containers door haar aankoop bijdragen aan de opslag van 500 ton CO2 over 5 jaar. Hiermee worden 13 ondernemers gesteund die in totaal 40 hectare olifantsgras verbouwen. Bij Carbon Farmers staat elke credit voor één ton CO2-opslag.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De eerste grootschalige Battolyser-fabriek ter wereld zal worden gebouwd in de haven van Rotterdam om tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar groene waterstof en de opslag van elektriciteit.

“Dit partnerschap zal de eerste industriële productiefaciliteit voor groene waterstofapparatuur in Nederland ontwikkelen”, aldus Mattijs Slee, CEO van Battolyser Systems. “Met ons offshore windpotentieel, sterke infrastructuur en zware industrie van wereldklasse kan Nederland nu een duurzaam en veerkrachtig energiesysteem ontwikkelen.”

De 1 GW per jaar Battolyser-fabriek komt op het M4H-terrein, een industrieterrein in het hart van Rotterdam. De kosten voor de ontwikkeling van de 14.000 m2 grote productielocatie, compleet met nieuwe kantoor- en laboratoriumfaciliteiten, worden geschat op ongeveer 100 miljoen euro. Zodra het volledig operationeel is, zal het ongeveer 700 directe werknemers vereisen en tot vier keer zoveel indirecte banen creëren bij toeleveringspartners.

“Rotterdam positioneert zichzelf als Europa’s Waterstof Hub en nieuwe duurzame industrieën zijn welkom om de transitie die in Rotterdam plaatsvindt te helpen realiseren. We hebben bedrijven als Battolyser Systems nodig, en we geloven dat de haven de ideale plek is voor zijn eerste grootschalige fabriek”, aldus Allard Castelein, CEO Port of Rotterdam.

Duitsland en Nederland zijn momenteel de 1e en 2e grootste waterstofverbruikers in Europa. Beide hebben giga-schaalplannen voor groene waterstof die zal worden verbruikt in of door de Rotterdamse haven.

“In dit industriële ecosysteem zal de Battolyser-fabriek naar verwachting een anker worden voor een nieuw platform van bedrijven die zich inzetten voor het opbouwen van een duurzame toeleveringsketen voor de productie van apparatuur”, aldus Castelein. “Bedrijven in de haven werken al actief aan projecten rond productie, import, verscheping, opslag en gebruik van groene waterstof. Met deze fabriek voegen we de productie van groene waterstofapparatuur toe aan dat portfolio. Dit is van grote waarde voor de voortdurende inspanningen van de haven om duurzame industrieën te decarboniseren en te faciliteren voor de toekomst.”

De fabriek zal ook fungeren als hoofdkantoor en R&D-centrum van Battolyser Systems, en opent in de tweede helft van 2024. De definitieve investeringsbeslissing is gepland voor eind 2023 en vereist private en publieke investeringen om internationaal te kunnen concurreren.

Battolyser heeft het eerste geïntegreerde batterij/elektrolyser-systeem ter wereld ontwikkeld en produceert het. Een Battolyser kan waterstof produceren uit zon en wind wanneer de energieprijzen laag zijn en elektriciteit leveren aan het net wanneer de prijzen hoog zijn. Het systeem is uiterst flexibel, efficiënt en robuust. Het kan de congestie op het net verlichten, de bouw van meer zonne- en windenergieprojecten mogelijk maken en de goedkoopste groene waterstof aanbieden. De Battolyser-technologie kan op schaal worden toegepast met behulp van overvloedige en conflictvrije actieve materialen: nikkel en ijzer. De technologie is uitgevonden door Prof. Dr. Fokko Mulder en zijn onderzoeksteam van de Technische Universiteit Delft.

“Deze samenwerking met de haven van Rotterdam om samen onze eerste grootschalige productiefaciliteit te ontwikkelen is een grote stap voorwaarts in onze commercialisering. De fabriek stelt ons in staat om Battolysers op industriële schaal en tegen betaalbare prijzen te leveren. We zijn constructief in gesprek met de Nederlandse overheid en de EU-instellingen, en we hebben er alle vertrouwen in dat we samen de benodigde financiering rond kunnen krijgen,” aldus Slee.

“Voor een net-nul wereld is tussen 5.000 en 10.000 GW aan geïnstalleerde elektrolysecapaciteit nodig. De elektrolyser toeleveringsketen is een enorme kans voor Nederland om nieuwe duurzame industrieën te ontwikkelen die onze energietransitiebehoeften kunnen ondersteunen en de wereld exportproducten kunnen bieden.”

Foto: M4H area (bron: Rotterdam Makers District)

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De 110 deelnemers aan de Meerjarenafspraak Energie-efficiëntie ETS-ondernemingen (MEE) bespaarden in 2020 nog eens 8,021 petajoule (PJ) energie. Dat blijkt uit een definitieve monitoring van RVO. Hoewel het doel van 9 PJ extra besparing niet is gehaald, realiseerde een meerderheid van de deelnemende bedrijven wel zijn individuele besparingsopgave. Dit schreef Minister Rob Jetten van Economische Zaken en Klimaat in een brief aan de Tweede Kamer.

Extra besparing

De 110 deelnemende bedrijven aan het MEE-convenant spraken af om naast de eerder afgesproken 22 PJ energiebesparing een extra besparing van 9 PJ te realiseren. Eerder werd al bekend dat de afgesproken besparing, met een totaal van 19,8 PJ, net niet werd gehaald. Ook de extra besparing valt met 8,021 PJ lager uit. Toch lijken de besparingsdoelen alsnog te kunnen worden gehaald.

Met name 2 warmteprojecten bleken in de uitvoering complexer en langduriger dan vooraf ingeschat. Volgens de planning van deze projecten leveren ze in totaal nog tot circa 1,15 PJ besparing op.

In het onderzoek dat RVO uitvoerde, staan meer verklaringen voor het tekort tot de 9 PJ besparing. Zo corrigeerden enkele bedrijven hun besparingsopgave vanwege sluiting of een productiedaling van meer dan 10%.

Compensatie

De MEE-bedrijven spraken een boetebedrag af wanneer zij de gezamenlijke 9 PJ doelstelling niet zouden halen. Bedrijven met een tekort op hun besparingsopgave betalen € 12 per gigajoule tekort. Uiteindelijk haalden 33 bedrijven niet de afgesproken besparing.

Toch hoeven niet alle bedrijven met een tekort compensatie te betalen. Onderdeel van de afspraak was namelijk dat er ook besparingsdoelen per sector werden opgesteld. Het is nu eenmaal voor het ene bedrijf eenvoudiger te besparen dan voor het andere bedrijf. Als de sector als geheel zijn besparingsdoel haalde, hoefden bedrijven die hun opgave niet haalden niet te betalen. Die uitzondering gold voor de papier-, glas- en biersector.

Uiteindelijk betalen 20 bedrijven uit de sectoren chemische industrie, de metallurgische Industrie, overige industrie en de raffinaderijen in totaal € 9,8 miljoen aan compensatie. Deze compensatie wordt geïnd door een stichting bestaande uit brancheverenigingen. Vorig jaar is besloten dat indien er meer dan 1 miljoen euro wordt  geïnd, deze middelen zullen worden toegevoegd aan de regeling Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie (VEKI).

Download hier de kamerbrief

[ad_2]

Source link

Berichten paginering