[ad_1]

De Poul la Cour Award gaat dit jaar naar Anne Velenturf, Senior Research Fellow in Circular Economy aan de Universiteit van Leeds. Ze heeft belangrijk onderzoek gedaan op het gebied van recycleerbaarheid van infrastructuur voor hernieuwbare energie en de circulaire economie. En haar werk draagt ​​in grote mate bij aan een duurzame ontwikkeling van de windindustrie.

Duurzaamheid is een topprioriteit voor de windenergiesector. Met de oproep van WindEurope voor een verbod op het storten van turbinebladen tegen 2025, zijn recycling, herfabricage en hergebruik steeds belangrijkere onderwerpen geworden. De huidige windturbinemodellen kunnen al voor 85-90% worden gerecycled. En hoewel de industrie met oplossingen komt, blijven turbinebladen een grotere uitdaging om te recyclen vanwege de complexe composietmaterialen waaruit ze zijn gemaakt.

In het licht van deze ontwikkelingen staat het werk van Anne Velenturf voorop. Haar onderzoek naar een circulaire economie raamwerk voor windenergie spoort de industrie aan om meer te doen om de meest duurzame windparken mogelijk te maken – zowel on- als offshore.

Voorafgaand aan de uitreiking van de Poul la Cour Award dit jaar werden de selectiecriteria uitgebreid met de vele nieuwe professionele gebieden zoals circulariteit, digitalisering, duurzaamheid en andere die zijn ontstaan ​​rond de windindustrie. Het is een erkenning dat deze nieuwe beroepen vandaag de dag net zo belangrijk zijn als de kern van de industrie.

De prijs wordt uitgereikt aan mensen voor hun uitstekende prestaties in de windindustrie en is vernoemd naar Poul La Cour – een Deense natuurkundige, meteoroloog, uitvinder en leraar op een volksmiddelbare school. Tegenwoordig wordt la Cour vooral erkend voor zijn vroege werk op het gebied van windenergie, zowel experimenteel werk aan aerodynamica als praktische implementatie van windenergiecentrales.

De toekenning van de prijs vindt plaats in samenwerking tussen WindEurope en de Poul la Cour Foundation. De prijs wordt om het jaar uitgereikt. Een benoemde selectiecommissie van vier personen, die de wetenschap en de industrie van windenergie in Europa vertegenwoordigt, kiest de winnaar.

Malgosia Bartosik, plaatsvervangend CEO van WindEurope: “Het onderzoek van Anne Velenturf zal een grote impact hebben op de duurzaamheid en circulariteit van de windindustrie. Gefeliciteerd met je goede werk en voor de welverdiende prijs. Het is geweldig om te zien dat de prijs naar een jonge vrouwelijke wetenschapper gaat. Talloze vrouwen spelen een actieve en sleutelrol in onze branche. Het is belangrijk dat dit wordt erkend en de participatie van vrouwen in onze branche wordt gefaciliteerd.”

De voorzitter van de Poul la Cour Foundation, Bjarke Thomassen, zegt: “De uitbreiding van de selectiecriteria heeft geleid tot een grotere spreiding in het vakgebied van de kandidaten dan voorheen. De verkiezing van Anne Velenturf heeft aangetoond dat er in deze nieuwe vakgebieden hooggekwalificeerde mensen zijn met een onschatbare kennis voor de toekomstige ontwikkeling van de windturbine-industrie. Veel felicitaties aan Anne Velenturf.”

Anne Velenturf zei: “Het is zo’n eer om deze prijs te ontvangen. Ik was zo verrast. Ik ben de genomineerden en de jury enorm dankbaar. Hartelijk bedankt! Ik werk sinds 2017 met veel plezier in de windindustrie en sta versteld van de snelheid waarmee de benaderingen van de circulaire economie worden opgepakt. Voor duurzame opschaling van windenergie-infrastructuur is het essentieel om vanaf het ontwerpstadium proactief mee te denken over circulaire economie.”

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Vattenfall en Cargill gaan samenwerken met het nieuw te bouwen Windpark Hanze. Als het park gereed is zal het de CO2-uitstoot met ongeveer 350.000 ton per jaar verminderen. Dat komt overeen met de uitstoot van bijna 95-duizend Nederlandse huishoudens.

Het windpark komt vlakbij Dronten te liggen. De 15 windturbines krijgen een totaal geïnstalleerd vermogen van 90 megawatt. Windpark Hanze heeft onlangs financial close bereikt en de civiele werken zijn al gestart. Het windpark zal in 2023 volledig commercieel in gebruik worden genomen

Vattenfall gaat de output van 78 megawatt van het geplande onshore windpark afnemen onder een 15-jarige Power Purchase Agreement (PPA). Cargill neemt 2,9 terawattuur van Vattenfall af onder een 10-jarige Corporate Power Purchase Agreement (CPPA). In praktijk betekent dit dat 13 windmolens van het park aan Vattenfall gaan leveren. Daarmee kan meer dan 90% van het elektriciteitsverbruik van Cargill in Nederland van duurzame stroom worden voorzien.

“Bij Cargill is duurzaamheid een topprioriteit, en dat verweven we in onze wereldwijde activiteiten door duurzame energieprojecten, zoals deze unieke samenwerking met Vattenfall en Windpark Hanze”, zegt Michiel Smets, EMEA Electricity Lead bij Cargill. “Met deze CPPA verduurzamen we bijna de gehele Scope 2-emissies van Cargills activiteiten in Nederland. Dat is een belangrijke stap op weg naar Cargills toezegging om de uitstoot van broeikasgassen in haar bedrijfsvoering in 2025 met 10% te hebben verminderd ten opzichte van 2017.”

De 10-jarige CPPA is de grootste fysieke aankoop van hernieuwbare energie die Cargill wereldwijd heeft ondertekend en de eerste voor Cargill n Europa.

“Vattenfall zet zich sterk in om de opwarming van de aarde tot 1,5 graad te beperken en heeft onlangs haar doelstellingen voor CO2-reductie verhoogd”, zegt Martijn Hagens, CEO Vattenfall Nederland. “De klimaatcrisis is echt en wij hebben als leider in de energietransitie een verantwoordelijkheid om die serieus aan te pakken.. Door samen te werken met Cargill en Windpark Hanze zal de CO2-uitstoot van de Nederlandse industriële sector afnemen. Bovendien ondersteunen we hiermee de bouw van hernieuwbare capaciteit, waardoor het aandeel groene elektriciteit in de Nederlandse energiemix verder stijgt. Samenwerkingen zoals deze versnellen de energietransitie en brengen onze missie om een ​​fossielvrij leven mogelijk te maken dichterbij.”

“Dit unieke project is mogelijk gemaakt dankzij een consortium van 26 boerenfamilies die zich inzetten voor de bouw van 15 windturbines op hun land”, zegt Gerrit de Regt, directeur Windpark Hanze. “Agrariërs begrijpen als geen ander de noodzaak om te zorgen voor het land en de natuurlijke hulpbronnen. We stellen hiermee een toekomst veilig voor onze eigen bedrijven en voor de volgende generaties. Windpark Hanze is erg trots dat de geproduceerde duurzame energie geleverd gaat worden aan Cargill, een familiebedrijf dat zo’n sterke binding heeft met de agrarische sector.”

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Eigenlijk zou elke grote fabrieks- of bedrijfshal vol moeten liggen met zonnepanelen. Eén van de vaak gehoorde hick-ups bij deze grootschalige uitrol zou de constructie van het dak zijn. Onderzoek in opdracht van TKI Urban Energy laat zien dat echter circa 85% van de Nederlandse grote daken met minimale aanpassingen geschikt zijn voor een zonne-installatie. Vooral agrarische gebouwen en oude panden zijn kansrijk. 

Het dak moet de zonne-installatie natuurlijk kunnen dragen. De aanpassingskosten hiervoor zijn vaak niet meegerekend in de business-cases en subsidieaanvragen. Daar moet, ook bij de overheid, meer aandacht voor zijn, vindt de TKI Urban Energy. Met name in een markt waarin de marges flink onder druk staan is dit een risico voor snelle uitrol. Een taak van de Topsector Energie is om innovaties te versnellen, mede door kennisontwikkeling. Daarom heeft de TKI Urban Energy dit onderzoek gedaan.

Enorme potentie met kleine extra investering

Er ligt op dit moment 2,8 TWh aan zonne-installaties op grote daken in Nederland. Er is voor 5,9 TWh gepland aan nieuwe zon-op-daksystemen tot 2030 (projecten in de pijplijn). Met minimale aanpassingen kan daar nog een keer 1,1 TWh extra bij komen tot 2030. Vaak is de benodigde investering voor een lichte beperking namelijk minder dan €10/meter en daarmee gemiddeld 10% van de investeringskosten. Die 1,1 TW/h is goed voor 10km2 aan dakoppervlak wat er extra bijkomt, oftewel circa 1000 grootschalige zon op dak projecten. Dat is genoeg voor het elektriciteitsverbruik van 400.000 huishoudens. Michiel Kirch, directeur TKI Urban Energy: ‘Constructieve beperkingen waren tot nu toe een blackbox, maar het onderzoek laat zien dat we met minder dan 10% van de investeringskosten enorme stappen kunnen zetten. Kortom: er is nog een flinke hoeveelheid dak wat met een kleine financiële impuls vol gelegd kan worden. Maar het vraagt wel dat je echt goed kijkt naar wat je wel en niet meerekent in je business-case. En qua subsidies kan de overheid daar ook meer mee doen.”

Vier type daken

Er zijn vier types grote panden gedefinieerd: Distributiecentra, Agrarische bijgebouwen, (niet zware) industriepanden en oude panden. De meeste agrarische panden hebben een lichte beperking. Meer dan de helft van de distributiecentra, industriepanden en oude panden hebben geen beperking. Bij het berekenen van ‘de beperkingen’ is gekeken naar de draagkracht van het gebouw, het gewicht van het dak zelf, de variabele belasting (bijv met sneeuwval), de constructiematerialen en de gevolgen van bezwijking. Maatregelen zijn gecategoriseerd naar het verlichten van de belasting, aanpassen van het zonne-systeem of versterken van de constructie.

Belangrijke inzichten

Hiervoor trekt het onderzoek de volgende conclusies:

  • Circa 40% van het zon-op-dak potentieel in utiliteitsbouw heeft ‘geen’ constructieve beperking; circa 45% heeft een ‘lichte’ beperking. De resterende circa 15% is ‘zwaar beperkt’ en vereist meerdere maatregelen.
  • In categorie ‘licht beperkte daken’ zijn de kosten voor maatregelen gemiddeld €15/m2 en voor ‘zwaar-beperkte daken’ €75/m2. Daken met ‘geen’ beperking kunnen in sommige gevallen wel kleine maatregelen nodig hebben (€1/m2).
  • Constructieve maatregelen kosten gemiddeld genomen minder dan alternatieven zoals: lichtgewicht panelen, aanpassen legplan en vervangen van de dakbedekking.
  • Sommige maatregelen kunnen het proces in het pand verstoren, of verlagen het opwek-potentieel, andere hebben juist koppelkansen.
  • Agrarische bijgebouwen hebben zowel een hoog potentieel (±25 TWh/jr) als lage verwachtte interventiekosten (± €10/m2). Oude panden hebben hoge verwachtte interventiekosten (± €35/m2) en een hoog oppervlakte potentieel (±15 TWh/jr). Distributiecentra & (niet zware) industriepanden hebben een lager potentieel hebben (±5 TWh/jr) en lagere verwachte interventiekosten (±€10/m2).
  • Marges van zon-op-dak projecten zijn gedaald en daarmee is er een kleiner budget om interventies voor constructieve beperkingen te financieren. Deze daling is gedreven door dalende subsidiebedragen en tegelijkertijd licht gestegen bouwkosten.

Over het onderzoek

Het onderzoek heeft expliciet alleen gekeken naar de constructieve beperkingen. Natuurlijk kunnen er ook andere redenen zijn waarom een dak geen zonne-installatie krijgt. Recentelijk onderzoek van de RVO laat zien dat andere barrières zijn: netcongestie, verzekeraar niet akkoord, uitvoeringsproblematiek, onzekerheid over het proces en de businesscase.

Het onderzoek is uitgevoerd door SYSTEMIQ in opdracht van en in samenwerking met TKI Urban Energy en RVO. Deze analyse is tot stand gekomen aan de hand van 164 constructieve rapporten en 20 diepte-interviews met projectontwikkelaars, ingenieursbureaus en andere stakeholders.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Partner

Een consortium onder leiding van TNO is vandaag gestart met een onderzoek naar nieuwe flexibele zonne-energiesystemen op water. Het systeem dat bestaat uit flexibele drijvers met daarop gemonteerde flexibele zonnepanelen, is de afgelopen dagen geïnstalleerd in het Fieldlab Green Economy Westvoorne in het Oostvoornse Meer, vlakbij de Maasvlakte. De pilot loopt tot de zomer van 2022 en is de eerste stap in het realiseren van economisch rendabele zonnepaneelsystemen op zee.

De technische uitdagingen

In dit onderzoek kijkt het consortium in het fieldlab naar verschillende aspecten zoals energie-opbrengst van de flexibele zonnepanelen, gedrag van de drijvers bij golven en harde wind, de aangroei van organisch materiaal en economische rendabiliteit.

Zon op water zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren aan de energietransitie. In 2050 wordt in Nederland tweehonderd gigawattpiek (GWp) aan opgewekte zonne-energie voorspeld, waarvan 25 GWp op zonnepanelen op binnenwater en 45 GWp op zonnepanelen op zee.

Om dat te benutten moeten er wel nog stappen worden gezet stelt Wim Soppe, onderzoeker van TNO en manager van het project Solar@Sea II: “Zon op zee of offshore PV bestaat nu eigenlijk nog niet. Het is technisch zeer uitdagend om op zee grote drijvende systemen met zonnepanelen te installeren en tientallen jaren in bedrijf te houden. Daarbij komt dat het vanwege het dure materiaalgebruik voor zware stijve drijvers vaak lastig is om deze systemen economisch rendabel te maken. Voor dit nieuwe concept is veel minder materiaal nodig en daarom hebben we goeie hoop dat het veel goedkoper uitvalt.”

Meebuigen met golven

Het concept bestaat uit twee drijven van 7x13m. met daarop 20 kWp aan zonnepanelen. Het bijzondere aan de opstelling is dat zowel de zonnepanelen als de drijvers van flexibel materiaal (dunne-film pv) zijn gemaakt die door het consortium zijn ontwikkeld.

Installatie flexibel zonne-energiesysteem op Oostvoornse Meer

Door deze toepassing buigen de drijvers en de panelen mee met de golven. Ze bieden minder weerstand aan de golven waardoor de drijvers en de verankering lichter, en daarmee goedkoper, kunnen worden uitgevoerd dan bij starre drijvers.

Verschillende aspecten van belang

Het project wordt uitgevoerd door een breed consortium; naast TNO zijn Bluewater Energy Services, Genap, Marin, Endures en Avans Hogeschool als partner betrokken. Bluewater is verantwoordelijk voor de verankering van het systeem, Genap heeft de flexibele drijvers ontwikkeld, Marin heeft de hydrodynamische eigenschappen van de drijvers in hun modeltest basin getest, Endures onderzoekt (voorkomen van) organische aangroei op de panelen en drijvers en Avans ontwikkelt onderhoud en recycling strategieën voor dit concept.

Vervolgstappen

Na de afronding van dit project is de vervolgstap het bouwen en installeren van een systeem op de Noordzee. In eerste instantie is het doel om daarmee een efficiënte installatie- en onderhoudsmethode te testen die het consortium nu al aan het ontwikkelen is. Dit is belangrijk omdat installatie en onderhoud van drijvende systemen op zee veel lastiger is dan op land en daarmee zomaar veel duurder kan uitpakken.

Vervolgens is de ambitie om rond 2024 een commercieel systeem van 1-5 MWp te gaan bouwen dat aangelegd en elektrisch aangesloten kan worden bij een van de nieuwe windparken op de Noordzee. Omdat de productie van zon- en windenergie in de tijd elkaar weinig overlappen hoeven hiervoor geen extra kabels naar land gebracht te worden.

Zon op water

Dit onderzoek vormt een belangrijke stap in de roadmap die is opgesteld door het Nationaal Consortium Zon op Water. Het Solar@Sea II project wordt uitgevoerd met Topsector Energiesubsidie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het Fieldlab Green Economy Westvoorne is mede mogelijk gemaakt door TNO en het Innovatieprogramma Energie & Klimaat, een initiatief van Metropool regio Rotterdam Den Haag, InnovationQuarter en de provincie Zuid-Holland.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Per 1 januari 2022 wordt Peter Molengraaf het nieuwe boegbeeld van de Topsector Energie. Hij neemt het stokje over van Manon Janssen, die de afgelopen negen jaar deze nevenfunctie bekleedde. Het ministerie van EZK heeft de boegbeeldwissel officieel bekend gemaakt in de Staatscourant deze week.

Manon Janssen heeft als boegbeeld van de Topsector Energie de organisatie zien veranderen van een innovatief samenwerkingsverband met een sterk technische focus naar een steeds groter wordende netwerkorganisatie met een integrale meerjarige aanpak die past bij de ambities van het Klimaatakkoord. Daarbij heeft ze bovendien een uitzonderlijke rol gepakt bij het aansturen van de Industrietafel rondom de totstandkoming van het Klimaatakkoord. De functie van boegbeeld is een nevenfunctie, dat in deeltijd wordt vervuld.

Manon Janssen: ‘Ik vind het tijd om het stokje door te geven. Mijn dagelijkse werk, als CEO en voorzitter van de Board of Management van Ecorys, vraagt meer aandacht voor de internationale groei; ik ben dus ook minder in Nederland. Bovendien is de energietransitie gigantisch in aandacht gegroeid de afgelopen jaren. Dat is noodzakelijk, maar vraagt ook meer tijd en een frisse blik. En met het zicht op een nieuw kabinet dat hopelijk de energietransitie nog meer versnelling zal geven, is dit een goed moment. Ik draag met plezier daarom het stokje over aan Peter die met een prachtig track-record zeer goed beslagen ten ijs zal komen om innovatie van de energietransitie te blijven ondersteunen vanuit de Topsector Energie.” Manon blijft beschikbaar voor de Topsector Energie en de overheid om de energietransitie internationaal te ondersteunen.

Peter Molengraaf: ‘Manon heeft de Topsector Energie met verve geleid, en ons samenwerkingsmodel binnen de Topsector nationaal en internationaal uitgedragen. Ook is de omslag gemaakt naar meer missie georiënteerde onderzoeks- en innovatieprogramma’s. Ik vind het een eer het stokje van haar over te nemen en samen met de missieteams en de TKI’s richting te geven aan de ontwikkelingen van nieuwe Nederlandse technologie en innovaties die bijdragen aan de invulling van onze klimaatambities en het verdienvermogen van Nederland voor de toekomst.’

Peter Molengraaf (1965) is een bekend gezicht in de energiesector. Hij studeerde Computer Science aan de TU Delft en haalde daarna een MBA aan de Erasmus Universiteit. Hij begon zijn carrière bij Shell in diverse business- en projectmanagement functies. In 2005 maakte hij de overstap naar de utiliteitssector en was hij directeur in diverse functies bij Nuon en CEO bij Alliander. Sinds enkele jaren is hij actief als toezichthouder onder meer bij Invest-NL, Kadaster en het Holland Solar. Deze functies blijft hij bekleden naast zijn nieuwe rol als boegbeeld van de Topsector Energie.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Partner

Ziekenhuizen realiseren volgens hun eigen plannen een CO2-emissiereductie die in 2030 fors hoger ligt dan de doelstelling in het Klimaatakkoord. Dit blijkt uit de portefeuilleroutekaarten (verduurzamingsplannen) van ziekenhuizen die TNO binnen het Expertisecentrum Verduurzaming Zorg heeft geanalyseerd. De komende jaren zal periodiek over de voortgang van de verduurzaming in de zorgsector gerapporteerd worden en aangegeven worden of er aanvullende maatregelen nodig zijn.

Portefeuilleroutekaart

Driekwart van de ziekenhuizen heeft beantwoord aan de oproep van de zorgbranches om een zogenaamde portefeuilleroutekaart in te dienen. Deze portefeuilleroutekaart maakt inzichtelijk hoe de zorginstelling met verduurzamingsmaatregelen de doelstellingen op het gebied van CO2-emissiereductie wil realiseren.

Bij realisatie van de ingediende plannen zal de CO2-uitstoot van deze ziekenhuizen in 2030 naar verwachting 59% lager zijn dan in het referentiejaar (dat varieert van 1998 tot 2020); dit is veel meer dan de doelstelling van 49% in het Klimaatakkoord.

‘Uit de plannen blijkt dat het niet om een enkele koploper met ambitieuze plannen gaat, maar om een groot deel van de ziekenhuizen dat al veel verduurzamingsmaatregelen heeft doorgevoerd en daar de komende jaren nog verder in wil gaan’, concludeert Stefan van Heumen. Van Heumen, onderzoeker van TNO, is medeauteur van de sectorale routekaart die op hoofdlijnen aangeeft wat de CO2-emissiereductie in de Zorgsector inhoudt en langs welke lijnen deze bereikt kan worden.

Minder aardgas, meer stroom

Om het aardgasverbruik te verlagen zetten de meeste ziekenhuizen in op het afschalen en uitschakelen van gasgestookte warmtekrachtkoppeling-installaties (wkk), en het aanbrengen van veelal warmtepompinstallaties die gebruik maken van warmte-koude-opslag (wko).

Alternatieven als aquathermie, geothermie, waterstof of aansluiting op een warmtenet worden minder vaak genoemd. Door de overstap naar wko hebben ziekenhuizen voor verwarming geen aardgas meer nodig, maar het zorgt wel voor een hoger stroomverbruik. Daarbij zien we de toch al grote elektriciteitsbehoefte van ziekenhuizen de komende jaren nog met ongeveer 10% toenemen.

Toch zal de CO2-uitstoot naar verwachting dalen, zeker wanneer meer duurzame energiebronnen worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit. Er wordt door ziekenhuizen al gebruik gemaakt van zonnepanelen, maar deze leveren slechts een paar procent van de totale stroombehoefte van de ziekenhuizen op, volgens Van Heumen. De verwachting is dat de verduurzaming van de elektriciteitsopwekking zich de komende jaren met technologische ontwikkelingen en alternatieve energiebronnen positief zal ontwikkelen.

Verduurzaming nog niet op alle terreinen mogelijk

Het is voor ziekenhuizen nog niet goed mogelijk om op alle terreinen te verduurzamen. Zo zijn er nog vrijwel geen CO2-arme alternatieven voorhanden voor de luchtbevochtiging. Dit wordt vanuit hygiënisch oogpunt in ziekenhuizen nu nog gedaan met stoom die via aardgas wordt geproduceerd. Ziekenhuizen zijn terughoudend met het toepassen van nieuwe technieken die zich nog niet of in onvoldoende mate hebben bewezen. Dit om kwetsbare patiënten te beschermen.

Doelstelling 2050 is nog niet in zicht

De ziekenhuizen lijken voor 2030 dus goed op koers te liggen, maar de gevraagde 95% emissiereductie in 2050 is nog wel een uitdaging. Hiervoor zullen forse investeringen in het vastgoed moeten worden gedaan die zich niet zomaar terugverdienen door extra energiebesparing. Het juiste moment voor deze investeringen zal onder meer afhangen van wanneer vervangende nieuwbouw of renovatie nodig is.

Daarbij is het nog de vraag hoe deze investeringen zoals bijvoorbeeld extra isolatie bekostigd kunnen worden. Technologische ontwikkelingen die in de komende jaren verduurzamingsmaatregelen betaalbaarder en efficiënter maken, zullen bijdragen aan de haalbaarheid van de doelstelling.

Voortgang monitoren

Om de voortgang en de uitvoering van de verduurzamingsplannen goed te kunnen monitoren is afgesproken dat de portefeuilleroutekaarten periodiek, om de 2 tot 4 jaar, zullen worden geanalyseerd. Op verzoek van het ministerie van VWS en de zorgbranches zullen, vanuit het programma Expertisecentrum Verduurzaming Zorg (EVZ) waar TNO een belangrijke bijdrage aan levert, deze routekaarten de komende jaren worden verzameld, gebundeld en geanalyseerd om tot een beeld van de voortgang op sectoraal niveau te komen.

Het gaat bij verduurzaming overigens niet alleen om de reductie van CO2-emissie, er is ook een wettelijke plicht tot vermindering van het totale energieverbruik. Door de overheid wordt gewerkt aan een eindnorm voor het energieverbruik voor alle gebouwen in 2050. Wat de waarde van deze eindnorm wordt is nog niet duidelijk en deze zal afhankelijk zijn van de vastgoedfunctie. In de analyse door het EVZ wordt, vooruitlopend op de normering naast de CO2-emissie, ook het energieverbruik in kaart gebracht.

Het EVZ is het kenniscentrum voor het terugdringen van de CO2-uitstoot bij zorgvastgoed. Het ondersteunt de zorgsector bij het realiseren van de klimaatdoelen. Het kenniscentrum wordt uitgevoerd door Stichting Stimular en TNO.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

CDP today launches a new climate disclosure framework, in collaboration with the SME Climate Hub, and created in partnership with the Exponential Roadmap Initiative and Normative, to empower small and medium-sized enterprises (SMEs) to make strategic and impactful climate commitments, track and report progress against those commitments, and demonstrate climate leadership.

The transition to net-zero is underway. SMEs need to take climate action to build business resilience, gain competitive advantage, keep up with supply chain demands and policy regulation, and meet consumer expectations. While many businesses are demonstrating transformational ambition on climate action, much of the progress made has been driven by large, high emitting, global corporations. Support and guidance for sustainability reporting has often not catered to the needs of SMEs who are increasingly being requested to make climate commitments and report against progress by their stakeholders and lenders. Further, SMEs are a significant innovation force for climate solutions, which enables their customers to avoid or reduce emissions. Disclosure makes it possible to attract investments and expand business.

With supply chain emissions being 11.4 times higher than operational emissions, many large companies want their suppliers – often SMEs – to measure, report and cut down their own emissions – cascading climate action down the supply chain. This has wide economic and societal impacts as SMEs play a major role in most economies worldwide; globally, they represent about 90% of businesses and more than 50% of employment worldwide1. SMEs are major engines of value creation, accounting for between 50% and 70% of value added in OECD economies and contributing to, on average, 33% of GDP in emerging economies.

It is therefore crucial that SMEs are equipped with the tools and resources needed to set commitments aligned with a 1.5°C future and disclose environmental performance. The new, open SME Climate Disclosure Framework is built upon CDP’s expansive experience working with corporations, including over 1,800 disclosing SMEs ranging 50+ countries, and is intended to be simple, flexible, easy to understand and accessible to all. The framework improves SMEs’ ability to report their climate impacts and strategies to multiple stakeholders and will provide a foundation for implementing simplified reporting tools on the SME Climate Hub.

Sonya Bhonsle, CDP’s Global Head of Value Chains and Regional Director of Corporations, commented: “SMEs play a major role in economies around the world; without them, we cannot limit global temperature rise to 1.5°C. We are delighted to have launched a framework in partnership with the SME Climate Hub that caters specifically to the sustainability reporting needs of SMEs. We hope the framework empowers SMEs to take climate action, and in turn, increases their resilience to climate change and allows them to play an active role in the transition to a low carbon economy.”

María Mendiluce, CEO of We Mean Business Coalition, a co-founding partner of the SME Climate Hub, said: “Over 3,000 companies have joined the SME Climate Hub, committing to cut carbon emissions in half by 2030 and reach net zero emissions by 2050 or sooner. With scalable, accessible tools like the CDP reporting framework, these businesses can move from commitment to action, and effectively track progress to meeting our collective ambition.”

Johan Falk, CEO of Exponential Roadmap Initiative, and a co-founding partner of the SME Climate Hub, said: “SMEs need to be able to report progress on climate action to gain a competitive business advantage. The climate disclosure framework provides a strong, common foundation for the development of key reporting tools on the SME Climate Hub, guided by simplicity.”

Kristian Rönn, CEO and Co-founder of Normative, said: “To limit global temperature rise to 1.5°C and prevent the most catastrophic effects of climate change, every business needs to achieve net-zero emissions. But we recognize that small companies have limited finances and resources. That’s why we are developing free tools to engage SMEs in the race to net zero, helping them calculate, understand, and reduce their emissions. Because we know that in the end, what gets measured gets managed.”

The framework provides key climate-related reporting indicators and metrics that SMEs should be reporting on and encourages setting targets grounded in science. Its modular design provides flexibility for SMEs and data requesters to tailor the use of the framework to their disclosure needs. CDP sought feedback from SMEs and SME stakeholders on a draft version earlier this year, which was then used to shape the final framework. Some of the changes made as a result of that consultation included further streamlining to represent the minimum reporting, specific guidance for micro and small SMEs, and definitions for the more complex terminology.

Download the framework (pdf)

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Een brede coalitie van bedrijven en branche- en milieuorganisaties pleit voor het opnemen van scherpe doelen in het regeerakkoord voor mobiliteit zonder uitstoot. Door het stellen van een ‘vlootnorm’ zouden alle nieuwe zakelijke personenauto’s vanaf 2025 nulemissie aan de uitlaat (dus elektrisch of op waterstof) moeten zijn. Dat levert 1 Mton CO2-besparing op in 2030. Om de uitstoot van CO2, stikstof en fijnstof terug te dringen is een ambitieuze vlootnormering voor werkgevers essentieel. Uiterlijk in 2030 zouden alle nieuwe personenauto’s nulemissie moeten zijn in lijn met het Klimaatakkoord. Deze ‘road to zero’-coalitie bestaat uit grotere werkgevers, elektrische rijders, milieuorganisaties, gemeenten en bedrijven uit de leasebranche, laadinfrastructuur en nulemissie-voertuigfabrikanten.

Deze coalitie pleit voor het opnemen van de volgende doelen in een regeerakkoord:

  • Vanaf 2025 zijn alle nieuwe personenauto’s van de zaak nulemissie
  • Alle nieuwverkochte personenauto’s zijn uiterlijk in 2030 nulemissie (conform Klimaatakkoord)

Uit de Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat de mobiliteitssector nog vier megaton CO2-uitstoot moet verminderen om de doelen van het Klimaatakkoord in 2030 te halen. Bovendien wordt het klimaatdoel hoger door het Europese Fit-for-55-pakket. Naast klimaatimpact heeft een snelgroeiende nulemissie-vloot ook voordelen voor de luchtkwaliteit, minder stikstofuitstoot en meer groene banen in Nederland.

Om de klimaatdoelen te kunnen halen is forse groei van het aantal voertuigen zonder uitstoot in de vloot noodzakelijk. Mobiliteit is verantwoordelijk voor twintig procent van de totale CO2-uitstoot in Nederland. Bijna de helft van de uitstoot in wegmobiliteit is afkomstig van werkgebonden personenmobiliteit. Ruim 55 procent van de jaarlijks verkochte nieuwe personenauto’s gaat naar de zakelijke markt.

Zero emissie loont niet alleen voor klimaat en leefomgeving, maar ook voor werkgevers. In termen van Total Cost of Ownerschip (TCO) dalen de kosten van emissieloos vervoer snel. Dit komt onder meer door snel dalende batterijprijzen, en het feit dat de energie- en onderhoudskosten veel lager zijn dan bij auto’s met verbrandingsmotor.

Nederland zou internationaal geen uitzondering vormen met vlootnormering voor werkgevers. Zo is in België recent een wet aangenomen die de facto auto’s van de zaak met uitstoot vanaf 2026 verbiedt.

Coalitie van bedrijven en organisaties:

ABN-AMRO, Aegon, Allego, Arcadis, ASR, Deloitte, Vereniging Doet, Eneco, ENGIE, Essent, Fastned, Gemeente Amsterdam, Gemeente Rotterdam, Greenchoice, LeasePlan Nederland, Lightyear, Natuur& Milieu, Nederlandse Vereniging Duurzame Energie, Philips, Royal HaskoningDHV, Schiphol, Shell, Signify, Sweco, Tennet, Thales Nederland, Vattenfall, Vebego, Vereniging Elektrische Rijders en VodafoneZiggo.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Partner

Roland Pechtold, heeft besloten om per 1 juli 2022 terug te treden als algemeen directeur van GroenLeven. De huidige COO Peter Paul Weeda volgt Pechtold op. Pechtold zal tot januari CEO zijn en vanaf 2022 tot aan juli volgend het CEO-schap met Weeda delen. De nieuwe strategische koers met een verbreding van energieoplossingen – naast zon, ook wind, waterstof en energieopslag – is voor Pechtold een mooi natuurlijk moment een stap opzij te doen.

Pechtold: “GroenLeven heeft de afgelopen jaren een enorme groeispurt gemaakt. We zijn van een Friese startup in de klei uitgegroeid tot marktleider zonne-energie. Dat komt doordat ik samen heb kunnen werken met een club mensen die met grote passie dag in, dag uit bezig zijn geweest om van dit bedrijf een onmisbare schakel in de hernieuwbare energiemarkt te maken. De tijd is rijp om ons blikveld te verbreden naar brede energieoplossingen en Peter Paul is de juiste man om GroenLeven in deze fase te leiden, door zijn jarenlange ervaring bij ons en in de duurzame energiebranche. Verder mogen we in onze handjes knijpen met de directie waarmee hij het samen gaat doen.”

Weeda: “Ik ben trots dat ik GroenLeven verder vorm mag geven met het uitrollen van de nieuwe strategie. De inspanningen van Roland en het team hebben prachtige resultaten opgeleverd. Nu mag ik dat stokje overnemen en zal daarin samen met het nieuwe directieteam en alle andere collega’s gaan bouwen aan een stevig fundament voor de toekomst. We gaan verder verbreden en de internationale verbinding verder aanhalen. Dit team met al zijn capaciteiten is een enorm sterke basis om deze uitdagingen op te pakken. Het geeft veel energie om dit mooie bedrijf weer een stap verder te brengen en daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan de energietransitie.”

Pechtold zal zich tijdens de tweekoppige CEO-periode vanaf januari vooral richten op het realiseren van energielandschappen en zijn contacten inzetten om GroenLeven een nog meer zichtbare speler in de energiemarkt te laten zijn. Verder zal hij samen met Weeda werken aan het bestendigen van de verbreding van energiediensten. De nieuwe directie bestaat verder uit Hielkje Reindersma, die Weeda opvolgt als Chief Operating Officer (COO). Kerabi Aslan is tot Chief Commercial Officer (CCO) benoemd. Samen met de huidige Chief Financial Officer (CFO) Ewoud Helmholt vormen zij de nieuwe directie van GroenLeven. Na de zomer van 2022 zal Pechtold zich blijven inzetten voor zijn ‘groene missie’ het tegengaan van klimaatverandering en het aanjagen van hernieuwbare energieoplossingen.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Er liggen volop kansen om kennis en innovatie beter in te zetten voor de grote uitdagingen van de samenleving, zoals klimaatverandering, de toekomst van de gezondheidszorg of een eerlijke data-economie. Dat blijkt uit onderzoek van het Rathenau Instituut. Tussen uitvinding en uitdaging bevat suggesties om de maatschappelijke impact te vergroten van kennis bij universiteiten en innovaties van startende ondernemers.

Universiteiten kunnen randvoorwaarden scheppen om ondernemerschap onder studenten en personeel te bevorderen. De overheid kan de structurele financiering aanpassen, zodat universiteiten zichzelf beter kunnen organiseren om hun kennis voor maatschappelijke opgaven te benutten. En nadere richtlijnen zijn nodig voor de verdeling van de baten uit ondernemerschap en intellectueel eigendom, die hun oorsprong vinden in publiek-gefinancierde kennis.

Dit zijn enkele suggesties van het Rathenau Instituut in het rapport Tussen uitvinding en uitdaging. Over de relatie tussen universiteiten, start-ups en de samenleving . Op basis van een literatuurstudie en interviews schetst het Rathenau Instituut een visie op de relatie tussen universiteiten, start-ups en de samenleving die om maatschappelijke innovatie vraagt.

Innovaties voor bijvoorbeeld energie, gezondheid en mobiliteit zijn veelal gebaseerd op kennis binnen en rondom universiteiten. Startende ondernemingen streven er soms bewust naar die kennis in te zetten voor de ontwikkeling van innovaties met maatschappelijke impact. Maar universiteiten zijn onafhankelijke kennisinstellingen. Willen bedrijven overleven, dan zullen zij winst moeten maken. En wat gezien wordt als een maatschappelijke uitdaging, is deels uitkomst van een politiek proces. Het is dus de vraag hoe deze driehoeksverhouding tussen universiteiten, start-ups en de samenleving opbrengsten kan genereren voor elk van deze partijen.

Tussen uitvinding en uitdaging laat zien welke vormen van ondersteuning universiteiten aan start-ups kunnen bieden, waar de knelpunten in die relatie zitten en welke handelingsopties alle partijen hebben om onbenutte kansen te verzilveren.

“Universiteiten, start-ups, het Rijk en de EU kunnen elkaar vinden in de gedeelde missie om kennis en innovatie in te zetten voor maatschappelijke opgaven”, aldus Jasper Deuten, themacoördinator Vitale wetenschap en kennisecosystemen van het Rathenau Instituut. “Ons onderzoek laat volop kansen zien om het opgavegerichte innovatiebeleid van de overheid te verrijken.”

Share Button

[ad_2]

Source link

Berichten paginering