[ad_1]

Op de ‘zwartste’ dag van het jaar, gaat Intratuin, samen met andere retailers op groen. Voor elke boom die tijdens Green Friday wordt verkocht, vergroent de retailer in samenwerking met Trees for All één vierkante meter. Het doel is om samen met de stichting tenminste vijfduizend vierkante meter nieuw bos te planten in Nederland en op Borneo. Daar blijft het echter niet bij, want ook de decembermaand staat voor de retailer in het teken van groen. In lijn met haar missie om Nederlandse tuinen te vergroenen geeft ze 50.000 kerstboomstekjes weg aan iedereen die in december een kerstboom koopt.

Als grootste groenaanbieder van Nederland pleit Intratuin samen met gelijkgestemden deze maand voor Green Friday als de nieuwe norm, een duurzaam alternatief voor Black Friday. De retailer doet bewust niet mee aan massale sales en focust zich volledig op vergroening. Peter Paul Kleinbussink, directeur van Intratuin: “Black Friday heeft een enorme impact op mens en milieu. Het draait op deze dag veelal om meer consumeren, terwijl, om onze planeet te ontlasten, we met best een beetje minder kunnen. Waar je echter nooit genoeg van kan hebben, is van groen. Planten en bomen zuiveren onze lucht, dragen bij aan een aangenaam klimaat en zorgen voor een gezonde bodem. Daarom stimuleren we onze klanten op deze dag, om voor extra groen te gaan.”

Om de impact te vergroten slaat Kleinbussink voor deze actie opnieuw de handen ineen met stichting Trees for All: “Afgelopen jaar hebben we, naar aanleiding van onze Green Friday campagne, samen met Trees for All 10.000 vierkante meter vergroend. Ruim het dubbele van wat we in eerste instantie hadden verwacht. Een succes! Dit jaar hebben we ons opnieuw als doel gesteld om 5.000 vierkante meter te vergroenen. Dat lijkt nu misschien wat ambitieus, maar is tegelijkertijd ook nodig.” Voor elke boom die op 25 november wordt verkocht, vergroent Intratuin één vierkante meter in samenwerking met Trees for All.

Vergroening Nederlandse tuinen

De groenspecialist zet, naast Green Friday, ook dit jaar weer in op een groene kerst. Vanaf het moment dat de kerstbomen in de verkoop gaan, geeft het tuincentrum 50.000 kerstboom stekjes (Picea omorika) weg. Daarmee wil Intratuin tijdens de decembermaand opnieuw een belangrijke bijdrage leveren aan het vergroenen van de Nederlandse tuinen. Met als doel om vóór 2030 vijftig procent groene tuinen te hebben. Iedereen die vanaf 1 december een (echte) Nordmann koopt bij Intratuin, krijgt zo’n kerstboom stekje cadeau om thuis in de tuin te planten.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De toenemende netcongestie vormt een uitdaging voor bedrijventerreinen in Nederland. Momenteel kan het voorkomen dat bedrijven op bedrijventerreinen niet aangesloten kunnen worden op het net, omdat er geen ruimte is voor nieuwe aansluitingen. Daarnaast zijn er vaak geen mogelijkheden om zonnepanelen of andere duurzame oplossingen aan te sluiten op het net. Smart Business Parks maakt het wél mogelijk om bedrijventerreinen op een duurzame manier aan te sluiten op het net. Een nieuw consortium, bestaande uit Kuijpers, Brink, VNO-NCW Co-creatie en Essent, beschikt over alle expertises om een lokaal collectief duurzaam energiesysteem te creëren met bijvoorbeeld warmte-koude toepassingen, zonnepanelen, batterijen en laadinfrastructuur, aangestuurd door een slimme digitale laag. Deze week is door de betrokken partijen een intentieovereenkomst getekend voor dit consortium: Smart Business Parks. In deze overeenkomst hebben partijen hun intentie uitgesproken om de komende periode gezamenlijk bedrijventerreinen in de provincies Noord-Brabant en Zeeland te gaan verduurzamen.

Het bundelen van krachten zorgt voor een doorbraak in het verduurzamen van bedrijventerreinen. Het consortium wordt onderschreven door netbeheerders waaronder Enexis. Naast verduurzaming is éen van de beoogde doelen van het consortium om samen met netbeheerders te werken aan een lokaal collectief energiesysteem voor balanshandhaving van bedrijventerreinen. Om een efficiënter gebruik en beheer van het energienet te realiseren.

Een succesvolle combinatie

Stephan Segbers, COO bij Essent: “Voor het verduurzamen van bedrijventerreinen in Nederland is het essentieel dat de bedrijven op het terrein een collectief vormen. Eerdere pogingen om deze terreinen koolstofvrij te maken werden bemoeilijkt door verschillende factoren, zoals historisch lage gas- en elektriciteitsprijzen, minder strenge wetgeving of het onvermogen om samen te werken. In dit consortium wordt alle beschikbare kennis bij elkaar gebracht om verduurzaming mogelijk te maken: een succesvolle combinatie.”

Voor het succesvol verduurzamen van deze bedrijvenparken heeft het consortium een stapsgewijze aanpak ontwikkeld. VNO-NCW Co-creatie treedt op als onafhankelijke partij. Zij verkent in een vroeg stadium de benodigde samenwerking voor kansrijke oplossingen. De missie van VNO-NCW Co-creatie is het realiseren van een duurzame economie op bedrijventerreinen. Goede samenwerking aan collectieve oplossingen biedt hiervoor de sleutel. Rob Bogman, directeur van VNO-NCW Co-creatie: “Een lokaal collectief energienet slaat op veel bedrijventerreinen aan. Het consortium met Essent, Kuijpers en Brink maakt het ook mogelijk deze oplossing te realiseren!”

Brink is vervolgens gespecialiseerd in het binnen een complex stakeholdersveld uitwerken van de business case en het ontwerpen van de samenwerkingsmechanismen die daarbij passen. Kuijpers en Essent Energy Infrastructure Solutions (EIS) beschikken over energiekennis en zijn in staat om een volledig lokaal duurzaam energiesysteem te ontwikkelen, bouwen en exploiteren.

Focus op de provincies Noord-Brabant en Zeeland

De komende periode ligt de focus op de provincies Noord-Brabant en Zeeland. Dit consortium biedt lessen en ervaringen om de samenwerking te verbreden naar andere bedrijventerreinen in Nederland. Segbers: “We focussen ons nu vooral op dit specifieke gebied, zodat we daarna onze kennis kunnen delen met andere partners en samen een grote stap kunnen zetten in het verduurzamen van bedrijventerreinen in Nederland.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Ongeveer 26 voetbalvelden: zo groot wordt het Ordinabos dat enkele honderden werknemers van het gelijknamige IT bedrijf afgelopen weekend aanplantten. Zelfs BOS+, die Ordina ondersteunde met het aanplanten van dit bos, zag nog maar zelden zo’n oppervlakte bebost worden in één ruk.

Hoewel bedrijven die investeren in groene oplossingen talrijk zijn, gaan er weinig zo ver als Ordina. Als één van de grootste IT-dienstverleners van de Benelux neemt Ordina maatschappelijke verantwoordelijkheid serieus en rekent het daarbij in België op BOS+ voor de boskennis die nodig is om dit waar te maken. Het doel is om lokale stukken grond aan te kopen om er verkoelende en luchtzuiverende bossen te planten. Een eerste realisatie is er nu in Pelt, met 13,5 hectare, goed voor zo’n 25.000 bomen. Het Ordinabos zal centraal in het ‘Pijnven’ liggen, een groot bos dat deel uitmaakt van ‘Bosland’, één van de grootste boscomplexen van Vlaanderen.

Nieuwe en blijvende lokale natuur

“We hadden nooit durven dromen dat ons initiatief voor een Ordina-bos zo positief ontvangen zou worden”, zegt Jo Maes, CEO van Ordina. “Veel medewerkers zijn dit weekend met vrienden of familie naar Pelt afgereisd om hun boom in het Ordina-bos te planten. Met elkaar hebben we de aftrap gegeven voor een bos met 25.000 toekomstige bomen. Daarmee bestrijden we de klimaatcrisis en creëren we tegelijkertijd nieuwe en blijvende lokale natuur.”

In april werd de grond reeds ingehuldigd met de aanplant van 5 symbolische bomen, waaronder eentje door minister van Natuur en Omgeving Zuhal Demir. “Heel wat bedrijven hebben de mond vol over groene initiatieven die ze nemen. Maar al te vaak blijft het daar helaas ook bij. Ordina bewijst dat je met een beetje goede wil wel degelijk een groot verschil kan maken voor een groener en gezonder Vlaanderen. Vandaag gaan de eerste bomen in de grond van wat een jaarlijkse ambitie van 15 hectare extra bos moet worden. Laat dit een voorbeeld zijn voor andere bedrijven in Limburg en daarbuiten. De bosalliantie staat klaar om jullie te helpen met financiële middelen en met de nodige expertise om van alle boompjes samen één gezond bos te maken”, zegt Vlaams minister van Natuur Zuhal Demir.

Substantiële bijdrage aan schaarse bosareaal

Volgens Bert De Somviele, directeur van BOS+, is het engagement van Ordina opmerkelijk: “Met BOS+ werken we wel meer samen met bedrijven om meer bos te realiseren. Maar met de doelstelling van regelmatige, lokale aankopen van deze omvang neemt Ordina een echte voortrekkersrol op zich en levert het een substantiële bijdrage aan de uitbreiding van het schaarse Vlaamse bosareaal.”

De keuze voor bos om te verduurzamen is volgens De Somviele erg slim. “Bossen zijn maatschappelijk ongelooflijk relevant”, zegt hij. “Ordina heeft goed begrepen dat bos nog steeds dé beste technologie is om de gevolgen van de klimaat- en biodiversiteitscrisis tegen te gaan. Bovendien heeft meer bos een positieve invloed op het fysieke en mentale welbevinden van de vele mensen die in de toekomst van dit en de andere Ordina-bossen kunnen genieten.”

Foto: Leon Alders

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Bol.com laat klanten vanaf vandaag zien wat een duurzamere keuze is wanneer ze op zoek zijn naar een boek. Duurzamere boeken zijn te herkennen aan een ‘Duurzamer’-label en door hierop te klikken komen klanten op een pagina met verdere uitleg. Dit is nu mogelijk doordat Milieu Centraal in opdracht van bol.com onderzoek heeft gedaan naar de klimaatimpact van boeken. Hieruit blijkt dat een digitaal lees- en luisterboek meestal een betere keuze is voor het klimaat dan de nieuwe papieren variant. Er is wel een leesdrempel: op een e-reader moeten minimaal 25 boeken gelezen worden tot er klimaatwinst ontstaat door het lezen van digitale boeken op dit apparaat. Naast e-books zijn tweedehands papieren boeken ook een duurzamere keuze.

Jori Ebskamp, lead duurzaamheid bij bol.com: “We willen klanten helpen bij het maken van goed geïnformeerde keuzes en velen van hen geven aan duurzaamheid belangrijk te vinden. Hiervoor is het essentieel dat we inzicht hebben in de klimaatimpact van de artikelen. Dit is een complex proces en daarom hebben we de experts van Milieu Centraal gevraagd dit uit te zoeken voor de categorie ‘boeken’. Klanten kunnen in het assortiment op bol.com nu 210.000 verschillende boektitels herkennen die het label ‘Duurzamer’ hebben. Omdat de klimaatimpact van een boek afhankelijk is van veel factoren zoals de bindwijze en het gewicht, zijn deze kenmerken in een beslisboom weergegeven. Die maakt goed inzichtelijk waarom het ene boek een duurzamere keuze is dan het andere.”

Klimaatimpact digitaal boek zit in apparaat

Milieu Centraal, de onafhankelijke voorlichtingsorganisatie voor duurzaamheid, vergeleek de klimaatimpact van de aanschaf van een Nederlandstalig papieren leesboek met de klimaatimpact van het downloaden van een digitaal lees-of luisterboek. Bij een papieren boek is gekeken naar papier, drukken en transport tot aan de voordeur. Bij een digitaal downloadbaar lees- of luisterboek is het downloaden en het gebruik ervan en de productie van de e-reader, tablet, telefoon of laptop meegenomen

“De klimaatimpact van een digitaal boek zit vooral in de productie van het apparaat waarop het wordt gelezen. Als mensen niet vaak een digitaal boek lezen, kan dat beter worden gedaan op een apparaat dat sowieso al in gebruik is, zoals een tablet, laptop of telefoon. Naast klimaatimpact speelt bij elektronica ook de delving van zeldzame metalen een rol,” vertelt Mariska Joustra, expert duurzaam consumeren bij Milieu Centraal. Zij wijst consumenten er daarom op dat het belangrijk is om zo lang mogelijk te doen met elektronica.

Uitzonderingen op de regel

Een tweedehands papieren boek is altijd een duurzamere keuze. Geef je papieren boeken na het lezen dus door, adviseert Milieu Centraal. Een andere uitzondering zijn dunne of kleine uitgaves: wanneer een Nederlandstalig papieren leesboek minder dan 125 gram weegt, is de digitale variant niet langer de betere keuze. In dat geval is de papieren variant een duurzamere keuze dan het digitale lees- of luisterboek.[1]

Beslisboom & labels

Op basis van de bevindingen uit het onderzoek heeft Milieu Centraal een beslisboom ontwikkeld die klanten van bol.com toont welke boekenkeuze het minst impact heeft op het milieu. Daarnaast hebben digitaal downloadbare lees- of luisterboeken een ‘duurzamer boek’-label gekregen. Op dit label kunnen klanten klikken voor verdere uitleg. Ook staat op de productpagina van het boek een korte uitleg waarom het een duurzamer boek is.

[1] Toelichting: De scope van de beslisboom is beperkt tot Nederlandstalige papieren en digitale lees- en luisterboeken. Van niet-Nederlandse titels worden de papieren boeken nog niet meegenomen in het onderzoek en de digitale lees-en luisterboeken wel. Onder digitale leesboeken worden downloadbare e-boeken en luisterboeken verstaan, die worden gebruikt op een e-reader, laptop, tablet of telefoon. Luisterboeken op CD worden gezien als aparte ‘bindwijze’.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De 264 bedrijven binnen de Nederlandse industrie die vallen onder het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) zijn sinds 2018 nauwelijks duurzamer gaan produceren, dat blijkt uit onderzoek van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). In 2021 zat de Nederlandse industrie 13,8% af van de Europese benchmark, in 2018 was dat 14,9%. Mark Bressers, directeur-bestuurder van de NEa: “We hebben niet de indruk dat de Nederlandse industrie het gemiddeld genomen slechter doet dan de industrie in andere Europese landen, maar afgezet tegen de eigen nationale klimaatdoelen en de wens tot de top van Europa te behoren is er echt nog veel werk aan de winkel’’.

Europese benchmarks

De grootste CO2 uitstoters binnen de Nederlandse industrie moeten verplicht deelnemen aan het EU ETS. De NEa verzamelt en rapporteert als nationale autoriteit van al deze bedrijven jaarlijks de CO2-uitstoot. Hoe CO2-efficiënt een bedrijf produceert, wordt bepaald door vast te stellen hoeveel CO2 er wordt uitgestoten bij de productie van een vaste hoeveelheid product. Bijvoorbeeld staal, papier of glas. Binnen het EU ETS worden zogeheten benchmarks vastgesteld voor de CO2 intensieve producten. De benchmarks zijn gebaseerd op de 10% meest CO2-efficiënt producerende bedrijven in Europa. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar alle bedrijven in Europa binnen het EU ETS die staal produceren en hoeveel CO2 zij uitstoten per ton staal. De gemiddelde efficiëntie van de 10% schoonste staalproducenten is dan de basis voor de nieuwe benchmark voor staal.

In 2021 zijn de huidige benchmarks ingevoerd in het EU ETS op basis van gegevens die zijn aangeleverd in 2018. Sindsdien moeten bedrijven elk jaar productiegegevens aanleveren waarmee de CO2-efficiëntie kan worden bepaald. Dankzij die gegevens kan onderzocht worden wat de ontwikkeling is van de Nederlandse industrie ten opzichte van de benchmarks.

6,1 miljoen ton CO2 winst te behalen

Als de Nederlandse industrie zou presteren op het niveau van de benchmark zou er 6,1 miljoen ton (Mton) CO2 minder uitgestoten kunnen worden bij gelijke productie. 6,1 Mton CO2 is bijna 15% van de totale uitstoot van de grote industrie. De sectoren waar de meeste CO2 wordt uitgestoten ten opzichte van de benchmark zijn de olieraffinage, chemische industrie en metaalsector.

Spreiding tussen sectoren

De prestatie van sectoren ten opzichte van de benchmark verschilt. De sector winning van aardolie en aardgas zit al 4 jaar stabiel op zo’n 25% afstand van de benchmark, maar de totale CO2-uitstoot van die sector is niet heel hoog. De metaalsector en chemische industrie zitten relatief dichter bij de benchmark maar veroorzaken ook veel meer CO2-uitstoot, waardoor de impact van verduurzaming in die sectoren groter zal zijn.

Grootste uitstoters

De 10 grootste industriële uitstoters zijn samen verantwoordelijk voor meer dan 4,8 Mton van de in totaal 6,1 Mton CO2 die de industrie meer uitstoot ten opzichte van de Europese benchmarkwaardes.

Bressers: “De gehele industrie zal moeten verduurzamen maar bij de grootste uitstoters ligt ook de grootste potentie. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft eerder al aangekondigd maatwerk afspraken te willen maken met de grootste industriële uitstoters om te innoveren en verduurzamen. Deze rapportage laat zien dat hier ook de meeste winst te behalen is. De NEa actualiseert deze rapportage jaarlijks zodat we kunnen monitoren wat het uiteindelijke effect is van deze maatwerkafspraken op de CO2-efficiëntie van deze bedrijven.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Albert Heijn scherpt de ambitie aan voor de reductie van CO2-uitstoot in de keten (Scope 3) van 15 naar 45% in 2030 (ten opzichte van 2018). ‘Samen beter eten bereikbaar maken. Voor iedereen.’, vanuit deze missie neemt het bedrijf continu initiatieven om de wereld beter achter te laten. De eigen bedrijfsvoering – winkels, distributiecentra en kantoren – is al volledig klimaatneutraal. Ook in de toeleveringsketen worden er voortdurend stappen gezet. Zo is nu de exacte uitstoot in de kip- en varkensketen in kaart gebracht. “Het aanscherpen van onze ambitie om de CO2-uitstoot terug te dringen met 45% in 2030 in de hele keten met al onze (toe-)leveranciers is een serieuze stap. Wij willen onze beweging naar een leefbare aarde concreet invullen en ik ben ervan overtuigd dat als we samenwerken met alle leveranciers, deze ambitie stap voor stap haalbaar is,” stelt Marit van Egmond, CEO van Albert Heijn.

CO2-uitstoot in hele kip- en varkensketen inzichtelijk

Albert Heijn heeft langdurige samenwerkingen met meer dan 1.100 boeren en telers in de versketen binnen de Beter voor Natuur & Boer-programma’s. Binnen deze programma’s worden transparante langlopende afspraken over klimaat, duurzaamheid, dierenwelzijn en een gezond verdienvermogen gemaakt. CO2-reductie is hierin expliciet meegenomen. Eind 2020 is Albert Heijn samen met ketenpartners begonnen met het exact berekenen van de uitstoot van broeikasgassen in de kip- en varkensketen. Gebaseerd op werkelijke data in de eigen Beter voor ketens. “Doordat we nu exact weten wat de CO2-impact voor kip- en varkensproducten is, kunnen we nog gerichter actie nemen om CO2-uitstoot te verminderen. Bijvoorbeeld door verduurzaming van veevoer. Zo is in de varkensketen veevoer verantwoordelijk voor 50% van de totale uitstoot en bij kip zelfs voor 77%. Daarom stimuleren we het gebruik van circulair voer en ontbossingsvrije soja in onze ketens”, vervolgt Marit van Egmond. Om verder inzicht te krijgen in andere ketens, is Albert Heijn ook bezig om primaire, exacte data te verzamelen voor onder meer rund, zalm, eieren, vleesvervangers en groente en fruit.

Op weg naar beter eten

Albert Heijn zet continu stappen om de missie ‘Samen beter eten bereikbaar maken. Voor iedereen’ te realiseren. Specifiek voor klimaat zijn onder andere de volgende stappen gezet:

  • Een meer plantaardig dieet draagt bij aan het verminderen van de CO2-uitstoot; minder gebruik van water, minder ontbossing en een lagere uitstoot van broeikasgassen, die verantwoordelijk zijn voor klimaatverandering. Albert Heijn helpt daarom klanten met de beweging om 60% van de geconsumeerde eiwitten uit plantaardige bronnen te halen vanaf 2030. Bijvoorbeeld door het aanbieden van een breed vega(n) en plantaardig assortiment, de klant bewust te maken van de positieve impact van minder vlees, inspiratie te geven voor vega(n) recepten, de online vega-swap en een betaalbaar assortiment van vega(n) Prijsfavorieten. En ook is het vleesvervangers assortiment al verdubbeld naar ruim 300 producten.
  • Albert Heijn heeft in de eigen bedrijfsvoering – winkels, distributiecentra en kantoren – de uitstoot al flink teruggedrongen met 92,3% (ten opzichte van 2018). Dit was vooral te danken aan de overstap naar 100% Hollandse windenergie, begin 2021. De resterende uitstoot in de eigen bedrijfsvoering wordt gecompenseerd door bij te dragen aan VCS-gecertificeerde klimaatprojecten. Daarmee is de eigen bedrijfsvoering klimaatneutraal.
  • Midden 2022 hebben alle grootste eigen merk-leveranciers voor het eerst hun volledige CO2-voetafdruk in kaart gebracht, inclusief een reductieplan en reductiedoelstellingen. Ook gaat Albert Heijn samen met alle A-merk leveranciers de CO2-reductie in de keten verminderen. Dit draagt bij aan de ambitie van 45% reductie in 2030.
  • Albert Heijn werkt daarnaast aan klimaatneutrale producten en heeft al ruim vier jaar klimaatneutrale Perla koffie in het assortiment en zijn sinds begin 2022 alle eigen merk-bananen klimaatneutraal, van plantage tot en met de winkel.
  • Ook minder voedselverspilling draagt bij aan het reduceren van de CO2-voetafdruk. Doelstelling is om 50% minder te verspillen in 2030. Albert Heijn heeft recentelijk de AH Overblijvers en dynamisch afprijzen in alle winkels uitgerold. En blijft hier ambitieuze stappen op zetten.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Promovendus Rick Bosman (DRIFT en Erasmus School of Social and Behavioral Sciences) onderzocht hoe gevestigde partijen anticiperen op hun nieuwe rol tijdens de energietransitie. Hij constateert dat organisaties zich vaak in een ‘transitieruimte’ bevinden. Een begrip die Bosman introduceert om deze fase, die zich kenmerkt door een gebrek aan houvast en richting, beter te kunnen begrijpen.

De energietransitie zorgt voor grote verschuivingen in de energievoorziening. Zo is een totaal andere infrastructuur nodig om over te stappen op elektrisch rijden en om huizen aardgasvrij te maken. Voor veel grote bedrijven en organisaties zet dit de bedrijfsvoering radicaal op de kop. Rick Bosman nam een kijkje in de keuken bij het Havenbedrijf Rotterdam, Alliander en pensioenfonds ABP. Hij was tijdens zijn promotietraject een van initiatiefnemers van ABP fossielvrij. Bosman: “Bedrijven waren gewend om te opereren in een stabiele context en moeten nu op zoek naar een andere rol en naar nieuwe businessmodellen. Dit is voor veel organisaties behoorlijk spannend.”

De energietransitie leidt bij die partijen vaak tot spanning en conflict, constateert hij. Ook bij netbeheerder Alliander (semi-overheid), waar Bosman onder meer vele gesprekken voerde met werknemers. Hij zag een organisatie die vooruitblikt, bijvoorbeeld als het gaat om het aardgasvrij maken van woonwijken, maar die ook worstelt. Om in te spelen op het toenemend aantal elektrische auto’s ging de partij ook laadpalen plaatsen. “Dit heeft tot een aantal rechtszaken geleid. Ze werden door de markt teruggefloten omdat die het als illegale concurrentie zagen. Alliander redeneerde dat wanneer de markt de laadpalen niet plaatst, dat zij dit zelf moeten oppakken.”

Transitieruimte

De promovendus constateert dat er vrijwel altijd over een oud regime (fossiel) en een nieuw regime (hernieuwbaar) wordt gesproken, maar dat er helemaal geen term is om een systeem te beschrijven waar geen sprake is van een duidelijk regime. Hij introduceert daarom in zijn proefschrift het begrip ‘transitieruimte’. “Een regime kenmerkt zich door een gezamenlijke richting en veel houvast. In transitieruimte ontbreekt die houvast juist. Dat is een fase met eigen kenmerken, maar het ontbrak nog aan taal om dit goed te beschrijven”, verklaart hij.

Gekke cocktail

Eerder transitiedenken ging ervan uit dat niches, zoals startups met innovatieve ideeën, langzaam maar zeker het oude regime omvergooien. “De transitieruimte is eerder een gekke cocktail, waar delen van het oude regime gemixt worden met nieuwe elementen uit de niches. Fossiel faseren we grotendeels uit maar een stroomnetwerk blijft belangrijk. Daarom is een netbeheerder ook zo’n interessante partij want die spelen in het oude en het nieuw regime een belangrijke rol. Een oliebedrijf zit vaak nog te erg gevangen in het oude regime.”

Het Havenbedrijf Rotterdam klopte aan bij DRIFT omdat zij een beter beeld wilden krijgen wat de energietransitie betekent voor de haven. “Op dit moment is de helft van wat door de haven komt nog fossiel”, vertelt Bosman. Het havenbedrijf beschouwde zich in eerste instantie als een soort uitbater van een winkelcentrum, dat de voorzieningen regelt, maar weinig invloed heeft op wat in de winkeltjes verkocht wordt. DRIFT spoorde hen aan om meer proactief de duurzame haven vorm te geven. “Om daar zicht op te krijgen moet je niet meteen Shell bellen, maar ook met nieuwe partijen gaan praten. Ze hebben nu een transitieafdeling opgezet van 50 FTE die volledig is gericht op het binnenhalen van nieuwe duurzame bedrijvigheid.”

ABP fossielvrij

Bosman was tijdens zijn promotietraject ook een van initiatiefnemers van de fossielvrij campagne bij pensioenfonds ABP. Het voelde voor hem niet goed dat hij verplicht was geld weg te zetten voor de toekomst, maar dat met dat geld in fossiel werd geïnvesteerd, waarmee die toekomst juist op het spel werd gezet. Op alle mogelijke manieren werd druk uitgeoefend om af te stappen van fossiele investeringen, bijvoorbeeld door brieven te sturen, door ledenfracties te mobiliseren en via de media (lees onder meer in Trouw). “Dit was niet alleen vanuit klimaatoogpunt, maar ook omdat fossiele investeringen steeds meer een financieel risico zijn. Wanneer we klimaatverandering in de perken willen houden moet een groot deel van de fossiele brandstoffen in de grond blijven zitten.”

Activistisch onderzoek

De campagne was succesvol: in 2021 kondigde ABP aan haar investeringen in fossiel te stoppen. Tegelijk leverde Bosmans onderzoek waardevolle inzichten op over het verloop van transities en de rol van actievoeren daarin. De promovendus erkent het activistisch karakter van de ABP-casus, maar ziet dat juist als een kracht. Voor zijn nieuwe baan is hij vanuit Milieudefensie als onderzoeker betrokken bij de hoger beroepzaak tegen Shell. “Ik geloof niet dat je als wetenschapper alleen vanaf een afstand moet observeren. Als je ergens in gaat prikken en duwen kun je veel beter verbanden snappen en inzichtelijk maken en wordt duidelijk waar de echte weerstand tegen verandering zit.”

Rick Bosman verdedigt op vrijdag 18 November 2022 zijn proefschrift ‘Into Transition Space: Destabilisation and incumbent agency in an accelerating energy transition‘.

foto: Erasmus Universiteit Rotterdam (Chris Gorzeman)

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Afvalverwerking is verantwoordelijk voor ongeveer 18% van de wereldwijde menselijke methaanuitstoot. Een groot deel daarvan komt van een klein aantal vuilnisbelten, wat ze tot belangrijke mitigatiedoelen maakt. Global Methane Hub, SRON en GHGSat slaan nu de handen ineen om grote emissies van vuilnisbelten over de hele wereld te identificeren, bestuderen en te monitoren. Het doel is om deze stortlocaties beter te begrijpen, een dialoog te starten en actie te bewerkstelligen op lokaal niveau. Op de COP27 presenteren ze het eerste resultaat van dit project; een wereldkaart met ruim honderd vuilnisbelten die methaan uitstoten.

 


Stedelijke emissiehotspots gedetecteerd door het Nederlandse satellietinstrument Tropomi (rode cirkels) en locaties van methaan-uitstotende vuilnisbelten gezien door de Canadese satelliet GHGSat (zwarte stippen).

Methaan is verantwoordelijk voor ongeveer een kwart van de menselijke opwarming van de aarde. Vuilnisbelten zijn grote geconcentreerde methaanbronnen, die ook vaak samengaan met problemen zoals grondwater- en luchtvervuiling. Geeta Gupta, milieu-adviseur bij de gemeente Delhi (India), een van de lokale projectparners, zegt: ‘We zien dat slecht beheerde vuilnisbelten een enorm risico kunnen vormen voor het milieu, waarbij armere gemeenschappen worden blootgesteld aan vervuiling en stank. Deze satellietinformatie helpt ons om de vuilnisverwerking te verbeteren en om methaanemissies te verminderen. Daarmee helpen we het klimaat maar ook de leefomstandigheden in onze stad.’

Een onderzoek uit 2022 onder leiding van SRON laat zien dat grote uitstoters over de hele wereld geïdentificeerd en gekarakteriseerd kunnen worden, door data te combineren van het Nederlandse ruimte-instrument Tropomi en de Canadese satelliet GHGSat. De onderzoekers gebruiken Tropomi’s wereldwijde dekking om emissie-hotspots te vinden, waarna ze de hoge resolutie van GHGSat gebruiken om de uitstoot van de individuele vuilnisbelten te meten binnen zo’n hotspot. Het onderzoek richtte zich op vier vuilnisbelten, waaronder één in Buenos Aires wiens uitstoot een klimaatimpact heeft van anderhalf miljoen auto’s. Tijdens de C40-bijeenkomst in oktober committeerde Buenos Aires zich samen met twaalf andere steden aan het reduceren van haar afvaluitstoot met dertig procent in 2030.

Nu breiden SRON en GHGSat hun samenwerking uit binnen een nieuw project, gefinancierd door Global Methane Hub—een filantropisch fonds dat vanuit Chili is opgericht om investeringen te ondersteunen die leiden tot methaanreducties, met afval als een van haar speerpunten. Marcelo Mena, de CEO van Global Methane Hub: ‘We dragen graag bij aan dit initiatief, zodat we observaties kunnen omzetten in tastbare emissiereducties en het verbeteren van de levenskwaliteit voor minder bevoorrechte gemeenschappen die worden blootgesteld aan slecht beheerd afval.’

‘Dit nieuwe project gaat het aantal vuilnisbelten dat we kunnen onderzoeken flink verhogen,’ zegt Ilse Aben, senior scientist bij SRON Netherlands Institute for Space Research. ‘Samen met partners van over de hele wereld zorgen we dat methaanuitstoot van deze locaties transparant en nauwkeurig wordt bepaald. Het is een cruciale stap bij het ontwikkelen van de juiste strategieën om hun uitstoot terug te brengen.’

Boven: stedelijke methaanpluimen zoals gezien door Tropomi. Onder: methaanpluimen boven vuilnisbelten zoals gezien door GHGSat.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Meer dan één derde van de mkb’ers ziet momenteel niet de voordelen in van investeren in duurzame oplossingen, zo blijkt uit onderzoek van October Nederland onder bijna zeshonderd ondernemers. Het MKB staat bekend als de motor van de Nederlandse economie en verduurzaming stokt mede door het gebrek aan motivatie en kennis. Bijna een kwart van de ondernemers weet niet wat de eigen CO2-afdruk is, en is niet bezig deze uitstoot te verminderen. Dit terwijl het toezicht op verduurzaming vanuit overheden juist wordt aangescherpt. Uit het onderzoek van het financieringsplatform blijkt dat het midden- en kleinbedrijf weinig kennis heeft met betrekking tot de criteria van environmental, social en governance (ESG). Slechts 34 procent is bekend met de eisen die binnenkort aan het mkb gesteld worden door de overheid. “Dat percentage is enorm laag”, constateert Luuc Mannaerts, CEO van October. “Ook ketenpartners en klanten eisen steeds vaker dat bedrijven nadenken over en meten wat hun impact is op het milieu en de samenleving.”

ESG leidt tot omzetgroei en tevreden personeel

De helft van de ondervraagden (51%) vindt de financiële prikkels om te voldoen aan ESG-eisen niet concreet genoeg. 45 procent denkt zelfs dat de marge door verduurzaming onder druk komt te staan. Meer dan een derde (36%) weet bovendien niet hoe zij het verschil kunnen maken op gebied van klimaatdoelstellingen. Mannaerts: “Er is vanuit het mkb veel behoefte aan informatie en advies. Alleen dan gaan ondernemers inzien hoe het meten van ESG-prestaties bij kan dragen aan bijvoorbeeld de omzetgroei.”

Naast financiële voordelen heeft het verankeren van ESG in bedrijfsvoering ook een positief effect op het personeel. Veertig procent van de ondernemers ondervindt dat het personeel bewust is van de ecologische voetafdruk van de organisatie, en wil bijdragen aan de strijd tegen het opwarmen van de aarde. “Mensen willen niet meer werken voor een bedrijf dat maatschappelijk onverantwoord bezig is, zeker millennials en Gen Z. Retentie en werven van personeel wordt met actief beleid op duurzaamheid makkelijker”, zegt Mannaerts.

Gebrek aan financiële slagkracht en stimulans

Toch is het moeilijk voor het mkb om te investeren in duurzame oplossingen. Eén derde geeft aan een gebrek aan financiële slagkracht te hebben. “Er is een grote groep ondernemers die verduurzaming als een belangrijke opdracht ziet, maar zo’n duurzamere bedrijfsvoering kost veel geld. Iets wat lastig te bekostigen is zonder buffers,  die door corona en de huidige economische ontwikkelingen zijn verdampt”, zegt Mannaerts.

57 procent van de ondernemers vindt dat het behalen van klimaatdoelstellingen vanuit overheidsinstanties moet worden beloond. Mannaerts: “Om ondernemers te stimuleren te verduurzamen is sinds deze week de borgstellingsregeling voor het mkb uitgebreid met een groene variant. Het garantiepercentage en de kosten zijn vergelijkbaar met de corona variant. De omvang is vooralsnog €200 mio en daarmee laat de overheid een grote kans om de urgentie te benadrukken liggen. Met 1% van het jaarlijkse financieringsbedrag gaan we het MKB niet verduurzamen. Een grotere prikkel is noodzakelijk. De wens vanuit het mkb is er wel, nu nog de juiste voorlichting en stimulans vanuit de overheid.”

Over October

October is het grootste en snelst groeiende Europese financieringsplatform voor het MKB. Inmiddels heeft het platform meer dan 900 miljoen euro verstrekt aan meer dan 3500 projecten. Met een hybride financieringsmodel waarin institutionele beleggers en crowdfunding de basis voor financiering zijn, kan fintech October risicobeheersing, snelheid en zekerheid garanderen. October is tevens oprichter van de Stichting MKB Financiering, dat wordt ondersteund door het ministerie van EZK.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De meeste industriële bedrijven in Nederland maken hun eigen strategie om hun CO2-uitstoot te verminderen. Maar wat is de impact hiervan op de gehele Nederlandse industrie? En vice versa: hoe verhouden beslissingen van andere bedrijven en bijvoorbeeld netbeheerders zich tot elkaar? Hiervoor is inzicht in afhankelijkheden, beperkingen en kansen nodig. Het Institute for Sustainable Process Technology presenteerde op 8 november het Carbon Transition Model: een transparant, op feiten gebaseerd, publiek toegankelijk model dat de duurzaamheidstransitie van fossiel intensieve industrieën ondersteunt.

Het Carbon Transition Model (CTM) is ontwikkeld door Kalavasta en het Institute for Sustainable Process Technology, in samenwerking met meer dan 15 partners uit industrie en netbeheer en maatschappelijke organisaties. Het model brengt de grondstof-, energie- en emissiestromen in kaart voor fossiel-intensieve bedrijven in Nederland. De tool laat bovendien zien hoe deze stromen veranderen wanneer bepaalde duurzame keuzes worden gemaakt, rekening houdend met het hele Nederlandse industriële speelveld.

Het dashboard van het Carbon Transition Model.

Inzicht in het hele Nederlandse industrielandschap

Het CTM werkt op basis van data van alle circa 400 bedrijven die verplicht zijn te rapporteren aan de Nederlandse Emissieautoriteit (NEA). Deze gegevens komen uit openbare bronnen, zoals het CBS, NEA, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en TNO. Uitgangspunt zijn opties die kunnen worden onderverdeeld in zeven basisroutes om de fossiel-intensieve industrie CO2-neutraal te maken. Als gebruiker kun je in een eigen account doorrekenen wat jouw keuzes betekenen. De uitkomsten kun je opslaan en delen met andere gebruikers. Zo krijgt een gebruiker inzicht in de gevolgen van zijn keuzes voor verduurzaming, zowel voor zijn eigen bedrijf en locatie als voor een industriecluster, regio en zelfs het hele Nederlandse industrielandschap.

De zeven basisroutes om industrie CO2-neutraal te maken tussen 2020 en 2050

1. Verandering van energie- en/of grondstoffen-bron voor het industriële proces
2. Verandering van het industriële proces
3. Verandering in de hoeveelheid opgevangen, opgeslagen en/of hergebruikte emissies;
4. Recycling van eindproducten;
5. Verandering van het koolstofgehalte in de eindproducten die de locatie verlaten;
6. Nieuwe clustervorming;
7. Emissiereductie van ingekochte elektriciteit of warmte van derden.

De toekomst verkennen

Het model laat zien hoeveel grondstoffen en energie de industrie verbruikt en welke CO2-uitstoot daarbij hoort. Dit berekent het model op basis van het gekozen productieproces en met de mogelijkheid prognoses te maken per jaar. Zo kan een gebruiker met het model de toekomst verkennen. Het model laat zien wat de implementatie van een nieuwe technologie kan betekenen en ook wat er nodig is om die in te kunnen voeren. De berekeningen gaan verder dan locatieniveau, zoals een fabrieksterrein, en laten ook de impact op het gehele Nederlandse industriële landschap zien.

Voor besluitvormers in industrie, overheid, energiesector en samenleving

Een gemeenschappelijke basis als het Carbon Transition Model is nodig om de industriële transitie naar 2030 en 2050 te maken en emissiedoelstellingen te behalen. Het geeft besluitvormers in industrie, overheid, energiesector en samenleving een objectief beslissingsinstrument, waarin iedereen beschikt over dezelfde feiten en overzichten. Hierdoor kunnen de juiste gesprekken over beslissingen worden gevoerd, zonder eerst te verzanden in discussies over cijfers.

De invloed op het energiesysteem

Er is een koppeling tussen het CTM en het Energy Transition Model van Quintel, een soortgelijke tool voor het energiesysteem van Nederland. Door deze interactie kan verkend worden hoe de transitie van de industrie van invloed is op het energiesysteem. Denk hierbij aan de indirecte emissies van gascentrales die aangaan als er te weinig duurzame stroom beschikbaar is voor een sterk geëlektrificeerde industrie.

Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050

Het CTM is de afgelopen maanden al gebruikt om de Nederlandse netbeheerders te ondersteunen bij een update van de Integrale Infrastructuurverkenning 2030-2050. Het model bood daarbij inzicht in de verwachte energiebehoefte van de industrie. Zo kunnen industrie en netbeheerders samen de juiste beslissingen nemen en op tijd de juiste investeringen doen om tot een robuust energiesysteem te komen.

Het Carbon Transition Model is onderdeel van de Rekenkamer van de Industrie.

[ad_2]

Source link

Berichten paginering