[ad_1]

Stichting Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E-waste Nederland (OPEN) verwacht een exponentiele stijging van het aantal afgedankte zonnepanelen in de komende 20 jaar. Dat zegt de stichting op basis van onderzoek dat zij door TNO heeft laten uitvoeren. Als gevolg van de energietransitie zal het aantal geinstalleerde zonnepanelen snel doorgroeien naar 42,8 Gigawatt (circa 140 miljoen zonnepanelen) in 2030. Om de recycling en verwerking van de zonnepanelen in de toekomst te kunnen financieren, lanceert Stichting OPEN op 1 juli 2023 een waarborgfonds voor zonnepanelen. De Stichting heeft hierover overeenstemming bereikt met producenten en importeurs van zonnepanelen. Stichting OPEN-directeur Jan Vlak: “We nemen nu maatregelen om voorbereid te zijn op toekomstige afvalstromen. Met een stabiel tarief voor de komende jaren kunnen we de hoogwaardige verwerking van afgedankte zonnepanelen straks garanderen.”

Stichting OPEN regelt de inzameling en verwerking van afgedankte zonnepanelen. Het aantal zonnepanelen zal zeker in de komende 20 jaar flink groeien, omdat steeds meer consumenten kiezen voor duurzame vormen van energie. Het huidige tarief is gebaseerd op een omslagsysteem, waarbij nog nauwelijks zonnepanelen afval vrijkomt. Dat omslagsysteem is met een toenemende afvalstroom niet meer toereikend. Daarom is in overleg met de branche vastgesteld dat een tarief nodig is van 40 Euro per ton.

Waardevolle stoffen uit zonnepanelen

Eind december 2021 was er 14 Gigawatt (GW) aan zonnepanelen geïnstalleerd in Nederland. Omgerekend zijn dat ongeveer 46 miljoen panelen. Vanwege de energietransitie zal dit aantal snel doorgroeien naar 42,8 GW (circa 140 miljoen panelen) in 2030. Tegen 2044 zal de groei naar verwachting stabiliseren op 87,5 GW (circa 290 miljoen panelen). Na een levensduur van tussen de 15 en 30 jaar zullen zonnepanelen worden afgedankt.

De afvalstroom van zonnepanelen zal ondertussen toenemen totdat er op enig moment een vervangingsmarkt ontstaat. Tegelijkertijd met deze overgang naar een vervangingsmarkt vindt ook de transitie naar een circulaire economie plaats. Daarom zal Stichting OPEN naast het verwerken van het huidige afval en de opbouw van het fonds óók werken aan het optimaliseren van de terugwinning van waardevolle stoffen als zilver, silicium en glas – naast het aluminium dat nu al eenvoudig kan worden hergebruikt. Op deze manier gaan circulariteit en kostenefficiënte recycling hand in hand. “Onderdeel van het groeien en professionaliseren van onze sector is ook voldoende aandacht besteden aan recycling. Dit voorstel is een belangrijke stap om hier nader invulling aan te geven”, aldus Wijnand van Hooff, Algemeen Directeur van Holland Solar, de branchevereniging van de Nederlandse zonne-energiesector.

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, dat verantwoordelijk is voor de transitie naar een circulaire economie, reageert positief op de aanpak van Stichting OPEN. “De sterke groei van het aantal zonnepanelen als gevolg van de energietransitie maakt voortvarende actie noodzakelijk. Wij vinden het goed dat Stichting OPEN en de branche het initiatief nemen voor deze concrete bijdrage aan het realiseren van een circulaire economie in Nederland”, aldus het ministerie.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Minder verpakkingsafval, minder plasticvervuiling en minder broeikasgassen in de lucht. Het moet gemakkelijker worden om koolstofverwijdering bij te houden en te verifiëren. Hiertoe heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor een kader waardoor hoogwaardige koolstofverwijderingen betrouwbaar kunnen worden gecertificeerd. Daarbij is het de bedoeling dat ‘greenwashing’, een onjuiste weergave van koolstofbesparing om zo duurzamer te lijken, voorkomen wordt. Koolstofverwijderingen zijn essentieel voor de EU omdat, naast het verminderen van uitstoot, de absorptie van honderden miljoenen tonnen koolstof uit de atmosfeer nodig is om de doelen van de Europese Green Deal te halen.

Criteria voor koolstofverwijdering

Het voorstel bevat regels om koolstofverwijderingen onafhankelijk te verifiëren en regels voor het erkennen van certificeringsregelingen. De verordening stelt vier criteria vast voor de controle van koolstofverwijderingen:

  1. Kwantificering; dit houdt in dat de hoeveelheid verwijdering gemeten moet worden en hier duidelijke klimaatvoordelen uit moeten voortvloeien.
  2. Additionaliteit; dit betekent dat de verwijdering verder moet gaan dan bestaande praktijken en wettelijke eisen.
  3. Langetermijnopslag: certificaten zijn gekoppeld aan de duur van de opslag.
  4. Het duurzaamheidscriterium; hieruit volgt dat koolstofverwijdering duurzaamheidsdoelen in stand moet houden of er aan moet bijdragen. Verleende certificaten worden verleend na periodieke toetsingen door een onafhankelijke certificeringsinstelling en worden vastgelegd in openbare registers.

Naast de verificatie van koolstofverwijdering en de vier criteria voor het vaststellen van de kwaliteit van de verwijdering zal de Commissie koolstofverwijdering blijven financieren, onder meer door middel van het Innovatiefonds en de fondsen Horizon Europe, EFRO en LIFE. De uitgegeven certificaten kunnen niet gebruikt worden om te voldoen aan verplichtingen in het kader van het emissiehandelssysteem.

Decentrale relevantie

Koolstofverwijdering kan op meerdere manieren plaatsvinden; onder meer door het herstellen van bos, opslag als bio-energie of opslag in producten met een lange levensduur, zoals houten constructies. Doordat het deze opslag erkent, ondersteunt het voorstel ook het Nieuw Europees Bauhaus initiatief. Het voorstel tot een verordening maakt ook innovatieve vormen van financiering mogelijk, bijvoorbeeld in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en nationale staatssteun. De koolstofverwijdering door opslag in bos en bodem draagt verder bij aan de Europese doelstelling van 310 miljoen ton CO2-verwijdering in de sector voor landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) die recent is gesteld. Lees voor meer informatie dit nieuwsbericht van Kenniscentrum Europa Decentraal.

Voor decentrale overheden zijn de certificatiemechanismen nuttig om koolstofverwijderingen te vergelijken. Zo kunnen zij ervoor zorgen dat zij de kwalitatief beste mechanismen hiervoor subsidiëren. Ook kan het bij aanbestedingsprocedures gebruikt worden om verwijderingsmechanismen kwalitatief te rangschikken. De verkoop van koolstofverwijderingscertificaten kan tevens gebruikt worden als manier om natuurparken te financieren, aangezien door de aanplant van bomen koolstof opgenomen wordt en dit certificaten oplevert die verkocht kunnen worden. Ook kan een gemeente, provincie of waterschap eigen inspanningen op het gebied van koolstofopname op geloofwaardige wijze aantonen.

Verdere ontwikkelingen

De voorgestelde verordening wordt volgens de gewone wetgevingsprocedure besproken door de Raad en het Europees Parlement. Op basis van de vier eerder genoemde kwaliteitscriteria zal de Commissie vanaf begin 2023 per koolstofverwijderingsactiviteit een certificeringsmethode ontwikkelen met behulp van een groep deskundigen. Wanneer de methodes ontwikkeld zijn, kan men beginnen met het certificeren van koolstofverwijderingen.

Wilt u meedenken over het beleid inzake koolstofverwijderingscertificaten? Dat kan via de raadpleging die de Commissie open heeft gesteld, zie deze website (scroll naar onderen op de pagina). U kunt uw feedback geven tot 30 januari 2023.

Bron: Europa Decentraal (tekst: Wout van Hulst)

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Minister Jetten (Klimaat en Energie) informeert de Tweede Kamer over zijn voornemen om de Subsidie Verduurzaming mkb (SVM) te verlengen en in verbeterde vorm te heropenen.

” Met de SVM kunnen mkb-ondernemers die niet onder de Energiebesparingsplicht vallen, subsidie krijgen voor professioneel advies en ondersteuning voor het nemen van verduurzamingsmaatregelen. De SVM was aanvankelijk voor subsidieaanvragen opengesteld van 1 oktober 2021 tot 1 oktober 2022, maar ik heb deze in juli 2022 tijdelijk stopgezet omdat er signalen waren dat er bewust oneigenlijk gebruik van werd gemaakt door enkele energieadviseurs. Ik beoog de regeling in verbeterde vorm opnieuw open te stellen vanaf 1 maart 2023. De subsidiemodule vervalt echter op 1 januari 2023. Om deze opnieuw open te kunnen stellen, moet de vervaltermijn derhalve worden verlengd.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Solarfields heeft samen met Avitec en Repowered de eerste subsidie binnen voor het plaatsen van een elektrolyser naast het zonnepark Vloeivelden Hollandia. De elektrolyser wordt geplaatst om de opgewekte stroom beter te benutten. De provincie Drenthe heeft besloten het project een incidentele subsidie van €100.000 te geven “om de waterstofeconomie in Drenthe verder aan te jagen”. Solarfields (ontwikkelaar) en Avitec (aannnemer), beide voor 50% eigenaar van het zonnepark in Nieuw-Buinen, plaatsen een elektrolyser van 5 MW naast het park van 113 MWp uit 2021. Nu kunnen ze niet altijd alle stroom op het elektriciteitsnet invoeden en wordt er dus een deel ‘weggegooid’. Het is de grootste groene elektrolyser van Nederland.

Dubbel gebruik

Het zonnepark is niet met een eigen aansluitovereenkomst direct aangesloten op het elektriciteitsnet, maar zit op de aansluiting van aardappelverwerker Avebe, aldus Jan Martijn Buruma van Solarfields (Director Storage, Hydrogen & Smart Grids). Door dit dubbele gebruik van de aansluiting kan het zonnepark niet altijd alle opgewekte stroom op het elektriciteitsnet invoeden. De zonnepanelen op zonnepark Vloeivelden staan op hoge poten. Vroeger liet Avebe het spoelwater met aarde van de aardappelen over de “vloeivelden” lopen om te laten indrogen. Nu zijn de velden nog slechts een buffer voor een wateroverschot.

300 ton waterstof

De elektrolyser zal continu draaien zodra het zonnepark stroom produceert. De productie van het zonnepark voor het stroomnet zal dus permanent 5 MW lager zijn dan eerst. De eerste 5 MW die het park produceert gaat direct naar de elektrolyser, aldus Buruma, waarmee de benuttingsgraad zal komen op 3500 vollasturen per jaar en de productie op 300 ton waterstof. Het alternatief is dat het park alleen voor het stroomnet produceert en dus niet alle stroom kwijt kan. De stroom wordt met de elektrolyser dus beter benut, want “van de hoeveelheid stroom waarmee we 300 ton waterstof gaan produceren”, zegt Buruma, “zou 10% anders niet worden gebruikt”.

Groene waterstof

Bijzonder aan het project is dat de hernieuwbare stroom direct de elektrolyser ingaat en de producent dus kan garanderen dat de geproduceerde waterstof volledig groen is. Het is dan ook de grootste groene elektrolyser van Nederland. Er zal geen stroom van het elektriciteitsnet worden gehaald om de productie van waterstof op te voeren. “We kunnen op uurbasis garanderen dat de productie van stroom en waterstof gelijktijdig is”, zegt projectmanager Jeroen Jansen van Repowered, dat het project uitvoert. Dit is een belangrijk punt als het gaat om de in ontwikkeling zijnde garanties van oorsprong voor groene waterstof.

Avitec en Solarfields willen de geproduceerde waterstof vooralsnog inzetten in de mobiliteitssector, waar waterstof de hoogste gebruikswaarde heeft als vervanging van benzine of diesel. “Het idee kwam dan ook van Avitec”, zegt Buruma, “want dat is een aannemer met veel zwaar materieel. Ze willen dat wagenpark vergroenen en daarvoor kijken ze naar waterstof omdat dergelijke machines langer kunnen doorwerken op een tank waterstof dan op een batterij.”

Subsidie van Provincie Drenthe

Met de Drentse subsidie van €100.000 “kunnen Avitec en Solarfields verder met de contractvorming en de ontwerpdetaillering van de elektrolyser, en op zoek naar andere vormen van financiering”, aldus provincie Drenthe in een persbericht deze week. Het is dan ook een welkome aanvulling, zegt Buruma, maar maakt de investering nog niet zeker. Het bedrijf zoekt nog een exploitatiesubsidie en heeft daarvoor een aanvraag ingediend bij de SDE++, maar hoopt vooral op fondsen via het speciale Tijdelijk opschalingsinstrument waterstofproductie via elektrolyse, dat is gericht op elektrolysers van 0,5 MW tot maximaal 50 MW.

Voor die tijd moet ook de vergunning voor de bouw van de elektrolyser bij het zonnepark nog rondkomen. Volgende week zal de Omgevingsdienst Groningen de ontwerpvergunning ter inzage leggen, zodat burgers kunnen reageren. “We hebben de omgeving mee”, zegt Buruma, dus hij verwacht dat er uiteindelijk een definitieve vergunning zal komen.

 

Foto: Het zonnepark Vloeivelden Hollandia in Nieuw-Buinen (Drenthe). De zonnepanelen staan op hoge poten, boven het water van de vloeivelden. (Marcel de Jong/Solarfields)


[ad_2]

Source link

[ad_1]

De politie wil vanuit haar maatschappelijke positie actief bijdragen aan een duurzame samenleving, aan de rijksbrede doelen op het gebied van duurzaamheid en aan de klimaatdoelstellingen zoals die zijn vastgelegd in het Klimaatakkoord. De politie is nu bezig om zich te certificeren voor de CO₂-Prestatieladder. Met deze managementmethodiek kan de politie stapsgewijs en op een gestructureerde manier tot CO₂-reductie komen.

Duurzaamheid staat niet náást de kerntaken van de politie, het draagt er aan bij. Het is een strategisch thema waarin de politie vooruit kijkt en anticipeert op het toenemend maatschappelijk en ecologisch belang van duurzaamheid. Een duurzame samenleving is een veilige samenleving, daarom doet de politie ook op dit vlak een stap naar voren. Daar waar impact gemaakt kan worden zet de politie in op verduurzaming. Bijvoorbeeld als inkooporganisatie, met politievoertuigen en met de vele panden waar de politie eigenaar van is.

De CO₂-Prestatieladder is een gecertificeerde CO₂-managementmethodiek waarmee de politie stapsgewijs en op een gestructureerde manier tot CO₂-reducties kan komen. De politie brengt de CO₂-uitstoot in kaart, bepaalt de doelstellingen en maatregelen om de doelen te realiseren en belegt bijbehorende verantwoordelijkheden.

Wat wil de politie bereiken?

Conform het landelijk duurzaamheidsbeleid luidt de hoofddoelstelling van de politie: ‘Het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen met 49% in 2030 en met 95% in 2050, ten opzichte van het niveau van 1990.’

De politie heeft deze subdoelstellingen geformuleerd:

  • In 2030 is de uitstoot van reisbewegingen van de politie met 49% gedaald ten opzichte van 2016. In 2050 is deze reductie 95%.
  • In 2021 zijn de aanbestedingen voor voertuigen van de politie 38,5% hybride of 0-emissie, in 2026 is 38,5% 0-emissie.
  • In 2030 is de uitstoot van huisvesting van de politie met 49% gedaald ten opzichte van 1990. In 2050 is deze reductie 95%.

Hoe gaat de politie deze doelen halen?

Er zijn maatregelen gedefinieerd om deze doelen te halen. Ten aanzien van het vervoer van de politie gaat het om:

  • elektrificeren van het wagenpark;
  • realiseren van laadinfrastructuur;
  • stimuleren van de fiets en deelauto’s.

Ten aanzien van de huisvesting van de politie:

  • afstoot van vastgoed voor 2030;
  • realiseren van nieuwbouw (energieneutraal of tenminste bijna energieneutraal);
  • renovatie van bestaande gebouwen om actief gericht werken te faciliteren;
  • energiemanagement, door efficienter en effectiever gebruik te maken van gebouwen;
  • inkoop van Nederlandse groene stroom.

Met het maatregelenpakket verwacht de politie 34,7% CO₂-reductie te behalen in 2030 ten opzichte van 2018. Om de voortgang te meten wordt een monitoringssysteem ingericht en zal gekeken worden wat nodig is om de doelen te realiseren. Jaarlijks wordt de politie getoetst aan de hand van de eisen van de CO₂-Prestatieladder in een externe audit.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Een wereldprimeur in Lochem (Gld). Vanaf vandaag worden daar in de wijk Berkeloord voor het eerst twaalf bewoonde woningen verwarmd met waterstof via het bestaande aardgasnet. Bij deze pilot onderzoekt Alliander op verzoek van de bewoners van deze monumentale panden of waterstof een goed alternatief is voor aardgas voor het verwarmen van woningen. Alliander werkt daarbij samen met onder andere LochemEnergie, Remeha en Westfalen Gassen Nederland BV.

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af zijn. Daardoor verandert het energiesysteem en Alliander bereidt zich hierop voor. Waterstof is één van de alternatieven voor aardgas om woningen en gebouwen mee te verwarmen. Zo kan het een goed alternatief zijn voor met name woningen die moeilijk te isoleren zijn en waarvoor elektrische warmtepompen geen oplossing bieden, of in wijken waar geen warmtenet kan worden aangelegd. Een bijkomend voordeel is dat voor het transport van waterstof naar de woningen gebruik kan worden gemaakt van de gasleidingen die al in de grond liggen.

Unieke pilot

Arthur van Schayk, algemeen directeur Remeha: “De energietransitie moet versnellen en dat kunnen we alleen door als ketenpartners nauw samen te werken. Waterstof gaat, naast elektrificatie en warmtenetten, een belangrijke rol spelen in de verduurzaming van de bebouwde omgeving. Na de projecten in Rozenburg en Uithoorn hebben we nu in Lochem de primeur dat bewoonde woningen via het bestaande netwerk door middel van waterstof worden verwarmd. Met dit project willen we als fabrikant aantonen dat de Remeha cv-ketel voor waterstoftechnologie klaar is voor toepassing in de praktijk.”

Naast het feit dat in Lochem voor het leveren van waterstof het bestaande aardgasnet wordt gebruikt, is het ook een unieke kans voor de bewoners om hun veelal monumentale woningen te verduurzamen met behoud van de waarde van hun erfgoed. Zowel bewoners als betrokken partijen hebben dan ook veel geïnvesteerd om deze pilot mogelijk te maken.

Veel voorbereidingen

Aan de overstap naar waterstof ging veel voorbereiding vooraf. Zo is onder meer aan de Stijgoord in Lochem door Westfalen een locatie gebouwd waar het waterstof in het bestaande gasnet wordt gevoed. In deze zogeheten invoed-installatie wordt de druk van het waterstof geregeld en wordt die voorzien van een geurstof omdat waterstof van nature geurloos is. De woningen zelf zijn eerst goed geïsoleerd. Vervolgens zijn de bestaande cv-ketels vervangen door de wereldwijd eerste gecertificeerde 100% waterstofketels van Remeha. In de straat zijn extra gasleidingen aangelegd om de woningen die niet meedoen aan de pilot te kunnen blijven voorzien van aardgas.

Werken aan het waterstofnet

Het onderhoud aan het waterstofnet gebeurt door netbeheerder Liander. Deze pilot is ook voor de netbeheerder een nieuwe stap. De werkzaamheden lijken in eerste instantie veel op het werk dat gasmonteurs dagelijks uitvoeren. Wel vraagt het om een aantal extra handelingen. Daarom heeft een groep monteurs eerder dit jaar een opleiding gevolgd, specifiek gericht op waterstof, in een speciaal voor dit doel gebouwd waterstofhuis in Apeldoorn. Begin september slaagde deze groep voor hun examen.

Drie jaar onderzoek

De pilot in Lochem duurt drie jaar. Zo kan voldoende ervaring worden opgedaan tijdens koude winters. De ervaringen worden vervolgens gedeeld met andere netbeheerders die plannen hebben voor vervolgprojecten met meer bewoners. Op die manier ontstaat steeds meer inzicht in hoe waterstof een aanvulling kan zijn bij de verduurzaming van bestaande woningen.

De pilot in Lochem is een samenwerking van burger-energiecoöperatie LochemEnergie, Remeha, Westfalen Gassen Nederland BV, Kimenai Installatiebeheer BV, Belangenvereniging Beschermd Stadsgezicht Berkeloord (BBSB) en Alliander. Mogelijk gemaakt door de gemeente Lochem en provincie Gelderland.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Afgelopen dinsdag heeft Grid-ON een batterij geplaatst op een aansluiting die al zonnepanelen en een windturbine combineerde. De batterij stroom levert stroom in de dalmomenten en laadt deze zichzelf op bij een overschot aan elektriciteit. Dit stabiliseert het net. Bovendien kent deze combinatie van drie energiebronnen een interessant verdienmodel. Het is een van de eerste projecten van deze omvang en kan door de uitbreiding 10 miljoen kWh leveren. Dit staat gelijk aan het jaarverbruik van ongeveer 3.000 huishoudens.

Cable pooling 2.0

Het project is een verrijking van cable pooling. Dit omvat het combineren van twee energiebronnen op dezelfde aansluiting. Cable pooling optimaliseert het gebruik van het energienet. Wind en zon vullen elkaar aan en wisselen elkaar vaak af. In de zomer zijn er meer zonuren en in de winter waait het vaak harder. De toevoeging van de batterij zorgt daarbij voor balanshandhaving op het bestaande stroomnet. Overtollige duurzame energie wordt bij piekmomenten opgeslagen en terug geleverd aan het stroomnet bij een tekort.

Martijn Schipper, medeoprichter Grid-ON: “Deze aanpak voor het verbeteren van het bestaande net is cruciaal voor de energietransitie. De markt is op zoek naar een oplossing en kijkt enkel naar de netbeheerder. Die moet volgens hen het net uitbreiden. Wij realiseren een andere oplossing. We kunnen het bestaande netwerk verbeteren door meer capaciteit op dezelfde aansluitingen te realiseren.”
Slim managementsysteem ondersteunt maximale benutting project

Het project wordt mogelijk gemaakt door een geavanceerd energie- en powermanagementsysteem. Dit systeem controleert of er voldoende ruimte is op de aansluiting en bepaalt welke bron – wind, zon of batterij – voorrang krijgt. Het systeem verzorgt tevens de communicatie met energiemaatschappij Scholt Energy. Deze neemt de energie af en zet de batterij op afstand in op de verschillende energiemarkten, zoals de onbalansmarkt. De batterij wordt ook ingezet voor balanceerdiensten voor het net. Dit creëert een interessant verdienmodel voor ondernemers.

De meerwaarde en eigenschappen van de batterij

Vanaf 16 december wordt de geplaatste batterij in gebruik genomen door internationale bloembollenexporteur Fluwel. Met de plaatsing van de batterij naast de windturbine en het zonnepark levert Fluwel naast 10 miljoen kWh duurzame energie per jaar ook een bijdrage aan balanshandhaving op het elektriciteitsnet. De batterij van leverancier Vamat heeft een vermogen van 1 MVA en een capaciteit van 2 MWh. De unieke eigenschap van een secundaire spanning van 800V maakt de batterij bij uitstek geschikt om bij zon- of windparken geplaatst te worden.

Rens Smal, medeoprichter Grid-ON: “Niet alleen de batterij, maar ook de zonnepanelen en de windturbine worden ingezet voor balanshandhaving. Zo wordt de productie van wind- en zonne-energie terug geregeld en deels geladen in de batterij bij een overaanbod. Ook hier staan inkomsten tegenover die de businesscase voor ondernemers verder verbeteren.”

Over Grid-ON

Grid-ON is een samenwerking tussen Rens Smal (Enerzien), Martijn Schipper en Jesper Zuurbier (beide Uw Stroom). Grid-ON bundelt kennis op het gebied van systeemintegratie van slimme energiesystemen met technische en financiële kundigheid (zoals subsidies, onder andere de SON-regeling van de provincie Noord-Holland) om organisaties slimmer met energie en hun aansluitingen om te laten gaan. Voor klein ondernemers en het MKB is Grid-ON een welkome verschijning, daar de combinatie van meerdere energiebronnen met batterijen nu veelal gericht is op grotere markten en vermogensbehoeften. Vaak gaat dit over aansluitingen van vijf tot twintig mega-volt-ampère (MVA) of nog groter.  Dat is zonde aangezien ook in het segment tot 2 MVA volop kansen zijn voor de toevoeging van energieopslag.  Bij Grid-ON staan een onderbouwde business case en het belang van de klant voorop.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Vandaag, 1 december, kondigt het platform van klimaatpioniers 100 Months to Change (100MTC) een bijzondere samenwerking aan. Met 15 maanden klimaatwerk op de teller, delen de experts van het platform een belangrijk inzicht waarom organisaties onvoldoende voortgang boeken op klimaatdoelen in organisaties. Oorzaak is het gebrek aan richting en ruimte om aan de transitie opgave te werken. Ook ontbreekt de bijdragen van jongeren in deze onderwerpen. Het platform 100MTC zet daarom naast de huidige activiteiten per direct ook in op het vergroten van de capaciteit in transitieteams in samenwerking met Hieroo, een netwerk van Jonge Consultants.  

Op 1 december vindt een 100MTC Changemaker bijeenkomst plaats voor Partners en Experts van 100 Months to Change (100MTC) in samenwerking met Hieroo, Transform4C en Hogeschool Windesheim. Het 100MTC platform werkte in de afgelopen 15 maanden met 40 organisaties aan het versneld realiseren van de klimaatdoelen. Samen met grote bedrijven zoals ABN AMRO, EY, Renewi en Dura Vermeer, maar ook diverse ministeries en onderwijsinstellingen zoals Fontys werden zeker 10.000 professionals en toekomstig professionals betrokken en uitgedaagd om zich meer in te zetten voor klimaattransitie in hun dagelijkse werkzaamheden. Deze samenwerkingen leverden vele acties op en gaven duidelijke inzichten om te kunnen versnellen. Er zijn op 1 december nog  85 maanden te gaan voor organisaties om de klimaatdoelen van 2030 te realiseren.

Gebrek aan perspectief en capaciteit grootste uitdaging in klimaattransitie

Uit onderzoek onder 10.000 professionals in de afgelopen 15 maanden blijkt dat er twee concrete inzichten zijn als het gaat om klimaattransitie. Ten eerste lijken professionals die aan transitie werken meer ruimte nodig te hebben van leiders om anders te gaan werken om bij te kunnen dragen aan duurzame (klimaat) doelen als organisatie. Ten tweede blijkt dat leiders op hun beurt de medewerkers en partijen in de waardeketen nodig hebben voor het ontwikkelen en uitdragen van visie op de organisatie. Dat gaat verder dan droge doelen in een rapportage. Professionals die gemotiveerd zijn voor de transitie opgaves – formele of informele leiders – kunnen vertraging doorbreken door deze beelden bij elkaar te brengen en om te zetten in concrete actie met focus. Hoe je als organisatie de inzichten en tools van deze pioniers kunt gebruiken, delen partners in het platform door middel van Experiences en het boek Klimaatwerkers.

“Transitie gaat niet over techniek of beleid, maar is mensenwerk. Het gaat er vooral om dat er capaciteit is om een slim transformatieproces in te richten,” aldus Charlotte Extercatte, auteur van het boek Klimaatwerkers en oprichter van 100MTC.

Grote animo onder professionals om te verduurzamen

Het platform 100MTC en de Jonge Consultants van Hieroo slaan de handen ineen om samen een belangrijk knelpunt in organisaties, die met het platform aan transitie werken, op te lossen: capaciteit en kennis over transformatie. Een opvallende samenwerking tussen twee pionierende consultants. Procesmanager Loraine Westerneng van 100MTC zegt hierover: „Het gekke is: er zijn ongelooflijk veel professionals en toekomstig professionals die willen bijdragen aan transitie onderwerpen. Toch kampen vele transitieteams met tekort aan tijd en middelen. Ook is het opvallend dat er ook weinig jongeren aan tafel zitten. Terwijl zij, vol energie, goede ideeen, en skills, de perfecte partner zijn om in organisaties tot vernieuwing te komen op deze onderwerpen. Zij zijn de klimaatwerkers van morgen!

Jong consultant Lot Steemers van Hieroo zegt hierover: “Onderwerpen als rapportages, beleid maken en droge doelen stellen gaan vaak voor. We weten alleen van succesvolle pioniers dat het sneller kan door een slim transformatieproces te organiseren. Hoe dat werkt, leerde ik van 100MTC als jonge consultant bij Hieroo Zwolle van 100MTC partner Transform4C. Deze vaardigheden zet ik nu bijvoorbeeld in als procesmanager bij de overheidsorganisatie RVO DuurzaamDoor.“

Charlotte sluit af: ‚Het is prachtig dat we deze samenwerking juist nu kunnen aankondigen. Het is nu alle hens aan dek om te zorgen dat organisaties hun klimaatdoelen halen en we als samenleving niet boven de 1,5-2 graden opwarming uitkomen. Partners uit het 100 Months to Change netwerk kunnen deze jonge talenten vanaf nu in zetten en zo met de juiste skills en genoeg capaciteit en ondersteuning door met de versnelling van het klimaatwerk. Voor je het weet zijn er nog 80 maanden te gaan‘.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Verduurzaming van de industrie is een hoeksteen van het Nederlandse klimaatbeleid. Hiervoor is uitbreiding van infrastructuur voor elektriciteit, waterstof, CO2 en warmte nodig. Daarom zijn de Cluster Energiestrategieën (CES’en) opgesteld. Voor verzwaring van het elektriciteitsnet hebben netbeheerders exactere en concretere cijfers van de industrie nodig dan ze nu krijgen. Het PBL heeft in samenwerking met TNO en RVO de CES’en geanalyseerd en adviseert in het rapport ‘Reflectie op Cluster Energiestrategieën 2022 (CES 2.0)’ om meer vaart te maken met de ontwikkeling van een beveiligd platform (een datasafehouse). Hierop kunnen individuele bedrijven gevoelige gegevens delen met netbeheerders. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk om meer onzekerheid te accepteren over de volledige benutting van toekomstige energie-infrastructuur en om politiek-maatschappelijke afwegingen daarbij een grotere rol te geven.

Volledige uitvoering van de plannen van zes industriële clusters (Cluster Energiestrategieën; CES) zou de CO2-uitstoot in 2030 met 38 Mton verlagen vergeleken met nu. De industriële stroomvraag in 2030 zou kunnen verdrievoudigen, door de productie van groene waterstof, grootschalige elektrificatie van bestaande industrie en de komst van nieuwe bedrijven.

Netbeheerders hebben concretere gegevens industrie nodig

De gegevens in de CES’en blijken voor elektriciteitsnetbeheerders niet goed bruikbaar voor het opstellen van investeringsplannen. Netbeheerders hebben gedetailleerdere gegevens nodig over exacte locatie, capaciteit, waarschijnlijkheid en beoogde realisatiedatum van plannen. Dit zijn concurrentiegevoelige gegevens. Om bedrijven toch in staat te stellen deze data te delen kan een beveiligd platform, zoals een datasafehouse, uitkomst bieden. Een dergelijk systeem, waarin vertrouwelijkheid van de gegevens gegarandeerd is, zou netbeheerders de benodigde duidelijkheid verschaffen om passende investeringsbeslissingen te nemen. Meer vaart is nodig om een goed werkend datasafehouse van de grond te krijgen, waarmee één van de bottlenecks voor aanleg van energie-infrastructuur kan worden weggenomen.

Meer onzekerheid onvermijdelijk bij uitbreiding energie-infrastructuur

Op de langere termijn zien PBL, TNO en RVO dat er een spanningsveld is tussen de mate van onderbouwing die netbeheerders wensen voor het prioriteren van hun investeringen en de slechts globale onderbouwing en ruime bandbreedte van de toekomstige energievraag die de industrie en andere bedrijven kunnen bieden. Het zal daarom onvermijdelijk zijn om meer onzekerheid te accepteren en politiek-maatschappelijke afwegingen een grotere rol te geven bij het opstellen van investeringsplannen van netbeheerders.

Fors hogere elektriciteitsvraag industrie

Uitvoering van alle plannen en denkbare emissiereducties in de CES’en zou leiden tot een verdrievoudiging van de industriële elektriciteitsvraag van 40 terawattuur nu naar 134 terawattuur in 2030. Dit zou vragen om een navenante toename van de opwekking van CO2-vrij opgewekte elektriciteit. Circa 45 procent van de toename van de elektriciteitsvraag hangt samen met de productie van waterstof via elektrolyse. Het gezamenlijke elektrolysevermogen in 2030 in de CES’en bedraagt 11 gigawatt, met een elektriciteitsvraag van 44 terawattuur. Circa 30 procent extra elektriciteitsvraag komt van nieuwe bedrijven en datacenters. Circa een kwart van de toename hangt samen met elektrificatie en andere verduurzaming van de huidige industrie, zoals door het toepassen van elektrische boilers, elektrische fornuizen en staalproductie met groene waterstof.

Flinke emissiereductie mogelijk

Het totale broeikasgasreductiepotentieel van de plannen in de Cluster Energiestrategieën 2.0 is 38 Mton in 2030 vergeleken met nu (vergelijkbaar met 23 procent van huidige Nederlandse broeikasgasuitstoot). Bij de industrie neemt de uitstoot af met 26 Mton, de andere 12 Mton uitstootreductie slaat neer in andere sectoren, deels ook buiten Nederland. Een belangrijke bijdrage aan de uitstootreductie (17 Mton) komt op het conto van CO2 afvang en -opslag (CCS). Zoals blijkt uit de KEV, verwacht het PBL op basis van bestaand beleid niet dat alle bovenstaande plannen worden gerealiseerd.

Aanpak om kip-ei-probleem te overwinnen

De aanleg van de benodigde energie-infrastructuur wordt belemmerd door een klassiek kip-ei-dilemma, waarbij investeringsbeslissingen van verschillende partijen van elkaar afhankelijk zijn. De netbeheerder wil zekerheid over de toekomstige stroomvraag voorafgaand aan een investering in netverzwaring, maar industriële bedrijven durven geen investeringsbeslissing te nemen in een elektrificatieproject als niet zeker is dat de netcapaciteit er op tijd is. Om dit soort knelpunten op te lossen heeft de rijksoverheid het Nationaal Programma Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI) opgericht, waarin alle betrokken partijen samen werken om sneller cruciale infrastructuur te realiseren. Daarvoor hebben industriële bedrijven, netbeheerders, energieproducenten en regionale overheden dit jaar een update uitgebracht (CES 2.0) van hun gezamenlijk Cluster Energiestrategieën van vorig jaar.

Er zijn CES’en opgesteld voor de vijf grote industriële clusters (Noord-Nederland, Noordzeekanaalgebied, Rotterdam-Moerdijk, Zeeland-West Brabant en Chemelot in Limburg) en voor de overige industrie (samen cluster 6). Voorstellen voor infrastructuurprojecten uit de CES’en met nationale betekenis kunnen versneld uitgevoerd worden door opname in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), dat het kabinet in november 2021 presenteerde.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Iedereen beseft inmiddels dat een volledig gasloze klimaatinstallatie op elke plek in onze gebouwde omgeving onmogelijk is. Het is wel mogelijk om uiteindelijk zonder fossiel gas onze installaties te voeden. Om die reden zet Remeha in op de hybridisering van klimaat- en warmtapwaterinstallaties, omdat het dan mogelijk is het gasgebruik te minimaliseren. Via een samenwerking met scale-up Circ biedt Remeha haar klanten vervolgens een nieuwe optie om installaties met biogas in plaats van aardgas te voeden.

Remeha en Circ produceren en leveren producten die elkaar naadloos aanvullen, waar het gaat om het reduceren of zelfs vervangen van het aardgasgebruik. Circ is een innovatieve ontwikkelaar en producent van mini-vergisters – BioTransformers, zoals zij de apparaten noemen – die GFE-reststromen omzetten in biogas en biowater. Het biogas kan, zo nodig met een kleine nabewerking, aardgas vervangen en zo de verwarmings- of warmtapwaterinstallatie van een CO2-neutrale energiebron voorzien.

“Onze klanten voeden de BioTransformers hoofdzakelijk met groente- fruit- en etensresten”, vertelt Robert Kooloos, chief commercial officer bij Circ. “Daarmee produceren zij twee producten; biogas en biowater. Als het biogas vervolgens wordt gebruikt in de cv-toestellen, komt daarbij uitsluitend kortcyclische CO2 vrij. Deze CO2 uit voedselresten was anders bij verbranden of storten ook vrijgekomen. Het tweede product, biowater, is zeer rijk aan nutriënten en kan in veel gevallen als plantenvoeding worden gebruikt in bijvoorbeeld de land- en tuinbouw.” De BioTransformers van Circ zijn al te vinden in de hotelwereld en horeca, de zorgsector, de voedingsindustrie en andere sectoren met veel GFE-stromen.

“Remeha ziet in Circ een mooie partner waarmee onze adviseurs een extra oplossing voor handen hebben zodra zij klanten aan een efficiënte en CO2-neutrale verwarmings- of tapwaterinstallatie willen helpen” zegt Rick Bruins, business development manager bij Remeha. “In Nederland gebruiken we ongeveer 15 miljard kubieke meter aardgas in de gebouwde omgeving. Circa de helft daarvan gebruiken we in de utiliteit. Wij denken dat het realistisch is om via hybridisering het gasverbruik in de utiliteit uiteindelijk naar 2 miljard kubieke meter te reduceren. Die 2 miljard kuub zullen we door CO2-neutrale gassen moeten vervangen. Dat kan met waterstof, maar dat gas zal niet het volledige aandeel voor zijn rekening kunnen nemen. Daarom denken wij dat ook biogas en groen gas een belangrijke rol kunnen en zullen spelen.”

De BioTransformers die Circ ontwikkelt en produceert hebben verschillende capaciteiten. De kleinste verwerken 30 kilo per dag en de grootste 600 kilo GFE per dag. Het bedrijf produceert zowel de hardware als de software en zorgt dat de apparaten via een installateur bij de klant worden geïnstalleerd. “Onze klanten kopen de machine omdat zij hiermee meerdere doelen behalen. Ze vergroenen hun energievoorziening. Ze minimaliseren hun kosten voor het afvoeren van GFE-stromen. En sommige klanten kunnen het andere restproduct, biowater, goed gebruiken als voeding voor planten of leveren dit aan nabijgelegen locaties. In elk geval zorgen onze BioTransformers voor een duurzame businesscase die meestal in 2 tot 5 jaar is terugverdiend. Onze prognose is dat de toestellen die we in de jaren tot 2030 zullen verkopen in totaal zo’n 50 miljoen m3 aardgas kunnen vervangen”, zegt Kooloos.

Remeha en Circ willen via hun samenwerking een versnelling teweegbrengen; enerzijds in de hybridisering van cv- en warmtapwaterinstallaties, en anderzijds bij de inzet van biogas als vervanger van aardgas. “In veel horecabedrijven of voedingsindustrieën komen we als adviseur over de vloer omdat deze bedrijven willen verduurzamen”, zegt Bruins. “Maar lang niet overal is een all-electric oplossing mogelijk. Soms kun je bijvoorbeeld wel voor verwarming een warmtepomp gebruiken maar niet voor tapwater”. “En zelfs als een all-electric oplossing past, gaat Kooloos verder, “kan het alsnog interessant zijn om de BioTransformer te gebruiken. Puur omdat die bedrijven hun organische reststromen in dat geval effectief en rendabel voor verwarming en warmtapwater kunnen inzetten, en dus niet hoeven af te voeren.”

Kortgeleden leverde Circ al een BioTransformers die feilloos samenwerkt met een cv-systeem van Remeha. Zorgcentrum de Koperhorst in Amersfoort kocht een BioTransformer50 – voor 50 kilo GFE-reststroom per dag – en gebruikt het geproduceerde biogas als energiebron voor de Remeha Quinta Ace cv-toestellen die het gebouw verwarmen. En in december wordt bij het Van der Valk Hotel in Gorinchem een BioTransformer200 –  voor 200 kilo per dag – geïnstalleerd. Het biogas van dat apparaat wordt gebruikt voor een Remeha cv-ketel, die straks met voorrang zal worden gestookt. Pas als er niet genoeg biogas is, zullen de in hybride geschakelde warmtepompen in werking treden. Volgend jaar zullen er nog enkele combinaties van een BioTransformer met Remeha cv-ketels worden geïnstalleerd, zoals bij Van der Valk Hotel Nuland en De Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwersluis.

[ad_2]

Source link

Berichten paginering