[ad_1]

Cepsa en ACE Terminal hebben een Memorandum of Understanding (MoU) ondertekend waarbij het Spaanse energiebedrijf groene ammoniak zal leveren aan de geplande importterminal in de haven van Rotterdam, voor eindtoepassingen in de industrie na omzetting van de ammoniak in waterstof, of voor direct eindgebruik in de scheepvaart en andere industrieën in Noordwest-Europa. Cepsa ontwikkelt 2GW groene waterstof op haar twee Energy Parks in Andalusië, Zuid-Spanje, als onderdeel van haar Positive Motion strategie om in 2030 leider te worden in duurzame mobiliteit en in de productie van hernieuwbare waterstof en geavanceerde biobrandstoffen, en om een benchmark in de energietransitie te worden. De twee waterstoffabrieken, met een investering van 3 miljard euro, zullen deel uitmaken van de Andalusische Groene Waterstofvallei, de grootste groene waterstofhub in Europa, waarvoor Cepsa onlangs een aantal samenwerkingsovereenkomsten heeft gesloten in de hele waterstofwaardeketen.

Aan de importzijde werken Gasunie, HES International en Vopak samen om ACE Terminal te ontwikkelen als toegangspunt tot Nederland voor ammoniak als drager voor groene waterstof en als duurzame grondstof. De open access terminal komt in de haven van Rotterdam, een zeer belangrijke haven voor Noordwest-Europa vanuit energieoogpunt. Met het geplande hergebruik van activa en infrastructuur is ACE Terminal een project met een korte doorlooptijd. De MoU met Cepsa is de eerste van overeenkomsten tussen toekomstige klanten en de ACE open access hub terminal voor de import van groene waterstof en ammoniak.

De intentieverklaring tussen Cepsa en ACE Terminal behelst een samenwerking die moet leiden tot een bindende commerciële overeenkomst om het overzeese transport van groene ammoniak te faciliteren, de groene ammoniak te distribueren naar eindmarkten in het achterland en de groene ammoniak te verwerken tot groene waterstof, klaar voor gebruik door eindklanten in Noordwest-Europa. De locatie van ACE Terminal in de haven van Rotterdam biedt directe aansluiting op de Rotterdamse industrie en het geplande nationale waterstofnetwerk, en heeft een uitstekende aansluiting op de infrastructuur naar Noordwest-Europa.

Door groene waterstof te importeren die door Cepsa in Zuid-Spanje concurrerend kan worden geproduceerd dankzij omstandigheden als veel zon, wind en land, een solide elektriciteitsnet en toegang tot havens met veel vervoer, helpt deze samenwerking de industrie en het transport in Noord-Europa koolstofvrij te maken en de onafhankelijkheid, zekerheid en betaalbaarheid van energie in Europa te waarborgen.

De samenwerking met ACE Terminal versterkt de overeenkomst van Cepsa met de Haven van Rotterdam om waterstof die in haar San Roque Energy Park bij de baai van Algeciras wordt geproduceerd, te exporteren via waterstofdragers zoals ammoniak, waardoor de eerste groene waterstofcorridor tussen Zuid- en NoordEuropa tot stand komt en een groene waterstofbevoorradingsketen tussen twee van Europa’s belangrijkste havens, Rotterdam en Algeciras, wordt gewaarborgd.

Cepsa streeft ernaar de eerste export van groene waterstof vanuit Spanje in 2027 van start te laten gaan, een timing die goed aansluit bij de planning van het ACE Terminal-project.

Rob Jetten, minister van Klimaat en Energie, die aanwezig was bij de ondertekening van de MoU in Madrid, zei: “Deze intentieverklaring tussen Cepsa en ACE Terminal is een prachtig voorbeeld van het soort samenwerkingen dat nodig is en die we willen stimuleren met het nieuwe Memorandum of Understanding tussen Spanje en Nederland op het gebied van hernieuwbare waterstof. Het vormt een belangrijke mijlpaal voor de Europese waterstofstrategie voor de ontwikkeling van waterstofcorridors tussen Zuid- en Noord-Europa. Hiermee kunnen we de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen en de Nederlandse decarbonisatie- en klimaatdoelstellingen realiseren”.

Maarten Wetselaar, CEO van Cepsa, zei: “Deze alliantie maakt de Groene Waterstof Corridor tastbaar en vergroot het internationale potentieel van de Andalusische Groene Waterstof Vallei, waardoor de door Cepsa in Zuid-Spanje geproduceerde groene waterstof kan worden gebruikt voor de industrie en scheepvaart in NoordEuropa. Partnerschappen als deze zijn voorbeelden van de samenwerking die in heel Europa nodig is om energiezekerheid te garanderen zonder de klimaatdoelstellingen in gevaar te brengen, en de belangrijke rol die Cepsa en Spanje in dit traject kunnen en moeten spelen.”

Egbert Vrijen, projectdirecteur ACE Terminal, zei: “We zijn verheugd dat Cepsa deze stap zet en voor ACE Terminal heeft gekozen. We hopen dat naast Cepsa meer partijen zich zullen aansluiten bij onze open access importterminal voor ammoniak/waterstof in de haven van Rotterdam.”

Rotterdam is de belangrijkste energiehaven van Europa en behandelt 13% van de Europese energievraag, terwijl de haven van Algeciras de eerste haven van Spanje is, de vierde van Europa en een belangrijke handelsroute tussen Europa en Azië. De toekomstige vraag naar groene waterstof in Noordwest-Europa overstijgt de capaciteit die lokaal kan worden geproduceerd uit duurzame bronnen, waardoor de noodzaak ontstaat om op grote schaal groene waterstof te importeren.

Foto: de ondertekenaars (v.l.n.r.): Hans de Willigen – Business Development Manager New Energies, Vopak, Rob Jetten, Minister for Climate and Energy of the Netherlands, Maarten Wetselaar, CEO Cepsa, Ulco Vermeulen – Director of Participations & Business Development, Gasunie

[ad_2]

Source link

[ad_1]

In 2023 ontvangen agrariërs die samen met GreenInclusive vezelhennep telen een CO2-toeslag. GreenInclusive is hiermee de eerste partij ter wereld die agrariërs een CO2-toeslag gaat vergoeden voor het telen van natuurlijke grondstoffen waarvan biobased bouwproducten worden gemaakt.

“Middels onze CO2-propositie, die inmiddels is goedgekeurd en vastgesteld door de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK)*, zijn we in staat om in de waardeketen die we ontwikkeld hebben, CO2 vast te leggen,” aldus Marthijs Roorda, oprichter en algemeen directeur van GreenInclusive. “Dat betekent dat we eind 2023 CO2-certificaten op de markt gaan brengen. Vooruitlopend op die verkoop willen we agrariërs, die een belangrijke schakel vormen in de keten, de zekerheid geven van een extra financiële vergoeding.”

Gecontracteerde telers krijgen in 2023 een CO2-toeslag van €25 per ton droge stof. In de praktijk zal deze toeslag variëren van €175 tot €275 extra inkomsten per hectare, bij respectievelijk 7 ton en 11 ton droge stofopbrengst per hectare. Roorda vervolgt: “Vanwege de stijgende vraag naar duurzame bouwproducten, verwachten we dat we deze CO2-toeslag in de toekomst fors kunnen verhogen.”

Vergoeding

Agrariërs kunnen via GreenInclusive meerjarige teeltcontracten afsluiten om op deze wijze inkomstenzekerheid te verkrijgen. Ze ontvangen een vergoeding van €120 per ton droge stof en een bonus van €1000 voor 10 hectare of meer. Daarnaast heeft vezelhennep in het nieuwe GLB een goede positie gekregen. Met vezelhennep ontvang je per hectare een hoog aantal punten en waarde voor de eco-regeling, die waarde vertaalt zich in een aanvullende financiële premie.

Biobased bouwproducten

De vezelhennep wordt verwerkt tot biobased bouwproducten, waaronder isolatiematten waarmee bestaande en nieuwe huizen duurzaam kunnen worden geïsoleerd. “Met de gehele regionale keten dragen we bij aan (sociale) werkgelegenheid, de grote maatschappelijke isolatieopgave en het vastleggen van CO2. Met onze producten die we van natuurlijke grondstoffen maken, voorkomen we ook het gebruik van fossiele grondstoffen uit het buitenland,” aldus Roorda.

CO2-certificaten

GreenInclusive heeft zelf fors geïnvesteerd en een unieke methodologie ontwikkeld die in verschillende commissies is getoetst binnen de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK)*. GreenInclusive is als enige Nederlandse partij bevoegd om de CO2 die zij opslaat in haar waardeketen te vermarkten door middel van de zogenoemde CO2-certificaten. Het doel van GreenInclusive is altijd geweest om een model te ontwikkelen dat bijdraagt aan de doelen van het klimaat- en grondstoffenakkoord en tegelijkertijd zorgt voor een stabiel en aanvullend inkomen voor agrariërs in Nederland.

* SNK ondersteunt de vrijwillige, nationale koolstofmarkt door plannen te beoordelen en certificaten uit te geven voor geverifieerde emissiereductie.

Foto: GreenInclusive

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Waterstofproducent HYGRO heeft, tezamen met TNO, een subsidie van 11,8 miljoen euro toegekend gekregen om de keten van duurzame waterstofproductie tot en met de afzet in het wegtransport op gang te helpen. Groene waterstof is een belangrijk ingrediënt voor de energietransitie en het terugdringen van CO2-uitstoot. Financiële impulsen van de overheid ondersteunen deze transitie.

Waterstofketen ‘van wind tot wiel’

HYGRO lanceerde als eerste bedrijf ter wereld het concept van de ‘waterstofmolen’; een windmolen met geïntegreerde elektrolyse om direct aan de molen waterstof te produceren. Met waterstof als primaire energiedrager, zal uiteindelijk het ontwerp van een windturbine en dat van windparken veranderen. Door elektrolyse wordt windenergie (kosten)efficiënter gewonnen dan met elektriciteit.

Jan Willem Langeraar, medeoprichter HYGRO: “Dit project zal niet alleen demonstreren wat de technische mogelijkheden zijn voor een efficiënte keten en betaalbare tankstations, maar vooral ook laten zien dat duurzame waterstof onder de huidige regels concurrerend kan worden met diesel. Het is daarbij belangrijk dat de overheid met voldoende stimulering blijft komen voor partijen die vrachtwagens op waterstof willen aanschaffen. Bijvoorbeeld door de AanZET subsidie. Door opschaling zal er een verdere kostenreductie mogelijk worden waardoor de transitie uiteindelijk vanzelf gaat.”

Schaal en volume

De ontwikkeling van geïntegreerde waterstofproductie bij windmolens en leveranties van waterstof aan tankstations tijdens dit project zal voor voldoende waterstof zorgen in de regio Noord-Holland om 50 tot 80 waterstof elektrische vrachtwagens op groene waterstof te laten rijden. Dit is equivalent aan 2.500 tot 5.000 waterstof elektrische personenauto’s die 20.000 kilometer per jaar rijden en een vergelijkbaar aantal waterstof elektrische generatoren voor op bouwplaatsen. Het resultaat van dit project is een reductie van de kosten in de waterstofketen en een snellere groei van het gebruik van waterstof in de mobiliteit.

Door het tegelijkertijd opschalen van waterstof productie en distributie via tankstations, met het gebruik van waterstof door waterstof elektrische vrachtwagens, personenauto’s en bouwmachines zoals bijvoorbeeld generatoren, zal de kostprijs van zowel voertuigen als de waterstoflevering snel verder dalen. In de komende jaren zal daardoor het aandeel waterstofmobiliteit flink toenemen wat leidt tot minder CO2-uitstoot, en wordt tegelijkertijd ook geluids-, NOx- en fijnstofemissies voorkomen. Het project geeft een doorkijk naar de energie-infrastructuur van de toekomst.

Integratie van waterstofproductie met windturbines

Met de toekenning van deze subsidie worden de eerste stappen gezet naar integratie van waterstofproductie met windturbines. Diverse partijen hebben zich gecommitteerd aan het project door een Letter of Intent (LOI) te tekenen.

Greenchoice zal ervoor zorgen dat ook op windstille momenten met veel zonne-energie groene waterstof gemaakt kan worden. Daarnaast wordt met behulp van de subsidie aangetoond dat door een geïntegreerde aanpak van productie, hogedruk opslag en distributie over de weg betaalbare waterstoftankstations gerealiseerd kunnen worden. Het eerste waterstoftankstation komt bij het AVIA Mobiliteitsplein van AVIA Marees in Wieringerwerf.

Met financiering vanuit de Regiodeal Maritiem Cluster Kop van Noord-Holland, wordt het AVIA Mobiliteitsplein in Wieringerwerf middels een speciale leiding, aan te leggen met de firma SoluForce en Visser & Smit Hanab, gekoppeld aan de waterstofproductie bij de windturbine.

Het project voorziet ook in drie satellietstations in Noord-Holland. De exacte locaties worden nog samen met AVIA Marees vastgesteld en zal mede afhankelijk zijn van de wensen van klanten voor waterstofmobiliteit.

Meewind, dat via haar Groenfonds Regionaal Duurzaam mede-investeerder is in de HYGRO-turbine, kijkt uit naar deze volgende fase van ontwikkeling.

TNO: validatie van het project

TNO is verantwoordelijk voor het valideren van de verwachte energiebesparing en efficiëntieverbeteringen in de keten van wind tot wiel. TNO analyseert de efficiëntieverbeteringen die HYGRO verwacht te bereiken bij de elektrolyse middels ‘pulsed power’ en de efficiëntieverbeteringen in de distributie van waterstof over de weg door gebruik te maken van de door HYGRO ontwikkelde ‘iBundles’. TNO zal de onderzoeksresultaten en leerervaring breed verspreiden in Nederland en breder in Europa via organisaties, zoals Hydrogen Europe Research.

Clusterleider Elektrolyse bij TNO, Lennart Van der Burg over de waterstofwindmolen: “Het gaat om een aanzienlijk subsidiebedrag binnen dit project. Belangrijk is dat de gegevens uit ons onderzoek ook beschikbaar komen voor andere organisaties binnen de waterstofketen. Brede kennisdeling is van absoluut belang om de elektrolyse ontwikkeling te versnellen. Op dit moment is er heel weinig praktijk data publiek beschikbaar. Bijvoorbeeld over de performance van de elektrolyser onder verschillende condities. We hebben een lijst van meer dan 20 parameters waar we de elektrolyser op willen monitoren.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De ministerraad heeft ingestemd met de benoeming van de nieuwe onafhankelijke Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie. Carolien Gehrels is op voorstel van minister Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat benoemd tot voorzitter van deze adviescommissie. Naast de voorzitter zijn de leden Ton Büchner, Tanja Cuppen, Pieter Boot en Laurens de Vries benoemd.

Ambitieus en haalbaar

De onafhankelijke Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie gaat advies uitbrengen of de afspraken die bedrijven en overheid maken ambitieus genoeg zijn om verder uit te werken in de concrete maatwerkafspraken. Zo kijkt de commissie of deze afspraken voldoende bijdragen aan extra en snellere CO2-reductie en of er concrete doelen worden vastgelegd op het gebied van stikstofreductie en de impact op de leefomgeving. Ook toetst de commissie of de afspraken haalbaar en doelmatig zijn.

De adviescommissie bestaat uit:

  • Carolien Gehrels (voorzitter) – Global Director Energy Transition Arcadis, wethouder namens de PvdA van Amsterdam van 2006 tot en met 2014.
  • Ton Büchner – ondernemer en voorheen onder andere CEO van AkzoNobel.
  • Tanja Cuppen – Chief Risk Officer van ABN AMRO.
  • Pieter Boot – tot voor kort werkzaam bij het Planbureau voor de Leefomgeving als sectorhoofd Klimaat, lucht en energie.
  • Laurens de Vries – hoogleraar Complexe Energietransities bij de TU Delft.

De commissie heeft in deze samenstelling de benodigde kennis en ervaring. Ieder maatwerktraject is anders. Vanwege deze complexiteit is het mogelijk om tijdelijk een extra gastdeskundige te benoemen om advies uit te brengen over een specifiek onderwerp. Bedrijven en overheid spreken eerst in de intentieverklaring (Expression of Principles) op hoofdlijnen de doelen en voorwaarden af, die verder worden uitgewerkt en vastgelegd in de overeenkomst (Joint Letter of Intent). Na advies van de onafhankelijke commissie worden deze afspraken verder in detail uitgewerkt tot juridisch bindende maatwerkafspraken.

Minister Adriaansens: “Met de maatwerkaanpak kijken we wat de industrie extra én eerder kan doen om te verduurzamen. Een ongelooflijk belangrijk middel bovenop het Klimaatakkoord om de CO2-uitstoot te verminderen. Deze aanpak is nieuw, voor zowel bedrijven als voor de overheid. Onafhankelijk advies of we de goede dingen doen, is voor mij cruciaal. Het gaat tenslotte om grote en serieuze investeringen en aanpassingen, die we niet van de een op de andere dag kunnen regelen. Dat moet zorgvuldig, met oog voor ambitie en haalbaarheid. Ik ben daarom ontzettend blij dat we deze commissie hebben benoemd.”

Maatwerkaanpak

Met de maatwerkaanpak van de Rijksoverheid kunnen de grootste industriële uitstoters een extra stap zetten om sneller minder CO2 uit te stoten. Het komt bovenop de CO2-reductie die al door andere maatregelen uit het Klimaatakkoord wordt gerealiseerd. Bedrijven worden met de maatwerkaanpak uitgedaagd zelf met ambitieuze plannen te komen om de CO2-uitstoot van hun eigen schoorsteen en elders in de keten te verminderen, en hun impact op de omgeving te verbeteren. Het beperken van de stikstofuitstoot wordt hier in meegenomen. Met maatwerk wil het kabinet de onzekerheden, obstakels en vertragende factoren rond verduurzaming zoveel mogelijk wegnemen. Bedrijven moeten wel een visie hebben op hun weg naar klimaatneutraliteit en circulariteit, zodat ze hun activiteiten nu en in de toekomst in Nederland kunnen blijven ontwikkelen. Daarnaast kunnen afspraken gemaakt worden over onder andere energie- en gasbesparing, scholing van technisch personeel en het matchen van vraag naar en aanbod van elektriciteit.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

European companies are falling far short of developing credible climate transition plans to align with a 1.5°C, nature-positive future, according to analysis of companies representing around 75% of European stock markets published today by non-profit CDP and global management consulting firm Oliver Wyman – a business of Marsh McLennan.

In a sign that European companies are becoming aware that such plans are needed, Stepping up finds around half (49%) now report having a climate transition plan in place to limit warming to 1.5°C.

However, the study finds most plans may lack ambition and transparency in key areas necessary to show serious action, such as in governance, financial planning, and value chain engagement.

Under 5% of companies (56) have both a 1.5°C-aligned emissions reduction target and disclose against most (two thirds) of the key indicators that show a credible transition plan exists.[2]

A further 30-45% of companies are considered ‘developing’ – meaning they have less-ambitious (2°C-aligned) emissions goals in place and disclose against at least half of the indicators.[3] The majority of companies showed ‘limited’ progress.

Though 9 in 10 have initiatives to cut emissions, the report also finds clear action gaps in actions needed to transition to a 1.5°C path. For example, just 26% assess how far spending or revenue aligns with 1.5°C targets, and fewer than 40% are building climate concerns into supplier contacts.

As a result, the report estimates that up to 40% of all outstanding corporate debt of the companies analyzed (€1.8 trillion) currently finances those without clear targets or evidence of developing credible transition plans. Access to financing may become more challenging as banks look to hit net-zero goals by decarbonizing their loan books.

8 in 10 financial institutions disclosing to CDP are already assessing their corporate clients’ 1.5°C alignment in at least some key sectors.

And with climate just one part of a wider, nature-related challenge, the report also looked at key action areas across biodiversity, deforestation and water security. Just 7% of companies reported a strong target to reduce emissions, water consumption and deforestation, while 39% disclosed a public biodiversity commitment in place.

Incentivizing corporate executives to achieve goals is also lacking: 54% of companies now link exec-level pay to climate, with under a third doing so across climate change, deforestation and water topics.

More positively, and ahead of the European Union’s landmark mandatory reporting law (the CSRD) coming into place in 2024, 71% of companies disclosing climate change, deforestation and water security data to CDP already report this data in their annual management report for investors. On biodiversity that drops, however, to 1 in 4 companies.

Meanwhile around one in five companies were found to have a ‘best-practice’ policy in place to reduce water impacts, and 29% of companies a best-practice policy for no-deforestation.

Only 5% of companies reporting data on forests to CDP currently certify 90% of commodity volumes are deforestation-free, while just 13% assess the impact of their value chain on biodiversity.

Maxfield Weiss, Executive Director at CDP, said: “Every company that impacts our environment needs not only clear targets – but clear plans to deliver and evidence they are doing so. EU regulation will soon bite – it will be the law for companies to have clear plans that transition their business models onto a 1.5 °C footing. This report reveals only a tiny cohort of under 5% disclose all the data we need to judge. And climate is of course just one component of companies’ broader challenge. As expectations grow for companies to include nature in their broader transition planning, this report shows most companies still need to step up, and show investors, lenders and regulators that they are ready to act. Companies cannot reach net-zero without tackling their nature impacts: we don’t have time to waste.”

Cornelia Neumann, Partner at Oliver Wyman, said: We need to see a step change in the scope and quality of European companies’ transition plans in the next 2-3 years. Our analysis with CDP shows that, while there is progress in the adoption of transition strategies, a higher sense of urgency is required. Many transition plans still lack important elements, especially when it comes to translating strategic climate targets into concrete implementation and value chain engagement plans. This level of concreteness is necessary if companies want to be able to steer their business through the transition and credibly demonstrate to their stakeholders that they are on track to meet climate targets. Companies with an ambition to lead in the transition will need to go beyond climate and incorporate their commitments on biodiversity and nature into their transition agenda.”

Download the full report (pdf)

Notes:

[1] The Corporate Sustainability Due Diligence Directive and proposed EU sustainability reporting standard ESRS for use under the Corporate Sustainability Reporting Directive (ESRS E1) will require companies to disclose 1.5 transition plans.

[2] The 21 key indicators found in CDP climate change questionnaire that denote a credible climate transition plan can be found here.

[3] Ranges are provided to account for analysis of emissions reduction targets considering either Scope 1 and 2 emissions only, or a company’s full value chain (Scope 1-3). On a Scope 1-3 basis, 30% of companies are ‘developing’ and 65% are ‘limited’.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Duurzaam ondernemen wint sterk aan terrein in het Nederlandse mkb. Bijna twee derde (62%) van alle mkb ondernemers vindt duurzaam ondernemen en verduurzaming van hun bedrijf belangrijk. Maar liefst 77% van de ondernemers neemt ook daadwerkelijk actie en investeerde de afgelopen vijf jaar al in initiatieven om te verduurzamen of geeft aan hier op dit moment mee bezig te zijn. Het mkb neemt de maatregelen om te verduurzamen niet alleen omdat de bedrijven duurzaamheid belangrijk vinden maar vaak ook om de hoge energiekosten te verminderen. Slechts 11% van de bedrijven zegt duurzaamheid niet belangrijk te vinden. Dat blijkt uit onderzoek* in opdracht van a.s.r. onder meer dan 300 ondernemers naar duurzaamheid en de energietransitie in het mkb.

Geen woorden maar daden

Duurzaamheid speelt vooral bij grotere mkb-bedrijven met meer dan 50 medewerkers een steeds belangrijkere rol. Kleinere organisaties hebben meer moeite met verduurzamen, zij geven veelal aan dat de focus nu ligt op het behalen van goede resultaten voor hun onderneming. Het onderzoek laat zien dat ondernemers verduurzaming niet alleen belangrijk vinden, maar ook de daad bij het woord voegen. Bijna de helft van de ondernemers (45%) geeft aan nu bezig te zijn met initiatieven om de onderneming te verduurzamen, 32% heeft zelfs al initiatieven doorgevoerd. Ook hier geldt dat grotere mkb-bedrijven vaker met duurzaamheidsmaatregelen bezig zijn (58%) dan de kleinste mkb-bedrijven (40%).

Groene energie en elektrisch wagenpark bovenaan to-do-list

Investeren in groene energie is de meest populaire maatregel (45%) om de organisatie te verduurzamen. Daarop volgen het verduurzamen van het wagenpark met meer elektrische auto’s (31%), het logistieke proces efficiënter inrichten en de CO2-uitstoot verminderen (beide 26%). Michael Helmer, Adjunct-directeur Schade Zakelijk bij a.s.r.: “De inflatie van het afgelopen jaar heeft ondernemers extra doen nadenken over effectieve maatregelen die goed zijn voor hun portemonnee en het milieu. Dat gaat vaak over het verduurzamen en verminderen van energieverbruik door zonnepanelen, een warmtepomp of het gebruik van ledverlichting. Het is geweldig om te horen dat ondernemers hier zo mee bezig zijn, want ook met op het eerste oog kleine initiatieven kan het mkb een grote bijdrage leveren aan verduurzaming.”

Als het gaat om groene energie gebeurt er veel, zoals het installeren van zonnepanelen of een zonneboiler (54%), betere isolatie van het bedrijfspand (51%) en ‘van het gas af’(28%). De overstap naar groene energie wordt vooral gedreven door de wens om de hoge energiekosten te verminderen (63%), maar ook omdat ondernemers geven om het milieu (54%).

Grootste obstakels: hoge investeringen en snelle innovatie

Ondanks dat bedrijven verduurzaming belangrijk vinden, is maar liefst een derde van hen niet op de hoogte van de risico’s bij het verduurzamen. Slechts een kwart onderkent dat er reële risico’s zijn en 44% denkt dat de risico’s minimaal zijn. De grootste risico’s zijn volgens ondernemers hoge investeringen die zich maar langzaam terugverdienen (48%), dat er geen constante beschikking is over energie bij zonne-energie (37%) en dat materieel of gekozen oplossingen snel verouderen in een constant innoverende markt (25%).

Ondernemers zijn niet alleen onvoldoende op de hoogte van de risico’s die verduurzaming met zich mee kan brengen. Zo denkt maar 28% aan preventiemaatregelen. Michael Helmer licht toe: “We zien dat ondernemers die wel maatregelen nemen, dat bijvoorbeeld doen door een periodieke elektrakeuring, het inhuren van een gecertificeerd bedrijf bij de uitvoering van verduurzamingsmaatregelen en onderhoud van blusmiddelen. Dat zouden we meer ondernemers adviseren.”

* Onderzoek uitgevoerd door Direct Research in opdracht van a.s.r. onder 306 MKB bedrijven. Respondenten zijn eigenaar van het bedrijf of beslissingsbevoegd op het gebied van duurzaam ondernemen.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Op het terrein van het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) aan het Oosterpark heeft stadsdeelbestuurder Rick Vermin op dinsdag 14 februari het startsein gegeven voor de aanleg van een ondergrondse warmte-koude opslag (WKO). Met behulp van deze WKO en de installatie van warmtepompen, gaat het KIT haar historische gebouw, het grootste rijksmonument van Amsterdam, nog dit jaar gasvrij verwarmen en koelen. Ook het KIT Hotel, dat momenteel wordt gerenoveerd, zal gebruik maken van de installatie.

Duurzaam hotel en monument

De aanleg van de WKO is een cruciale stap in de verduurzaming van de gebouwen, waaraan het KIT al jaren werkt met duurzaamheidsexperts van De Groene Grachten, een bedrijf dat in het KIT gevestigd is.

“Het is een forse investering, ook in tijd: we zijn feitelijk al zeven jaar bezig met de duurzaamheidsexperts van De Groene Grachten om stap voor stap onze gebouwen voor te bereiden op een gasvrije toekomst” zegt Louis van den Berghe, CFO van het Koninklijk Instituut voor de Tropen. “De vervanging van de gasgestookte verwarmingsketels door warmtepompen en warmte-koude opslag onder de grond, is een van de laatste stappen die gezet moet worden voordat wij de gaskraan geheel dicht kunnen draaien”.

Stadsdeelbestuurder Rick Vermin: “Het is een geweldig voorbeeld voor de stad dat het KIT als rijksmonument en met zo’n groot gebouw van het gas af kan. De organisatie neemt hierin een voorloperspositie, en laat zien dat je als Amsterdam, stad vol monumenten, heel goed kan verduurzamen”.

“Het formuleren van een duurzame ambitie is stap één. Maar het ook écht doen, en in dit tempo, dat getuigt van lef. Als verduurzamen hier kan, dan kan het overal”, aldus Suze Gehem van De Groene Grachten.

Gasvrij Erfgoed

De vervanging van KIT’s gasketels door warmtepompen en ondergrondse warmte-koude opslag wordt uitgevoerd door Linthorst Techniek. Het bedrijf heeft de nodige ervaring met de oplevering van gasvrije verwarming en koeling in bestaande gebouwen, ook in de erfgoed sector, maar dit is wel het grootste rijksmonument dat door het bedrijf is aangepakt.

“Door de inzet van onze hoge temperatuur warmtepompen hoeven we weinig te veranderen aan de binneninstallaties”, zegt Arend Jan Kamphuis, Engineer bij Linthorst. “Het zorgt ervoor dat de impact in een monumentaal pand minimaal is. In zo’n prachtig gebouw als het KIT, wil je natuurlijk zorgen voor het behoud van alle originele elementen.”

Over het KIT

Het Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) is een kenniscentrum, hospitality venue en bedrijfslocatie voor duurzame ontwikkeling in Amsterdam.

Geïnspireerd door de Sustainable Development Goals (SDG’s) van de Verenigde Naties, zien wij het als onze missie om bij te dragen aan een inclusieve en duurzame wereld. Het historische KIT-gebouw, een rijksmonument uit 1926, en onze campus aan het Oosterpark is een toonaangevende hotspot voor duurzaamheid in de stad. Het huisvest o.a. expertise- en opleidingscentrum, faciliteiten voor conferenties en evenementen, een café-restaurant, en het KIT Hotel in een apart gebouw.

We zijn ook de thuisbasis van SDG House: een community van experts, sociale ondernemers en NGO’s. Er werken op het KIT inmiddels meer dan 1500 mensen bij zo’n 70 bedrijven en organisaties. Het Tropenmuseum, dat sinds 2015 als organisatie los van het KIT is komen te staan, bevindt zich ook nog steeds in het monumentale gebouw.

KIT is een vereniging zonder winstoogmerk. De opbrengsten uit de commerciële activiteiten van het KIT, waaronder het KIT Hotel, dragen bij aan de ideële missie van de organisatie.

Foto:  (van links naar rechts): Suze Gehem, Directeur van De Groene Grachten, Stadsdeelbestuurder Rick Vermin (Stadsdeel Oost), KIT CFO Louis van den Berghe, en KIT CEO Henri van Eeghen starten de boormachine voor de aanleg van een ondergrondse warmte-koude opslag op het KIT-terrein. (Foto credits: Wouter Zaalberg).

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De businesscase voor flexibel energieverbruik verbetert sterk de komende jaren. Dat komt door de hoge energieprijzen en de sterke groei van duurzame elektriciteit uit zon en wind. Jaarlijks zijn richting 2030 miljarden te besparen met investeringen in flexibele apparaten. Zo’n investering  verdient zich dan in een paar jaar terug. Dat blijkt uit onderzoek van Recoy voor een drietal technieken in opdracht van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE). “Bedrijven die meebewegen met het weer besparen veel geld en uitstoot, want schone stroom is vaak goedkope stroom,” zegt Olof van der Gaag, voorzitter NVDE.

Recoy zette de businesscase voor drie al functionerende flexibele technieken op een rij. Door te investeren in een batterij van drie megawatt kan een bedrijf wel €700.000 per jaar besparen op de energierekening. Een 5 MW elektrische boiler kan €500.000 per jaar opleveren en het flexibel opereren van een vrieshuis scheelt zonder investeringskosten €10.000 euro per jaar. Afgezet tegen de investeringskosten, betekent dat voor de terugverdientijden 2-6 jaar (e-boiler), 3-5 jaar (batterij) en pure winst in het geval van het koel-vriessysteem omdat daar geen extra investeringen voor nodig zijn.

“Binnen de industrie zijn aanzienlijke kostenbesparingen mogelijk. Bij de juiste commerciële en technische omstandigheden kunnen bedrijven landelijk miljarden per jaar verdienen richting 2030,” zegt Robert Kleiburg, Managing Director van Recoy. Daarnaast zorgt deze voor een CO2-reductie van meerdere megatonnen per jaar. Dit komt doordat deze bedrijven meer zon en wind gebruiken en minder hoeven terug te vallen op kolen- en gascentrales.

Bij deze berekening is ervan uitgegaan dat commerciële en technische omstandigheden goed zijn voor het ontwikkelen van flexibel gebruik van energie. Het is met name nodig dat er voldoende infrastructuur en materialen beschikbaar zijn en contracten waarin flexibiliteit een prijs krijgt.

“Dit onderzoek laat zien dat flexibiliteit loont, met als prachtige bijvangst dat ons energiesysteem beter profiteert van de snelle groei van zon en wind en netbeheerders worden ontlast,” zegt Van der Gaag.

Door de snel groeiende opwek van zonne- en windenergie zijn er steeds vaker overschotten op de markt, met lage of zelfs negatieve prijzen. Dat zal alleen maar toenemen. Omdat de gemiddelde energieprijzen hoog zijn, loont het voor bedrijven bij uitstek om nu te investeren in technieken om die ‘overtollige’, goedkope stroom flexibel te benutten. Door elektriciteit op te slaan (in warmte, in koude of in een batterij) en te gebruiken op een moment dat de prijzen juist hoog zijn, of door je productie op de prijzen aan te passen. Dat is niet alleen goed nieuws voor ondernemers, maar ook voor het klimaat en ons energiesysteem, dat zulke flexibele capaciteit keihard nodig heeft.

Volgens de recent door PBL gepubliceerde Klimaat en Energieverkenning is het percentage duurzame elektriciteit in 2030 al 85 procent. Daarmee wordt het de hoogste tijd te investeren in flexibele, CO2-vrije capaciteit. Immers: er zijn ook dagen dat zon en wind veel minder of zelfs niet beschikbaar zijn. Slim omgaan met pieken kan op korte termijn bovendien helpen om filevorming op het net (‘congestie’) te verhelpen. De industrie heeft allerlei opties om slim en flexibel om te gaan met de ‘overtollige’ stroom, bedrijfsspecifiek vertrouwelijk inzicht kan ook verkregen worden met de Value Flex Tool van TenneT. Opties zijn bijvoorbeeld batterijen, de omzetting van stroom naar warmte (e-boilers, e-heaters of opslag in buffervaten) of koude (koel- en vrieshuizen), opslag in halffabricaten (vooruit produceren) of het opslaan van stroom in elektrische busjes en trucks.

Foto: Vattenfall

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Klimaatactivisten eisten vorige week wederom dat universiteiten de banden met de fossiele sector verbreken. Maar een groep wetenschappers is kritisch. Het zou de verduurzaming juist schaden.

Volgens wetenschappers in Amsterdam en Utrecht zijn bedrijven als Shell onmisbaar bij het onderzoek naar groene energie. Universiteiten zouden daarom niet meteen de uitgestoken hand van deze bedrijven moeten afslaan als ze het klimaat willen verbeteren, zoals klimaatactivisten van hen verlangen.

Ondoordacht

Dertig hoogleraren en onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam (UvA) schreven een kritische open brief over het besluit van hun universiteit om nieuwe samenwerkingsprojecten met de fossiele industrie voorlopig af te houden. “Samenwerking met een breed spectrum van private partijen is juist hard nodig om de energietransitie te realiseren en de klimaatdoelen te halen”, zegt een medeondertekenaar tegen nieuwsplatform Folia.

Het moratorium van de UvA zou ondoordacht zijn. Want fossiele bedrijven zoals Shell hebben “veel kennis en faciliteiten die essentieel zijn om de resultaten van ons onderzoek op grote schaal toe te passen in de praktijk”, menen de critici. Door het op voorhand afwijzen van mogelijke samenwerkingen zou de universiteit bovendien hun academische vrijheid ook inperken.

Balanceeract

Rector magnificus Henk Kummeling van de Universiteit Utrecht (UU) ziet het direct stoppen met samenwerking ook niet als een optie. In een interview met nieuwsplatform DUB sprak hij over de dertien Utrechtse onderzoeksprojecten die deels worden gefinancierd door de fossiele industrie. Dat zou groen onderzoek juist stimuleren, meent hij. “We helpen Shell namelijk echt niet meer met het oppompen van olie.” Utrechtse wetenschappers vertellen hem dat het bedrijf “een bepaalde infrastructuur heeft” die ze goed kunnen gebruiken.

Wel wil de bestuurder dat de samenwerking “transparanter” wordt en dat het budget van het olieconcern voor de energietransitie omhooggaat. “Het is allemaal deel van een ingewikkelde balanceeract”, zegt Kummeling. “We moeten bedrijven als Shell zowel helpen als overtuigen”.

Toen op 13 december vorig jaar klimaatactivisten van University Rebellion en End Fossil Occupy aan de TU/e hun bezettingsactie na een week beëindigden maakte collegevoorzitter Robert-Jan Smits bij die gelegdenheid het standpunt van het CvB over samenwerking met de fossiele industrie bekend: “Dat we als onderdeel hiervan (het bestrijden van klimaatverandering en het bevorderen van duurzaamheid, red.) met de fossiele industrie uitsluitend nog willen samenwerken op renewables en duurzaamheid, hebben we bevestigd. Het bieden van meer transparantie hoort daarbij.”

[ad_2]

Source link

Een duurzame vloer is niet alleen goed voor het milieu, maar ook voor je portemonnee op de lange termijn. Er zijn echter veel factoren om rekening mee te houden bij het kiezen van een duurzame vloer, zoals de materiaalkeuze, de productiemethode en de levensduur. Het is van belang om te beginnen bij de basis. In deze blog bespreken we waar je op moet letten bij het kiezen van een duurzame vloer, zodat je een weloverwogen keuze kunt maken die past bij jouw levensstijl en waarden.

Vloer laten egaliseren

Het egaliseren van de vloer is een belangrijk proces wanneer je een nieuwe vloer wilt laten leggen. Een egale en vlakke ondergrond zorgt ervoor dat de nieuwe vloer mooi en strak gelegd kan worden en dat deze langer meegaat. Een ongelijke vloer kan namelijk zorgen voor drukpunten en scheurtjes in de vloer, wat kan leiden tot beschadigingen en een kortere levensduur. Het egaliseren van de vloer zorgt er dus voor dat je vloer er niet alleen mooier uitziet, maar ook langer meegaat. Het is dan ook zeker de moeite waard om hierin te investeren, zodat je lang van je nieuwe vloer kunt genieten.

Soorten duurzame vloeren

Er zijn veel verschillende soorten duurzame vloeren, iedere vloer heeft unieke eigenschappen en zijn voor- en nadelen. Het is belangrijk om te weten wat de opties zijn, zodat je de juiste keuze kunt maken. Een nieuwe vloer kopen is een hele investering en je wil dus ook dat die past bij jouw wensen en behoeften. Hieronder staan de twee duurzaamste vloeren beschreven.

  1. De natuurstenen vloer: heeft een levenslange levensduur, en is gemaakt van gesteente afkomstig uit de natuur. Enkele voorbeelden zijn; marmer, graniet of kalksteen.
  2. De houten vloer: heeft een levensduur tussen de 20 en 40 jaar. Een duurzame houten vloer is gemaakt van verantwoord gekapt hout uit beheerde bossen.

Andere (redelijk) duurzame vloeren zijn: gietvloeren, linoleum, natuur rubberen vloer of de parketvloer.

Waar moet je op letten bij een duurzame vloer?

Bij het kiezen van een duurzame vloer zijn er verschillende factoren waar je op moet letten. Hieronder staan een paar van die factoren.

  1. Materiaalkeuze: kies voor een materiaal dat duurzaam is en een lange levensduur heeft, denk hierbij aan hout, bamboe of steen.
  2. Productiemethoden: ga na hoe het materiaal geproduceerd wordt en of dit op een duurzame en verantwoorde manier gebeurt.
  3. Keurmerken: controleer of het product een duurzaamheidskeurmerk heeft, zoals FSC of PEFC.
  4. Onderhoud: vraag naar het onderhoud dat nodig is voor de vloer. Past dit bij jouw levensstijl?

Al met al zijn er verschillende factoren om rekening mee te houden bij het kiezen van een duurzame vloer. Door de vloer te laten egaliseren in combinatie met een nieuwe duurzame vloer, ben je al behoorlijk milieubewust bezig. Vind je duurzaamheid belangrijk, en wil je hier meer over weten? Klik dan hier. Samen voor een groenere toekomst!

Berichten paginering