[ad_1]

Vliegmaatschappij Ryanair communiceert duidelijker over de CO2-compensatie die ze aanbiedt bij het boeken van een vliegticket. Ryanair heeft drie aanpassingen gedaan nadat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) had aangegeven dat er mogelijk misleidende duurzaamheidsclaims over CO2-compensatie op de website van Ryanair staan. Ryanair heeft de aanpassingen in heel Europa doorgevoerd. De ACM heeft de andere Europese consumententoezichthouders hierover geïnformeerd.

Edwin van Houten, directeur Consumenten van de ACM: “Bedrijven moeten eerlijk en duidelijk zijn over de duurzaamheidsclaims die ze doen. Vliegen blijft – ook met CO2-compensatie – een sterk vervuilende manier van vervoer. Het aanbieden van CO2-compensatie mag, maar het moet niet de indruk wekken dat vliegen hierdoor duurzaam is. We vinden het belangrijk dat Ryanair de website heeft aangepast en duidelijk maakt wat CO2-compensatie inhoudt.”

Wat is er aan de hand?

Claims over CO2-compensatie moeten juist, duidelijk en volledig zijn. Voor consumenten moet duidelijk zijn hoe CO2 wordt gecompenseerd, hoeveel er wordt gecompenseerd, hoe dit berekend is en of het onafhankelijk gecertificeerd is. De ACM ziet hierop toe. De ACM heeft onderzoek gedaan naar ‘CO2-compensatie claims’ in de luchtvaartsector. Daaruit bleek onder andere dat Ryanair bijvoorbeeld vermeldde ‘vlieg groener naar […]’. Dat zou de indruk kunnen wekken dat vliegen ook ‘groener’ kon met Ryanair. De ACM heeft Ryanair aangesproken op deze mogelijk misleidende duurzaamheidsclaims. Ryanair heeft daarna meegewerkt en de claims op haar website aangepast om mogelijke misleiding te voorkomen.

Wat is er veranderd aan de website?

Ryanair heeft drie aanpassingen gedaan bij de CO2-compensatie-optie bij het online verkopen van vliegtickets:

  • Duidelijke vermelding dat door CO2-compensatie vliegen niet duurzamer wordt. Teksten zoals ‘vlieg groener naar […]’ zijn aangepast naar feitelijke teksten zoals ‘compenseer je geschatte CO2 uitstoot’. Ook zijn icoontjes zoals groene blaadjes verwijderd.
  • Weergave van de berekening en de hoeveelheid CO2 die wordt gecompenseerd.
  • Meer duidelijkheid over de projecten waar de CO2-compensatie aan wordt besteed en aandacht voor de onafhankelijke certificering van de desbetreffende projecten.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De Efteling gaat nieuwe zonneweide aanleggen met bijna 12.000 zonnepanelen bij Efteling. Door de komst van deze extra zonnepanelen kan de Efteling met alle zonnepanelen in totaal zo’n 35% van het jaarlijkse (huidige) elektriciteitsverbruik zelf opwekken.

De zonneweide wordt aan de westzijde van de Efteling, namelijk tussen de Eftelingsestraat en de Dreefseweg, aangelegd. Daarvoor worden binnenkort eerst grondwallen en houtwallen aangelegd, die worden aangekleed met bomen en beplanting. Hiervoor gebruikt De Efteling onder andere de grond die vrijkomt bij de totstandkoming van verschillende projecten, waaronder bijvoorbeeld het Efteling Grand Hotel en het nieuwe themagebied het Huyverwoud.

Vanaf mei start de aanleg van de zonneweide met een oppervlakte van circa zes voetbalvelden (ongeveer 29.200 m²). De zonnepanelen worden vanaf september in gebruik genomen. Door de aanleg van de zonneweide kan de Efteling jaarlijks in totaal bijna 35% van het elektriciteitsverbruik zelf opwekken.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Het FUREC-project van RWE, dat circulaire en groene waterstof wil produceren uit niet-recyclebaar vast huishoudelijk afval in Limburg, heeft een financiering van 108 miljoen euro ontvangen van het Innovatiefonds van de EU. Roger Miesen, CEO van RWE Generation, nam de financieringsovereenkomst vandaag in ontvangst op de Financing Innovative Clean Tech Conference in Brussel, België.

De financiering door het Innovatiefonds van de EU is een cruciale mijlpaal voor de voortgang van het FUREC-project, aangezien er een totale investering van meer dan 600 miljoen euro nodig is om het hele project uit te voeren. Dankzij deze toegezegde financiering kan RWE in volle vaart door met de verdere ontwikkeling van het project, zoals het verkrijgen van de nodige toestemmingen en vergunningen. Tegelijkertijd gaat het bedrijf contracten afsluiten met leveranciers voor de installaties, potentiële afnemers van waterstof en CO₂ en bedrijven die afval in geschikte hoeveelheden en kwaliteit leveren. Een definitief investeringsbesluit moet in 2024 worden genomen.

Fuse Reuse Recycle (FUREC)

Als onderdeel van het FUREC-project is RWE van plan een voorbehandelingsinstallatie te bouwen in Zevenellen (Limburg) om niet-recyclebaar vast huishoudelijk afval om te zetten in vaste teruggewonnen brandstofpellets. De installatie zal ongeveer 700.000 ton huishoudelijk afval per jaar verwerken, waarvan ongeveer 50% van biogene oorsprong zal zijn (bijvoorbeeld textiel, papier). Dit komt overeen met de hoeveelheid VSA die jaarlijks door ongeveer twee miljoen mensen wordt geproduceerd.

De grondstofpellets uit de voorbehandelingsinstallatie zullen vervolgens worden omgezet in waterstof in een tweede RWE-fabriek die het bedrijf zal bouwen op het industrieterrein Chemelot in Limburg. De fabriek zal naar verwachting 54.000 ton waterstof per jaar produceren. Ter vergelijking: dit komt overeen met de opbrengst van een 700 megawatt offshore windpark met gekoppelde elektrolysers.

Door het gebruik van deze waterstof zal de industrie op Chemelot het aardgasverbruik met meer dan 280 miljoen kubieke meter per jaar kunnen verminderen. Dit komt overeen met de helft van het jaarlijkse binnenlandse gasverbruik in Limburg. Hiermee wordt ongeveer 400.000 ton CO₂ per jaar bespaard. De bij de waterstofproductie vrijkomende CO₂ wordt afgevangen en kan worden opgeslagen of eventueel in de toekomst door de industrie als grondstof worden gebruikt. De waterstof zal ofwel lokaal op het industrieterrein van Chemelot worden afgezet of worden getransporteerd naar industriële bedrijven in Rotterdam en het Ruhrgebied. FUREC bereidt de nodige netaansluitingen voor op de waterstof- en CO₂-infrastructuur.

EU Innovatiefonds

FUREC ontvangt financiering uit het EU-innovatiefonds, dat voor 100% wordt gefinancierd door het EU-emissiehandelssysteem (ETS). Het fonds zal naar verwachting ongeveer 38 miljard euro steun verlenen voor de commerciële demonstratie van innovatieve koolstofarme technologieën in de periode 2020-2030, met als doel industriële oplossingen op de markt te brengen die Europa koolstofvrij maken en de overgang naar klimaatneutraliteit ondersteunen.

Belangrijke motor voor economie in Europa

FUREC is revolutionair op het gebied van CO₂ -reductie, waterstofproductie en afvalbeheer: het vergemakkelijkt het ontsluiten van het enorme potentieel van de circulaire economie om de klimaatdoelstellingen van de EU te halen. RWE ziet FUREC als een blauwdruk voor de toekomstige uitrol op andere locaties in Nederland en Europa. De provincie Limburg, waar industrieterrein Chemelot is gevestigd, heeft de ontwikkeling van FUREC de afgelopen jaren met grote belangstelling gevolgd.

Meer informatie over FUREC is te vinden op de website.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

MOJO, AFAS Live en Ziggo Dome willen uiterlijk in 2030 hun concerten, festivals en evenementen klimaatneutraal en circulair organiseren. Dat hebben zij tijdens Eurosonic Noorderslag in Groningen bekendgemaakt. Alle drie de bedrijven maken deel uit van Live Nation Nederland.

Duurzaamheidsmanager Kees Lamers maakte tijdens een panelgesprek op ESNS bekend wat de plannen zijn voor de komende jaren tot 2030. “We hebben de CO2-voetafdruk van zeven grote festivals en grote buitenconcerten berekend. Hetzelfde hebben we gedaan voor de evenementen in AFAS Live en Ziggo Dome. De totale voetafdruk van de drie bedrijven op het gebied van energie, eten en drinken, afval, mobiliteit en water is bijna 44.000 ton CO2.” De grootste uitstoot wordt veroorzaakt door het transport van toeleveranciers, de autokilometers van bezoekers en het verkochte eten en drinken; gezamenlijk goed voor 95% van het totaal. Afval is verantwoordelijk voor 1%. In een paar jaar tijd moet zoveel mogelijk uitstoot worden gestopt. Uitstoot waarbij dat niet lukt, wordt gecompenseerd.

Mobiliteit & Transport is met 77% verantwoordelijk voor verreweg de grootste uitstoot van de drie bedrijven samen. Dit komt vooral door tientallen miljoenen gereden autokilometers van crew, concertbezoekers en toeleveranciers. Om onze doelstelling te halen moet het aandeel mensen dat met het OV of bijvoorbeeld georganiseerd busvervoer komt, verdubbelen naar 60% voor de grote buitenevenementen en 80% voor de AFAS Live en Ziggo Dome.

Voor MOJO, AFAS Live en Ziggo Dome gezamenlijk is het eten en drinken verantwoordelijk voor 8.238 ton kg CO2-uitstoot. Dat is 19% van het totaal. Daarvan komt ruim 3.000 ton van eten. Tijdens de evenementen van MOJO, AFAS Live en Ziggo Dome wordt daarom uiterlijk in 2030 gestopt met het verkopen van eten met een grote en zeer grote klimaatimpact. 84% van het huidige aanbod heeft nu nog een hoge of zeer hoge impact. Dit betekent de komende jaren een grote verschuiving van dierlijk naar plantaardig eten.

Voor de grote buitenconcerten en festivals van MOJO wordt jaarlijks meer dan 400.000 liter diesel gebruikt. Dat zorgt voor een uitstoot van 1.361 ton CO2. Doordat MOJO gaat stoppen met het grootschalig inzetten van dieselaggregaten, scheelt dat 8% op de Co2-voetafdruk van MOJO-outdoor shows. Er gaat veel geld geïnvesteerd worden in het aanleggen van lokale stroomnetwerken op alle buitenlocaties zodat er een aansluiting op het vaste net kan worden gerealiseerd.

AFAS Live, Ziggo Dome, de zeven grote festivals en meerdere buitenconcerten van MOJO produceren jaarlijks restafval dat wordt verbrand. Bij elkaar opgeteld levert dat een CO2-uitstoot op van 295 ton Co2. Hiervan komt 31% van het afval dat door festivalbezoekers op vier festivalcampings wordt achtergelaten. Uiterlijk in 2030 wil MOJO die uitstoot tot 0 reduceren. Een grote opgave waarbij we ook rekenen op de medewerking van onze bezoekers.

AFAS Live

AFAS Live is gevestigd aan de Johan Cruijff Boulevard in Amsterdam Zuidoost en maakt haar credo “Live will never be the same” elk jaar meer dan waar. De locatie voor concerten en zakelijke evenementen biedt jaarlijks ruim 600.000 bezoekers een complete en onvergetelijke avond uit. AFAS Live is speciaal ontworpen voor versterkte (pop)muziek, waardoor het geluid uitzonderlijk goed klinkt. De locatie is daarom meerdere malen genomineerd voor de felbegeerde Pollstar Award als beste internationale concertlocatie. AFAS Live is dan ook meer dan vier muren en een dak, het is voor liefhebbers van livemuziek een totale beleving!

MOJO Concerts

MOJO organiseert al meer dan 50 jaar concerten met nationale en internationale artiesten in zalen, festivals op weides en evenementen in stadions. Gemiddeld zijn dat 200 shows per jaar, waarvoor ruim 2 miljoen mensen een kaartje kopen. MOJO creëert eigen festivals en ondersteunt toerende producties. Daarnaast vertegenwoordigd MOJO tientallen Nederlandse artiesten en brengt het bedrijf familie evenementen naar Nederland.

Ziggo Dome

De Ziggo Dome is een concertlocatie in Amsterdam en kan per evenement 17.000 fans de optimale beleving bieden. In korte tijd is de Ziggo Dome onmisbaar geworden in de live industrie van Nederland en misschien wel Europa. Sinds 2012 biedt de Ziggo Dome onderdak aan grote (inter)nationale artiesten als Robbie Williams, Madonna, U2, Stromae, Dua Lipa en Michael Bublé. Per jaar worden gemiddeld 120 evenementen georganiseerd voor meer dan 1,5 miljoen bezoekers.

Meer lezen over hoe we dit gaan aanpakken, het duurzaamheidsbeleid en/of de factsheet doorlezen? Dat kan op deze pagina.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Thialf, Innovatielab Thialf en Wetsus gaan de komende vier jaar samen onderzoeken hoe de kwaliteit van het ijs geoptimaliseerd kan worden. Dit om schaatsprestaties te verbeteren, maar ook om te kijken of het snelste ijs ter wereld op een energiezuiniger manier gemaakt kan worden. Met de huidige energiekosten een zeer belangrijk vraagstuk voor alle ijsbanen in de wereld.

Het ijs van Thialf heeft internationaal aanzien. Al decennialang ligt de snelste laaglandbaan ter wereld in Heerenveen. De ijsmeesters van Thialf werken hard aan een goede ijsvloer voor langebaan schaatsen, shorttrack, ijshockey en kunstrijden. Ter bevordering van prestaties hebben deze verschillende disciplines verschillende behoeftes als het gaat om de eigenschappen van het ijs.

De basis van alles: een balans tussen grip op het ijs en voldoende glijmogelijkheden. Het grote vraagstuk voor Wetsus, Thialf en Innovatielab Thialf is daarom hoe de grip- en glijeigenschappen te controleren én te optimaliseren zijn. Controle op deze eigenschappen zal niet alleen prestaties verbeteren, ook kan het inzicht geven of Thialf op een energiezuinigere manier ijs kan maken. Deze kennis moet nu ontwikkeld worden, om ook in de toekomst snel ijs te kunnen blijven leveren.

Thialf is het schaatshart van de wereld, waar top- en breedtesport onder hetzelfde dak trainen op hetzelfde ijs. Om het ijs voor alle doelgroepen zo optimaal mogelijk te houden wordt er veel tijd in de ijsvloer gestoken. Zo is er door de jaren heen veel geëxperimenteerd om de meest ideale ijsomstandigheden te creëren. Het maken van ijs lijkt daarbij meer een ambacht dan een wetenschap. In de wetenschap zijn er namelijk weinig tot geen experts die voldoende advies kunnen geven. Daarom gaan Wetsus, Thialf en Innovatielab Thialf deze kennis nu samen ontwikkelen.

Wetsus is het Europese Centre of Excellence op het gebied van watertechnologie. Als kersverse innovatiepartner van Innovatielab Thialf en in nauwe samenwerking met Thialf zal Wetsus een onderzoeksprogramma naar ijs opzetten. Onderdeel hiervan is een vierjarig promotieonderzoek, waarvoor de komende maanden een geschikte kandidaat gezocht zal worden.

Binnen het promotieonderzoek zal onder andere een opstelling gebouwd worden bij Wetsus in Leeuwarden die de omstandigheden van Thialf nabootst en waarmee de eerste experimenten plaats kunnen vinden. Met de wetenschappelijke kennis binnen Wetsus over water en waterbehandeling hoopt Thialf nog beter ijs te kunnen leveren, op een duurzame manier. Als schaatshart van de wereld wil Thialf daarmee een voorbeeld zijn voor andere ijsbanen. Tegelijkertijd levert de te ontwikkelen kennis voor Wetsus meer inzicht in de fysische eigenschappen van water, waarvan het onderzoeksprogramma van Wetsus in de breedte zal profiteren.

Foto gemaakt door: MNO Photo

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De Nederlandse overheid moet zich richten op de transitie van een economie die afhankelijk is van aardgas naar een duurzame economie. De naar verwachting structureel hoge gasprijzen maken deze onvermijdelijke transformatie van de economie nog urgenter. Dat schrijft waarnemend secretaris-generaal Gerdine Keijzer-Baldé van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat in haar jaarlijkse nieuwjaarsartikel, dat vandaag verschijnt in Economisch Statistische Berichten (ESB).

De weg naar een toekomstbestendige economie

De Nederlandse economie kent door decennia aan ruim beschikbaar en goedkoop gas een gasintensieve industrie. Alhoewel de gasprijzen volatiel en onzeker zijn, is het waarschijnlijk dat de gasprijzen in Europa in de toekomst relatief hoog zullen blijven. De transformatie naar een duurzame  economie is al ingezet vanuit klimaatoverwegingen, maar is door de huidige ontwikkelingen op de gasmarkt nog dringender geworden.

Keijzer-Baldé schrijft dat door deze langdurig veranderde omstandigheden een economische herstructurering onvermijdelijk is. Ze benadrukt dat we ons daarom niet moeten focussen op het behoud van een specifieke sectorstructuur. In plaats daarvan moet de overheid zich richten op het stellen van duidelijke kaders en randvoorwaarden voor een duurzame en concurrerende industrie, zoals het organiseren van infrastructuur waar nodig.

Keijzer- Baldé: “De transitie naar duurzaamheid biedt bedrijven de mogelijkheid om zichzelf opnieuw uit te vinden en zich aan te passen aan de toekomst.”

Een casus-specifieke afweging

Alhoewel de concurrentiekracht van gasintensieve bedrijven onder druk staat, kunnen bedrijven volgens Keijzer-Baldé weer toekomstperspectief krijgen door te verduurzamen.  Ondanks dat de hoge gasprijzen verduurzaming op dit moment relatief aantrekkelijk maken, kost dit proces tijd. Er zijn bijvoorbeeld nog obstakels op het gebied van de energie-infrastructuur, de beschikbaarheid van grondstoffen, en schaarste op de arbeidsmarkt.

Keijzer-Baldé schetst het dilemma dat deze timing met zich meebrengt: als de overheid bedrijven niet in deze overgangsperiode steunt kan waardevolle kennis en kapitaal verloren gaan, maar tegelijkertijd is het zeer kostbaar om bedrijven voor een lange periode te steunen. Daarbij dempt het een aantal belangrijke prikkels: het besparen van gas, en het aanwenden van financiële buffers voor onverwachte tegenvallers. Toch kan de overheid ervoor kiezen om bedrijven met tijdelijke steun te helpen een eerste klap in de transitie op te vangen.

Tijdelijke en gerichte steun kan helpen bij transformatie

Als de overheid ervoor kiest om bedrijven te steunen, is het volgens Keijzer-Baldé belangrijk dat dit aansluit bij de verduurzamingsopgave en andere lange termijn doelstellingen van het kabinet. Hierbij is het van belang rekening te houden met uitvoerbaarheid, een gelijk speelveld en strategische autonomie bij het verlenen van eventuele steun. De steun moet gericht zijn op bedrijven die het echt nodig hebben. Dat kan nu nog niet altijd, want hiervoor ontbreekt de juiste administratieve infrastructuur. Bovendien moet er een gelijk speelveld worden gecreëerd op Europees niveau, waarbij steunpakketten binnen de EU niet leiden tot ongelijke concurrentie. In specifieke gevallen zal strategische autonomie worden gezien als een legitieme reden voor staatssteun om cruciale waardeketens in Nederland of de EU te behouden.

Nederland als koploper in de duurzame industrie

Keijzer – Baldé besluit haar artikel optimistisch. Nederland heeft door zijn gasinfrastructuur een voordelige positie om voorop te lopen in de overgang naar waterstof. De hele wereld zal zich de komende jaren aan moeten passen aan een economie zonder fossiele brandstoffen, wat Nederland de kans biedt om een leidende rol te spelen en een duurzame industrie in Nederland en Europa te creëren.

Lees het volledige nieuwjaarsartikel van Gerdine Keijzer – Baldé hier.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

The world’s biggest companies, from Netflix to Ben & Jerry’s, are pouring billions into an offsetting industry whose climate claims appear increasingly at odds with reality

Standards for the offsets for many companies are set by Verra.  Founded in Switzerland in 2007 and now based in Washington DC, Verra’s original two-person team has swelled to more than 80. At the time of writing, Verra was advertising 26 vacancies, seven of them with six-figure salaries.  Household names like British Airways and Gucci rely on Verra to authenticate their credits, which now approves three out of every four carbon credits globally. Growth is ramping up, with sales jumping from around $7 million in 2018 to $41 million in 2021.

During last autumn’s climate negotiations in Egypt, Verra announced it had issued its billionth carbon credit, meaning that in 15 years it has rubber-stamped projects claiming to cancel out three times the emissions the UK produces in a year. Verra’s main role is to publish methodologies for creating carbon offsetting projects, including  forest protection initiatives, and authenticate the credits they generate.

‘Avoided deforestation’ has always been controversial. At best, it underpins projects that save some of the planet’s most precious resources from destruction. At worst, it risks degenerating into a sort of protection racket where landowners extract fees in return for promises not to fire up the chainsaws. Often, it occupies a grey area in between, relying on hypothetical projections that can be tough to verify.

Gold Standard, Verra’s main competitor, refuses to issue credits from avoided deforestation. But rather than discrediting the methodology, this has simply helped Verra to corner a market, says Axel Michaelowa, head of international climate policy at the University of Zurich. Verra’s stance means that at least 30 per cent of credits currently being sold globally are for avoided deforestation.

“Verra has always been very good at somehow undercutting other standards in the voluntary market by being cheaper, by being less demanding,” Michaelowa said. “And less demanding, of course, means having lower environmental integrity.”

SourceMaterial’s investigation casts doubt on vast numbers of Verra’s carbon credits, raising the prospect that a $2 billion market, predicted to expand rapidly, is widely based on exaggerated claims.

Verra is becoming increasingly important. In 2021 a court in the Netherlands ordered a buyer of Verra-backed credits, Shell, to reduce its emissions. The oil major aims to get its annual carbon credit purchases up to 120 million by 2030 and is using its offsetting plans as part of an appeal against the decision.

Read the full article

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Fedet NLA, de Nederlandse Licht Associatie, is met haar leden het initiatief ‘met LED kan het’ gestart. De groep zal zich inzetten om de energiebesparing in Nederland te bevorderen. Hoewel het algemeen bekend is dat LED-verlichting energie bespaart, is dit nog niet breed omarmd in Nederland. Zo is bijvoorbeeld nog maar 20 procent van het hoofdwegennet en ongeveer de helft van de kantoorgebouwen in Nederland voorzien van LED-verlichting.

Stijgende energiekosten

Het initiatief is tot stand gekomen doordat Nederlandse fabrikanten en importeurs van lichtbronnen en lichtarmaturen opmerkten dat de energietransitie versneld moet worden en de problemen die de netcongestie veroorzaken opgelost moeten worden. Een van de wegen die hiervoor bewandeld kan worden, is het vervangen van conventionele verlichting, zoals TL-verlichting en gloeilampen, door LED-verlichting. Hoewel veel van de deze verlichting inmiddels niet meer verkocht mag worden, wordt het in veel gebouwen nog gebruikt tot het einde van de levensduur. Hierdoor laat het effect van de transitie naar LED te lang op zich wachten.

De partijen hebben met het platform ‘Met LED kan het’ twee doelen. Het eerste is om meer energie te besparen in Nederland. Dat zal de energietransitie, die hoognodig is, bevorderen en tevens een besparing in de portemonnee opleveren. De stijgende energiekosten van het afgelopen jaar benadrukken de noodzaak van dit initiatief alleen nog maar meer. Ten tweede zal het besparen van energie ervoor zorgen dat er minder energie in Nederland opgewekt of ingekocht hoeft te worden. Een eerste, conservatieve inschatting van de partijen laat zien dat het massaal overstappen op LED-verlichting een energiebesparing van 50 tot 80 procent kan opleveren. Dit staat gelijk aan de opbrengst van één kerncentrale in Nederland en kan daarmee een positieve bijdrage aan het milieu leveren.

Anne-Jaap Deinum, directeur bij Fedet, vertelt over dit initiatief: “We gaan ervan uit dat we met dit initiatief in heel Nederland meer energie kunnen besparen. Hoewel veel mensen weten dat overstappen naar LED-verlichting hierbij een belangrijk onderdeel is, wordt deze stap nog te weinig overwogen. Ondanks dat de investering zich snel, met de huidige tarieven al binnen twee jaar, uitbetaalt. In onder andere het bedrijfsleven en bij de overheid zijn er nog genoeg stappen te zetten. De overheid zou het lichtende voorbeeld in deze kwestie moeten zijn, maar de helft van de overheidsgebouwen heeft momenteel nog niet eens energielabel C of hoger. Terwijl dit wel verplicht is gesteld sinds 1 januari. Daarnaast hoop ik dat er weer subsidies en regelingen vanuit de overheid komen om de overstap naar LED aan te moedigen. Dit kan volgens onze berekeningen namelijk jaarlijks 6,5 terraWatt aan energie besparen. Dat staat gelijk aan zo’n 13 miljard keer wassen, 240 miljard telefoons opladen of 6,8 miljoen airco’s die op jaarlijkse basis veertig dagen gebruikt worden. Een ongelooflijk besparingspotentieel waar wij, en hopelijk ook de rest van Nederland, ons hard voor maken.”

Meer weten over dit initiatief? Lees het hier: www.metledkanhet.nl.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Als het kabinet een eerlijke bijdrage wil leveren aan de klimaatafspraken van Parijs, dan is het noodzakelijk dat het toekomstige klimaatbeleid voor een belangrijk deel gericht is op het verminderen van vervuilende activiteiten. Dat blijkt uit een publicatie van onderzoeksbureau Ecorys, in opdracht van Natuur & Milieu, Greenpeace en Milieudefensie. Ecorys heeft voor alle economische sectoren die bijdragen aan de Nederlandse CO2-uitstoot in kaart gebracht welke beleidsmaatregelen nodig zijn om binnen de afspraak van maximaal 1,5 graden opwarming te blijven.

Ecorys nam in het onderzoek alle sectoren mee die onderdeel uitmaken van het Nederlandse Klimaatakkoord: elektriciteit, industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik.
De milieuorganisaties spreken van een duidelijk beeld: ‘Dit onderzoek laat zien dat het nog steeds mogelijk is om de CO2-uitstoot van ons land tijdig en voldoende te verminderen. Dat is een opluchting. Maar het is ook heel duidelijk dat we er met de huidige klimaataanpak niet komen, dus politiek en beleidsmakers, ga aan de slag met de benodigde maatregelen.’

Nederlands koolstofbudget

Ieder jaar blijkt uit de Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat Nederland fors achterloopt met het halen van de klimaatdoelen. Het kabinet heeft aangegeven komend voorjaar met aanvullend beleid te komen om de achterstand in te halen. Uit eerder onderzoek van Natuur & Milieu, Greenpeace en Milieudefensie door NewClimate Institute, bleek bovendien dat Nederlandse klimaatdoelen (55% reductie in 2030, klimaatneutraal in 2050) niet scherp genoeg zijn om binnen het mondiale doel van de 1,5 graden opwarming te blijven. Het NewClimate Institute liet zien dat Nederland voor 2037 al 100% klimaatneutraal moet zijn om binnen het Nederlandse koolstofbudget te blijven. Ecorys heeft nu onderzocht welke ‘beleidsomslagen’ nodig zijn.

Verminderen, verbeteren en vervangen

De benodigde beleidsomslagen zijn ruwweg in te delen in drie categorieën: verminderen, verbeteren en vervangen van vervuilende processen en activiteiten. Uit het rapport blijkt dat de benodigde CO2-uitstoot per sector niet gehaald kan worden zonder maatregelen uit de categorie ‘verminderen van vervuilende activiteiten’. Bijna de helft van de reductie wordt gehaald met maatregelen uit deze categorie.

‘Het kabinet kiest nu vaak voor beleid waarmee activiteiten efficiënter of schoner kunnen worden uitgevoerd, maar dit rapport laat onmiskenbaar zien dat dat onvoldoende is. Uiteindelijk moeten we toe naar minder autokilometers, minder dieren in de landbouw, minder producten en minder energieverbruik. Natuurlijk is daar politieke moed voor nodig, maar de gevolgen van klimaatverandering zijn catastrofaal als overheden moeilijke besluiten blijven uitstellen’, aldus de milieuorganisaties.

Voorbeelden van beleidsomslagen

  • Geen uitbreidingen meer van snelwegen. Het totaal aantal autokilometers moet omlaag en meer asfalt laat het autogebruik juist toenemen. Investeer in plaats daarvan in openbaar vervoer, laadinfrastructuur en deelmobiliteit.
  • Omschakeling van intensieve veehouderij naar grondgebonden bedrijven, in combinatie met het verminderen van het aantal dieren.
  • Daling energieverbruik: van een vraaggestuurd naar een aanbodgestuurd systeem. Dat betekent bijvoorbeeld dat er geen plek meer is voor grote nieuwe energieslurpers zoals datacentra wanneer het aanbod van duurzame energie dat niet toelaat.
  • Circulair grondstof- en materiaalgebruik in de industrie. Om de industrie deze overstap te laten maken, moeten er veel scherpere normen komen voor het gebruik van gerecyclede grondstoffen.

Klimaatrechtvaardigheid

Klimaatrechtvaardigheid is een belangrijk onderdeel van de energietransitie. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen en het moet voor iedereen mogelijk zijn om de transitie door te maken. Maatregelen mogen dus niet slechter uitpakken voor mensen met lage inkomens. Daarom zijn in het onderzoek ook maatregelen toegevoegd waarvan zij juist profiteren of waarbij zij worden ontzien of gecompenseerd. Bijvoorbeeld door extra ondersteuning van mensen met een krappe beurs of compensatie aan huishoudens en mkb-bedrijven die financieel onevenredig hard worden geraakt.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Op 12 januari was een groot aantal partijen, betrokken bij de ontwikkeling van batterijen in Nederland – kleine bedrijven, multinationals en kennisinstellingen – aanwezig bij de kick off van het BatteryNL consortium. Hun doel is om binnen acht jaar de volgende generatie batterijen te ontwikkelen op basis van een beter begrip van materiaal-grensvlakken.

Veiligere batterijen met een hogere dichtheid

BatteryNL wil de volgende generatie batterijen ontwikkelen die veiliger zijn, een hogere energiedichtheid hebben en over een langere levensduur beschikken – allemaal cruciaal voor een samenleving die gebaseerd is op duurzame energiebronnen.

Marnix Wagemaker, TU Delft: “Wij ontwikkelen materialen voor de volgende generatie batterijen die veiliger en milieuvriendelijker zijn en hogere prestaties leveren, die nodig zijn om het toekomstige elektriciteitsnet te stabiliseren en de voordelen van elektrische mobiliteit te benutten.”

Het hart van de batterijen onderzocht en verbeterd

Op basis van unieke Nederlandse expertise zal het consortium het hart van deze felbegeerde batterijen – de elektrode-elektrolyt interface – onderzoeken en verbeteren met behulp van schaalbare technologieën.

Adriana Creatore, Technische Universiteit Eindhoven: “We verbinden de wetenschap om processen op het grensvlak kathode/elektrolyt en elektrolyt/anode te ontrafelen met dunne film-gebaseerde, opschaalbare interface-engineering. Op die wijze realiseren we batterijen die een hoge energiedichtheid hebben, veilig en kosteneffectief zijn.”

Spilfunctie in de ontwikkeling van de toekomstige batterijtechnologie

Om de maatschappelijke integratie van deze technologische doorbraken te vergemakkelijken, zullen de sociale en economische gevolgen in nauwe samenwerking met diverse belanghebbenden worden geëvalueerd. Dit consortium van experts, kleine bedrijven, multinationals en maatschappelijke organisaties maakt zo de weg vrij voor Nederlandse partijen om een spilfunctie te vervullen in de ontwikkeling van toekomstige batterijtechnologie.

Mark Huijben, Universiteit Twente: “Het beheersen van de elektrode-elektrolyt interface is de grote uitdaging voor de volgende generatie batterijen, omdat uitzonderlijke energiecapaciteiten gecombineerd moeten worden met het elimineren van elk capaciteitsverlies in de tijd.”

Kick off Battery NL

Tijdens de bijeenkomst werden alle werkpakketten (WP’s) gepresenteerd door hun leiders:

  • WP1: 2-dimensionale Li-ion batterij modelsystemen: begrip van interface reacties en strategieën naar stabiele interfaces, Mark Huijben.
  • WP2: Ontwikkeling van interface strategieën en vertaling van 2D naar 3D, Petra de Jongh
  • WP3: Operationele karakterisering, Moniek Tromp
  • WP4: Opschalingsstrategieën voor interface ontworpen batterijmaterialen, Mahmoud Ameen
  • WP5: Veiligheid, prestatie en integratie, Erik Kelder
  • WP6: Socio- en technisch-economische studies, Bob van der Zwaan
  • WP7: Battery NL netwerk, samenwerking en outreach, Marnix Wagemaker
  • WP8: Projectmanagement, Ingrid de Haer

Alle partijen op één lijn: van academische wereld tot start-ups

BatteryNL bestaat uit experts binnen de academische wereld, hightech startups, multinationals en maatschappelijke partners. Naast de initiatiefnemers, Technische Universiteit Delft, Universiteit Twente, Technische Universiteit Eindhoven, Universiteit Utrecht en Rijksuniversiteit Groningen, bestaat het consortium uit de Universiteit van Amsterdam, TNO, Holst Centre, Hogeschool Rotterdam, Hogeschool Utrecht, Hanzehogeschool, Saxion Hogeschool, Fontys Hogeschool, Delft IMP, E-magy, Euro Support, LeydenJar, Lionvolt, LithiumWerks, PTG/e, Shell, SALD, VSParticle, Air Liquide, Forschungszentrum Jülich, MEET Battery Research Centre, ANWB, DNV, Durapower, EnergyStorageNL, InnoEnergy, New Energy Coalition, RAI, Solvis, VDL. BatteryNL vertegenwoordigt de top academische universiteiten en Hogescholen die actief zijn in batterijonderzoek in Nederland. De academische partners zijn experts in batterij- en interfacematerialen/chemie en karakteriseringsmethoden (vooral tijdens batterijgebruik). Prof. M. (Marnix) Wagemaker (TU Delft – Faculteit Toegepaste Wetenschappen) is de projectleider van het door NWO-ORC gefinancierde project van 9,3 miljoen euro (projectnummer NWA.1389.20.089).

Petra de Jongh, Universiteit Utrecht: “De ontwikkeling van betere batterijen past perfect in ons duurzaamheidsgerelateerde onderzoek aan het Debye Instituut van de Universiteit Utrecht. Met onze expertise in het ontwerpen en begrijpen van nieuwe materialen maken we de vertaalslag van 2D naar 3D mogelijk: van de atomaire schaal naar de nanoschaal.”

Onderzoek, onderwijs en valorisatie

Daarnaast hebben de hogescholen expertisecentra ontwikkeld op het gebied van duurzaamheid en energietransitie, specifiek gericht op de rol van batterijen, waar onderzoek en onderwijs samenkomen en waar de resultaten kunnen worden gevaloriseerd en benut. De betrokkenheid van bedrijven bij het consortium zal bijdragen tot een grotere impact doordat de succesvolle technologieën op grotere schaal in batterijsystemen kunnen worden toegepast, wat uiteindelijk zal bijdragen tot een duurzamere samenleving. De meest relevante nationale stakeholders op het gebied van mobiliteit en elektrische auto’s, zowel maatschappelijke stakeholders als bedrijven nemen deel aan BatteryNL.

Moniek Tromp, Rijksuniversiteit Groningen: “Naast de nieuwe materialen en geavanceerde (karakterisatie)methoden die we gaan ontwikkelen, heeft het project nu al de aanzet gegeven voor een Nederlands Batterij ecosysteem, inclusief de vele uiteenlopende stakeholders, die cruciaal zijn voor de energietransitie, de positie die Nederland kan innemen en de rol die ze daarin  kunnen spelen.”

Foto: Kick-off van het Nederlandse consortium BatteryNL

[ad_2]

Source link

Berichten paginering