[ad_1]

Om een fiftyfifty kans te hebben op het halen van het 1,5 gradendoel van Parijs kon de wereld begin 2020 nog 500 gigaton CO2 uitstoten. Daarvan is nu, drie jaar later, nog slechts 380 gigaton over. Hierdoor overschrijden we in vrijwel alle scenario’s de 1,5 graden opwarming tussen 2030 en 2035: tien jaar eerder dan verwacht in het vijfde synthese-rapport van het IPCC (AR5) uit 2014. Desondanks is het nog steeds mogelijk de opwarming aan het einde van de eeuw tot 1,5 graden te beperken met hooguit een beperkte overschrijding. Dat concludeert het zesde synthese-rapport (AR6) van het IPCC vandaag, waaraan onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) intensief hebben meegeschreven.

Beslissend moment voor 1,5 graden

De wereld was in het afgelopen decennium al 1,1 graden warmer dan in 1850, waarbij de opwarming boven land (1,6 graden) beduidend sneller gaat dan boven de oceanen (0,8 graden). Om af te koersen op het 1,5 gradendoel van Parijs moet de wereldwijde broeikasgasuitstoot in 2030 ruim 40% lager liggen dan in 2019 en zo’n 70% lager in 2040, om vervolgens rond 2050 op netto nul CO2-emissie uit te komen. Voor ‘ruim onder de 2 graden’ zijn de benodigde reducties ten opzichte van 2019 20% in 2030, bijna 50% in 2040 en netto nul CO2-emissie in de tweede helft van de eeuw. In vrijwel alle scenario’s spelen methodes om CO2 uit de lucht te verwijderen een rol. De reducties zijn technologisch haalbaar. Halvering van de wereldwijde uitstoot in 2030 is mogelijk met maatregelen die minder dan 100 dollar per ton CO2-reductie kosten, constateert het IPCC.

Alle wetenschap over klimaat samengebracht in synthese-rapport

Het synthese-rapport van het IPCC biedt een overzicht van alle wetenschappelijke kennis over klimaat aan beleidsmakers. De afgelopen jaren zijn drie onderliggende deelrapporten verschenen naast drie speciale rapporten. Dit nieuwe synthese-rapport brengt alle kennis hieruit op een overzichtelijke manier samen. In de komende jaren zal het synthese-rapport de basis vormen voor nieuwe klimaatplannen van overheden.

Elke 0,1 graad opwarming telt

Het rapport toont hoe onvermijdelijk en urgent het beperken van klimaatverandering is, maar ook dat beleid om ons aan te passen aan een warmere en onberekenbaardere wereld onvermijdelijk is. Mede-auteur Detlef Van Vuuren (onderzoeker van klimaatscenario’s bij het PBL en hoogleraar aan de Universiteit Utrecht): “De beslissingen die in de komende tijd genomen worden zullen in belangrijke mate bepalen of we de Parijsdoelen halen. Zonder een forse aanscherping van beleid zal dit het laatste IPCC-rapport zijn waarin het bereiken van 1,5 graden nog mogelijk is. Mocht dit doel echter niet worden gehaald, dan geldt nog steeds dat we maximaal aan de slag moeten. Elke 0,1 graad telt.”

Klimaatverandering en zeespiegelstijging steeds duidelijker zichtbaar

Veel meer dan ten tijde van eerdere klimaatrapporten zijn de gevolgen van klimaatverandering nu al duidelijk zichtbaar. In de afgelopen jaren kwamen extreme neerslag, droogte en hittegolven vaker voor. De zeespiegel is sinds 1900 gestegen met 20 centimeter. Het is duidelijk dat de zeespiegel tot ver na 2100 zal blijven stijgen met een snelheid die sterk wordt bepaald door de uitstoot van broeikasgassen vanaf nu. Door zeespiegelstijging worden na 2100 aan de Nederlandse kust extreme waterhoogtes, die nu eens per eeuw voorkomen, tien tot vijftig keer frequenter dan nu. Mede-auteur van het rapport Aimée Slangen, zeespiegelonderzoeker bij het NIOZ: “Het synthese-rapport benadrukt dat aanpassing aan klimaatverandering en zeespiegelstijging op verschillende manieren mogelijk is, maar zonder snelle beperking van verdere opwarming is het dweilen met de kraan open.”

Huidig beleid is nog steeds ruim onvoldoende

Sinds het Parijsakkoord in 2015 hebben veel landen aanvullend klimaatbeleid geformuleerd om de opwarming tot 2 graden te beperken. Maar volgens de beste inschatting koerst de wereld met het huidige beleid af op ongeveer 3 graden (2,2 tot 3,5) opwarming in 2100. Daarmee blijven de Parijsdoelen (ruim onder de 2 graden, bij voorkeur 1,5) nog buiten bereik. Er is dus sprake van zowel een gebrek aan ambitie (de huidige doelstellingen van landen zijn nog onvoldoende) als een tekort aan implementatie (landen voeren nog onvoldoende uit wat ze beloven). Een snelle aanscherping van beleid is noodzakelijk. Het IPCC waarschuwt dat met iedere 0,1 graad bovenop 1,5 graden opwarming de risico’s op weersextremen als neerslag, droogte en hittegolven toenemen. Ontwrichting van kwetsbare ecosystemen (zoals warmwaterkoralen en polaire gebieden) dreigt hierdoor, terwijl ruim 3 miljard mensen leven in gebieden die gelden als bijzonder kwetsbaar.

Emissiereducties in alle sectoren op korte termijn

Deze zesde rapportenreeks van IPCC is de eerste na het afsluiten van het Parijsakkoord. De broeikasgasuitstoot was in het afgelopen decennium (2010-2019) in absolute zin hoger dan ooit, hoewel de groei afvlakte, mede dankzij het huidige beleid. Effectief, sneller en rechtvaardig klimaatbeleid is de komende jaren nodig om de wereld op een veilige koers te brengen. Daarvoor zullen broeikasgasemissies in alle sectoren op korte termijn moeten dalen. Snelheid is ook geboden om stranded assets zoveel mogelijk te voorkomen: investeringen in fossiele installaties en infrastructuur die vroegtijdig ontmanteld moeten worden.

Hoopvolle ontwikkelingen

De afgelopen jaren tekenden zich verschillende hoopvolle bewegingen af. Zonne- en windenergie, efficiënter energiegebruik, elektrificatie, groene infrastructuur in stedelijke gebieden, herbebossing en het verminderen van voedselverspilling zijn technisch goed mogelijk, worden steeds goedkoper en kunnen rekenen op brede publieke steun.

Grote gezondheidswinst door klimaatbeleid

Een belangrijk neveneffect van de energietransitie is dat luchtverontreiniging sterk afneemt bij minder verbranding van olie, gas en kolen. Hierdoor is klimaatbeleid welzijnsverhogend. Alleen al de economische waarde van gezondheidswinst door schonere lucht is waarschijnlijk vergelijkbaar met de kosten van klimaatbeleid. Het rapport laat zien dat beleidsmakers, industrie en samenleving samen kunnen werken om veranderingen door te voeren en een duurzame toekomst te garanderen voor iedereen.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De energievoorziening in Nederland gaat veranderen. Maar hoe de energietransitie precies vorm krijgt, is nog onduidelijk. Uit onderzoek van Berenschot, Arcadis en TNO blijkt dat de volumes gevaarlijke stoffen (zoals waterstof en ammoniak) die nodig zijn om de energietransitie te bespoedigen enorm kunnen toenemen. Om deze ontwikkelingen veilig te laten verlopen, dienen de energietransitie en de (omgevings)veiligheid nu al een plek te krijgen in beleid, wet- en regelgeving en risicobeperkende maatregelen.

Drie varianten

In dit onderzoek zijn mogelijke ontwikkelingen geschetst aan de hand van drie varianten: twee gebaseerd op (Europese) beleidsvoornemens en een op de ambities van marktpartijen. In alle gevallen is er op korte termijn behoefte aan import van hernieuwbare waterstof, voornamelijk per schip in de vorm van ammoniak. Er bestaat al een wereldmarkt voor en ammoniak is per schip eenvoudiger in grote hoeveelheden te transporteren dan waterstof zelf. Bij twee van de drie varianten kan het dan gaan om megatonnages ammoniak voor de industrieclusters rond de grote havens. Een deel is voor de industrieclusters rond de grote havens. Het overgrote deel van de import is echter het gevolg van de waterstofbehoefte in Duitsland en de doorvoer naar het achterland. Ook zal er import en doorvoer naar België via de Westerschelde en doorvoer vanuit België door Nederland plaatsvinden.

Veiligheidsbeleid onder druk

Waterstof speelt straks een belangrijke rol in de verduurzaming van de energievoorziening. De kans dat fossiele brandstoffen tegelijkertijd compleet verdwijnen, is op korte termijn (tot 2035) niet heel groot. Het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor neemt daarmee naar verwachting flink toe. Het is daarbij niet de vraag óf huidig veiligheidsbeleid rond gevaarlijke stoffen (het zogenaamde Basisnet) onder druk komt te staan, maar wanneer en voor welke transportmodaliteit en op welke plek als eerste. Naast een grote belasting van de infrastructuur en verhoging van risico’s trekt transport van gevaarlijke stoffen een grote wissel op stedelijke ontwikkeling in de buurt van spoor, water en wegen, omdat de potentiële effecten van een incident heel ver kunnen reiken.

Proactief handelen

Om de hoeveelheden waterstof of ammoniak uit de midden- en hoge variant van deze studie vervoerd te krijgen, is het beschikbaar komen van grote ammoniakkrakers, buisleidingen voor waterstof en een ammoniakbuisleiding nodig. Ook andere modaliteiten, zoals transport via spoor en water, zullen een rol van betekenis blijven spelen, zeker in de periode die nodig is om die krakers en buisleidingen gereed te maken. Om ontwikkelingen rond waterstof en bijbehorende transportstromen veilig te laten verlopen, dienen (omgevings)veiligheidsaspecten en risicobeperkende maatregelen nu al de juiste aandacht en plek te krijgen in alle relevante wet- en regelgeving. Volgens de onderzoekers is daarnaast in ieder geval visieontwikkeling onder regie van de rijksoverheid noodzakelijk, om te voorkomen dat in een later stadium (duurdere) maatregelen nodig zijn om de veiligheid alsnog te borgen.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Er komt een plafond voor de hoeveelheid CO2 die de luchtvaart, vertrekkend vanuit Nederland, mag uitstoten. Dat heeft het kabinet op voorstel van minister Harbers van Infrastructuur en Waterstaat besloten. Het CO2-plafond gaat ervoor zorgen dat de doelen voor de reductie van CO2 door de luchtvaart worden gehaald.

Voor de meeste sectoren zijn de klimaatdoelen voor de komende jaren al vastgelegd in de klimaatwet, maar voor de luchtvaart is dat niet het geval. Met het CO2-plafond worden ook de doelen voor de luchtvaart in een wet vastgelegd.

In 2019 werd het Akkoord Duurzame Luchtvaart gesloten tussen de luchtvaartsector, kennisinstellingen en de overheid (de Duurzame Luchtvaarttafel). Met het plafond ontstaat er een prikkel voor zowel de sector als de overheid om werk te maken van de afspraken over verduurzaming van de luchtvaart.

Het plafond zal gelden voor uit Nederland vertrekkende, internationale vluchten. Het maximum aan CO2-uitstoot dat per luchthaven wordt vastgesteld zal voor meerdere jaren gelden, zodat een overschrijding in één jaar kan worden gecompenseerd in volgende jaren.

De afgelopen tijd is gekeken naar drie varianten voor een CO2-plafond. De variant waarbij er per luchthaven een plafond wordt ingesteld bleek als enige uitvoerbaar en te verenigen met internationale regelgeving.

De komende tijd wordt het CO2-plafond verder uitgewerkt. Daarbij zullen stakeholders worden betrokken, waaronder de Duurzame Luchtvaarttafel onder voorzitterschap van Lodewijk Asscher. De ambitie is om het plafond in 2025 in te voeren.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Bij de opzet van het Klimaatakkoord dat in 2019 onder leiding van Ed Nijpels tot stand kwam, werd de status quo beschermd. Fundamentele veranderingen bleven onbesproken, en de belangen van grote bedrijven werden goed bewaakt. Dat concludeerde onderzoeksbureau TNO in een rapport dat meer dan een jaar stof lag te verzamelen en dat pas vorige week werd gepubliceerd. Critici waarschuwen dat de fouten van toen zich dreigen te herhalen, nu Nederland zich opmaakt voor een Landbouwakkoord. Dit bericht onderzoeksplatform Follow the Money.

In het in juni 2019 gesloten Klimaatakkoord spraken de overheid, bedrijven, vakbonden en ngo’s af hoe Nederland in 2030 de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990 met 49 procent moet hebben gereduceerd. Er waren sectortafels voor onder andere ‘industrie’, ‘landbouw’ en ‘elektriciteit’ waar deelnemers maatregelen bedachten voor die sectoren.

Over het rapport

Wie schreef het Klimaatakkoord? In het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het Klimaatakkoord van 2019, bedoeld om de nationale reductiedoelstellingen te halen, was ruimte voor nauwe betrokkenheid van verschillende stakeholders. Door maatschappelijke actoren uit  verschillende sectoren een prominente plek te geven aan de sectortafels, is getracht tot een akkoord te komen dat aansluit bij de mogelijkheden, beperkingen en behoeften van actoren die uiteindelijk door klimaatbeleid geraakt zullen worden. Maar tegelijkertijd hebben sommige van diezelfde actoren grote economische belangen in de koers van het klimaatbeleid – belangen die mogelijk niet (volledig) stroken met het hoofddoel om klimaatverandering zo effectief mogelijk terug te dringen.

Het rapport heeft als doel om inzichtelijk te maken uit welke koker(s) de  gemaakte klimaatafspraken komen: welke belangen zijn vertaald in het Klimaatakkoord, en welke belangen worden niet gediend door het Akkoord? Op basis van 34 interviews met stakeholders en publieke actoren is onderzocht hoe de opzet van het klimaattafeloverleg de selectie van deelnemers bepaalde, welke verduurzamingsopties en aanverwante thema’s wel en niet besproken werden, hoeveel ruimte verschillende belangengroepen hadden om zelf onderwerpen te agenderen, en hoe dit verloop uiteindelijk de uitkomst – het Klimaatakkoord – heeft bepaald.

Lees het volledige artikel

Beeld: ©EZK / Valerie Kuypers

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Evenementencomplex Brabanthallen ‘s-Hertogenbosch is recentelijk voorzien van 5.000 zonnepanelen op het dak, waardoor het gebouw nu meer energie levert dan het verbruikt. Dit is voor de Brabanthallen een logische ontwikkeling in hun stappen richting duurzaamheid. Bij Brabanthallen ‘s-Hertogenbosch staat duurzaamheid hoog in het vaandel. Als één van de grootste evenementencomplexen van Nederland wordt dan ook graag gekozen voor milieuvriendelijke oplossingen. Het dak is nu voorzien van 5.000 zonnepanelen waardoor het complex meer energie levert dan het verbruikt. In één jaar leveren de panelen ca. 1.600.000 kWh, wat overeenkomt met het verbruik van 586 huishoudens bij een gemiddeld elektriciteitsverbruik per huishouden van 2.730 kWh/jaar.

Gecombineerd project

Het gaat om een gecombineerd project voor solar-installatie (pv-panelen) en dakrenovatie. Eerst is het dak voorzien van witte dakbedekking en zijn de daken na-/bij-geïsoleerd. Door de witte dakbedekking wordt de opwarming door het dak in de hallen verminderd. Met extra isolatie wordt opwarming door het dak in de zomer en het warmteverlies vanuit de hallen in de winter verminderd. Vervolgens zijn er 5.000 zogenaamde amorfe, ook wel flexibele zonnepanelen genoemd, aangebracht door middel van een lichtgewicht plaksysteem. Een mooie oplossing voor een lichte constructie. De panelen wegen slechts 4 kg/m2, waardoor er weinig gewicht aan de daken is toegevoegd zodat er nog voldoende gewicht in de dakconstructies kan worden gehangen voor de evenementen in de Brabanthallen.

Duurzaamheid

Een belangrijke overweging bij de aanschaf van de zonnepanelen is uiteraard duurzaamheid. Zonne-energie is een bron van groene, duurzame energie. Zonnepanelen zorgen voor flink wat minder CO2 uitstoot. Daarnaast biedt het gebruik van zonnepanelen financiële voordelen, wat geen overbodige luxe is met de huidige energieprijzen. De opbrengst van de 5.000 zonnepanelen is ongeveer 1,6 miljoen kilowattuur per jaar. Het eigen stroomgebruik door Brabanthallen is wisselend. Dit kan op het ene moment meer dan 100% van het vermogen van de zonnestroominstallatie zijn en soms wordt er nauwelijks stroom gebruikt.

Duurzaamheid wordt steeds belangrijker voor bedrijven. Eerder was Brabanthallen ‘s-Hertogenbosch al overgegaan op LED-verlichting, wat een langere levensduur heeft en al snel tot 90% minder energie verbruikt dan andere verlichting. Daarnaast is de LED-verlichting bij Brabanthallen gekoppeld aan bewegingssensoren waardoor ze niet continu aan staan. In de loop van dit jaar zal Brabanthallen het parkeergebied uitbreiden waarbij ook een gedeelte bestemd is voor laadpalen. Zo kunnen bezoekers van evenementen, maar ook bewoners uit de omgeving, hun elektrische auto’s daar opladen.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De energietransitie leeft sterk onder industriële bedrijven in de Rotterdamse haven. Dat blijkt uit onderzoek van Actemium onder toonaangevende bedrijven in de industrie. De meeste bedrijven volgen een ambitieuze strategie met concrete doelen. Daarmee willen ze vooral hun energiekosten verlagen, maar bijvoorbeeld ook het bedrijfsimago versterken en operationeel blijven. En voor een duurzamer energiegebruik heeft groene waterstof de meeste potentie.

Het onderzoek dat Actemium vorig jaar uitvoerde, had een zeer hoge respons van 68%. “Alleen hieruit blijkt al hoezeer de energietransitie in de industrie leeft”, zegt Koen Staffeleu, Director Business Development & Green Hydrogen van Actemium. In totaal toonden circa 100 personen zich bereid deel te nemen aan het onlineonderzoek. Het betreft vooral directeuren en projectmanagers maar ook veel engineers en technical managers. Ruim 80% vindt de energietransitie van (groot) belang voor hun bedrijfsonderdeel en is als medebeslisser (52%) of beïnvloeder (29%) erbij betrokken. Slechts één op de twaalf vindt de energietransitie niet of nauwelijks belangrijk.

Inspirerende benchmark

“Rotterdam is een wereldhaven met toonaangevende (chemische) industrie voor wie de energietransitie veel impact heeft, tot ver daarbuiten”, stelt Staffeleu. “Wij wilden de kennis en ideeën van de verschillende bedrijven met elkaar verbinden en deelnemers tevens maximaal inspireren.” Het onderzoek was dus zowel middel als doel en daarom koos Actemium voor een benchmark: elke deelnemer kreeg na het invullen inzicht in zijn/haar positie ten opzichte van de andere industriële bedrijven. Hoewel de rapportage is afgerond, kunnen mensen alsnog deelnemen aan het onderzoek. Na het invullen ontvangt men direct een persoonlijke benchmark om inspiratie op te doen en te zien waar zij momenteel staan in de energietransitie.

Voordelen van de transitie

Twee derde van de respondenten zegt al een uitgewerkte strategie voor het doorvoeren van de energietransitie te hebben. Bovendien heeft 83% van de bedrijfsonderdelen er voldoende budget voor vrijgemaakt. De respondenten verwachten met de transitie op de eerste plaats de totale energiekosten te verlagen (60%). Daarna volgen in gelijke mate (42%): innovatie en vernieuwing van productieprocessen, versterken van het bedrijfsimago en bestaanszekerheid/license to operate. Slechts een kwart vertrouwt op het genereren van new business alsmede het aantrekken en vasthouden van personeel. Staffeleu: “Het zijn vaker innovators en early adopters die verwachten dat de transitie nieuwe investeerders en nieuwe markten oplevert in plaats van het reduceren van energiekosten.”

Strategische prioriteiten

De bedrijven richten hun strategie het vaakst op efficiënter en lager energieverbruik (80%). Op de tweede plaats (60%) staat vermindering van ongewenste emissies, gevolgd door verduurzaming middels een grotere inzet van duurzame brandstoffen, zoals waterstof en groene elektriciteit (54%). Voor slechts een op de drie heeft energie zelf opwekken/hergebruiken en/of elektrificatie van productieprocessen prioriteit. “Waarschijnlijk doordat havenbedrijven vaak heel veel energie nodig hebben en eigen opwekking daarin niet of onvoldoende kan voorzien”, aldus Staffeleu.

Concrete einddoelen

Voor de meeste bedrijven (71%) heeft de strategie een concreet einddoel, meestal uitgedrukt in een percentage CO2-reductie of duurzaam energiegebruik. Het hebben van zo’n einddoel vergroot de ambitie want 38% van hen wil dit vóór 2030 behaald hebben, 17% vóór 2040 en nog eens 17% vóór 2050. Grotere bedrijven denken het einddoel over het algemeen eerder te behalen dan kleinere organisaties. Hoewel 70% vindt dat hun bedrijfsonderdeel al (meer dan) voldoende aan de energietransitie doet, is de rest (30%) zo ambitieus dat zij de energietransitie nog onvoldoende en te traag vinden. Hoe belangrijker men de energietransitie vindt, des te meer haast om die te voltooien.

Energiegebruik

Het huidige energiegebruik wordt overheerst door fossiele brandstoffen als olie, kolen en gas (83%) terwijl 42% fossiele brandstoffen gebruikt voor het opwekken van grijze stroom. Twee derde van de bedrijven gebruikt (ook) duurzaam opgewekte (groene) stroom. Waterstof wordt slechts in geringe mate gebruikt door 15% (grijze waterstof op basis van fossiele brandstoffen) en 13% (groene/blauwe waterstof) van de deelnemers. Staffeleu wijt dat vooral aan het nog beperkte aanbod van groene waterstof en de mogelijkheden om CO2 op te slaan ten behoeve van blauwe waterstof (Carbon Storage).

Energie-efficiëntie

Bijna de helft van de industriële bedrijven is niet of weinig energie-efficiënt bezig. Daarentegen is ongeveer een kwart wel (zeer) energie-efficiënt. Gemiddeld genomen verwacht men dat het productievolume en het totale energieverbruik de komende vijf jaar zullen stijgen met respectievelijk 9% en 3%. Per saldo verwacht men energie-efficiënter te kunnen werken.

Duurzame energie

Bijna de helft van de industriële bedrijven in de Rotterdamse haven geeft aan op dit moment waterstof toe te passen, met name in hun productieprocessen. Alle bedrijven (100%) verwachten dat het gebruik van groene waterstof (en biobrandstoffen) over vijf jaar zal zijn gestegen. De bedrijven zetten groene waterstof duidelijk op nummer één als de grootste technologische verandering in de energietransitie. Daarnaast verwacht bijna twee derde ook een stijging in het gebruik van groene stroom.

Groene waterstof favoriet

Bijna driekwart van de industriële bedrijven denkt de grootste stappen naar verduurzaming van het energiegebruik te kunnen zetten in industriële productieprocessen. Circa 80% van de bedrijven ontwikkelt nu of binnen twee jaar initiatieven om hierin te verduurzamen. Bovenaan de lijst staan zonnepanelen (42%), gevolgd door groene waterstof (27%), walstroom (17%) en Carbon Capture & Storage (15%). Groene waterstof en Carbon Capture & Storage zijn ook op langere termijn prioriteit qua initiatieven. Groene waterstof vinden de bedrijven veruit (71%) de meest interessante vorm van waterstof voor hun energiesysteem.

Tempo en belemmeringen

De deelnemers aan het onderzoek noemen een groot aantal verschillende barrières die de energietransitie voor de Rotterdamse haven belemmeren. Onvoldoende aansluitcapaciteit voor de aanvoer van groene stroom wordt gezien als de belangrijkste bottleneck voor de energietransitie (38%). De belangrijkste andere belemmeringen zijn: gebrek aan (beschikbaar) talent (33%), gebrekkige wet- en regelgeving (29%), het ontbreken van de infrastructuur in de keten, zoals waterstofaanvoer (29%), onvoldoende kennis en ervaring binnen de organisatie (25%) en beperkingen in de huidige productieprocessen (23%).

Integrale samenwerking nodig

De meeste industriële bedrijven die deelnamen, denken in concrete oplossingen. “Op korte termijn richten die zich vooral op het afvangen van CO2. Maar dat CO2 moet ook getransporteerd en opgeslagen worden, bijvoorbeeld in ondergrondse lege gasvelden. Dat kan alleen in samenwerking met de overheid en andere landen”, weet Staffeleu. Op langere termijn liggen de oplossingen vooral in verduurzaming van de energiebronnen. “Groene waterstof, door middel van elektrolyse, staat daarbij op nummer één. Maar om voldoende aansluitcapaciteit voor en transport van groene stroom te bieden, moeten bedrijven samenwerken.”

Staffeleu is enthousiast over de hoge ambities en vele initiatieven van de industriële bedrijven in de haven van Rotterdam. “Maar om succesvol te zijn, vergt de energietransitie ook integrale ketensamenwerking en een optimale toepassing van technologische ontwikkelingen.” Om mensen bij elkaar te brengen en kennis te delen, nodigt hij iedereen uit tot deelname aan het benchmarkonderzoek energietransitie.

Foto: Overzicht van de Haven van Rotterdam met (chemische) industrie.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De uitstoot van broeikasgassen was 9 procent lager in 2022 dan in 2021. Dat komt vooral doordat er minder aardgas is verbruikt door de industrie, gebouwde omgeving en landbouw. Het belangrijke Urgenda-doel is daarmee gehaald. Dit blijkt uit een eerste raming van het CBS en het RIVM/Emissieregistratie over de uitstoot van broeikasgassen in 2022 volgens de IPCC-richtlijnen.

De uitstoot van broeikasgassen lag vorig jaar voor het eerst meer dan 30 procent onder het niveau van 1990. In de klimaatwet is de doelstelling vastgelegd dat de reductie in 2030 moet uitkomen op 55 procent.

Uitstoot broeikasgassen sterk verminderd in gebouwde omgeving, industrie en landbouw

De gebouwde omgeving heeft 21 procent minder broeikasgassen uitgestoten dan in 2021. Door de hogere aardgasprijzen is fors bezuinigd op het verbruik van aardgas. Ook was het vorig jaar zachter dan in 2021. Hierdoor is er minder aardgas gestookt voor de verwarming van huizen en kantoren.

De industrie heeft 11 procent minder broeikasgassen uitgestoten. Dat komt ook door de hoge aardgasprijzen. Grote aardgasintensieve industriële bedrijven (vooral aardolie- en chemische) hebben hun productieprocessen hierop aangepast door minder aardgas te verbruiken of hebben hun productie deels stilgelegd. Het verbruik van steenkolen en aardolieproducten door de industrie is vrijwel gelijk gebleven. De industrie heeft met 32 procent het grootste aandeel in de totale uitstoot van broeikasgassen.

Ook de glastuinbouw heeft door hoge aardgasprijzen activiteiten deels stilgelegd of afgeschaald. Dit in combinatie met meer zonuren en gemiddeld hogere temperaturen in 2022 leidde tot minder aardgasverbruik in de glastuinbouw. Hierdoor was de uitstoot van broeikasgassen in de landbouw 10 procent lager.

Uitstoot elektriciteitssector 5 procent lager

De elektriciteitssector, verantwoordelijk voor 20 procent van de uitstoot in 2022, stootte 5 procent minder broeikasgassen uit in 2022 dan een jaar eerder. Dit komt vooral doordat de productie van hernieuwbare elektriciteit in 2022 is gegroeid naar 40 procent. Door deze groei en de hoge aardgasprijzen hebben de aardgasgestookte elektriciteitscentrales minder aardgas verbruikt. De kolencentrales hebben vrijwel evenveel steenkool verbruikt als een jaar eerder.

De uitstoot door de sector mobiliteit, ten slotte, was nauwelijks minder dan in 2021.

Het CBS berekent ook de uitstoot van CO2 door alle Nederlandse economische activiteiten volgens de nationale rekeningen. Hierbij wordt in vergelijking met de uitstoot volgens de IPCC-definities ook de CO2-uitstoot van de internationale lucht- en zeevaart en de uitstoot door verbranding uit biomassa door personen en bedrijven behorend tot de Nederlandse economie meegenomen. In het bericht hieronder worden de CO2-emissies conform de berekeningswijze van de nationale rekeningen gepresenteerd.

Uitstoot CO2 Nederlandse economie ruim 8 procent lager in 2022

In 2022 is door alle Nederlandse economische activiteiten 8,4 procent minder CO2 uitgestoten dan in 2021. Hierbij zijn ook emissies van de Nederlandse zeevaart en luchtvaart buiten Nederland en de emissies door de verbranding van biomassa in Nederland meegeteld. Daarentegen steeg het bruto binnenlands product (bbp) met 4,5 procent in 2022. Gecorrigeerd voor het weerseffect kwam de daling van de CO2-uitstoot uit op 6,6 procent. De daling van de emissies door de Nederlandse economie komt vooral door het lagere verbruik van aardgas.

De transportsector stootte echter meer CO2 uit. Dit komt vooral door het gedeeltelijk herstel van de luchtvaart in 2022. De luchtvaart heeft ruim 32 procent meer CO2 uitgestoten dan in 2021. In vergelijking met 2019 was de uitstoot door de luchtvaart nog ruim 20 procent lager. Ook de binnenvaart heeft meer uitstoten dan in 2021. Daarentegen waren de emissies van het wegtransport en de zeevaart lager dan een jaar eerder.

CO2-emissieintensiteit Nederlandse economie verder gedaald in 2022

Na 2015 is de CO2-intensiteit van de Nederlandse economie onafgebroken gedaald. Dat betekent dat de CO2-efficiëntie van productieprocessen steeds meer verbetert. De broeikasgasintensiteit van de economie was in 2022 een vijfde lager dan in 2015.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

‘Versnelling van het klimaatbeleid voor de industrie, de mobiliteit en de gebouwde omgeving is nu vooral gebaat bij actie én het uitvoeren van alle bestaande plannen. ’Dat zeggen MKB-Nederland en VNO-NCW in een eerste reactie op het gisteren verschenen IBO-rapport ‘Scherpe doelen, Scherpe keuzes’.

Bespreken met de achterban

De organisaties gaan het rapport nu eerst nader bespreken met de achterban uit sectoren zoals de mobiliteit, de gebouwde omgeving en de industrie. Dit om te bezien of, en hoe, de nieuwe voorstellen uit het IBO-rapport kunnen bijdragen bovenop alle plannen die er al zijn vanuit het bedrijfsleven en de overheid.

Handelingsperspectief nodig voor investeringen

Wat volgens de organisaties wel opvalt is dat allerlei nieuwe extra maatregelen zijn bedacht, terwijl we in Nederland nu al zeer grote moeite hebben om de huidige plannen uitgevoerd te krijgen. ‘De aankondiging van al die nieuwe plannen vergroot de onzekerheid, waar bedrijven nu vooral behoefte hebben aan handelingsperspectief om te kunnen investeren. Dat is er nu vrijwel niet en hierdoor hapert de verduurzaming. Zo is het elektriciteitsnet vastgelopen, waardoor veel ondernemingen hun processen niet kunnen elektrificeren. Ook is er vaak geen enkel zicht op vergunningen voor bijvoorbeeld nieuwe energie-infrastructuur door de stikstofproblematiek.’

Praktische problemen oplossen

De ondernemersorganisaties wijzen als voorbeeld onder meer op de clusterplannen die gemaakt zijn door de zes grote industrieclusters. ‘Als we die plannen als bedrijfsleven kunnen gaan uitvoeren haalt de sector haar doelen volgens het PBL. Hiervoor is wel nodig dat infrastructuur (elektriciteit, CO2-opslag en waterstof) en vergunningen er komen en de middelen uit het klimaatfonds omgezet worden in concreet bruikbare instrumenten. Een extra heffing of verplichtingen helpen dan niets. Die verstoren het internationale speelveld waarschijnlijk alleen maar verder in een al onzekere tijd.’

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Startups working on groundbreaking technologies for adaptation and climate solutions have an important role to play in accelerating climate action. At Google, we want to foster a thriving ecosystem for startups advancing sustainability via AI-powered technology, and connect them with mentorship opportunities, technical expertise, and cloud technology that will help them grow. Out of the hundreds of amazing applications we received since announcing the program, we selected 14 startups that are tackling problems from crop insurance, to clothing resale platforms, to emissions reporting with technology. These groundbreaking companies are headquartered across seven different countries, focused on multiple verticals, and come with a diverse group of founder and executive backgrounds. Among them are the Dutch companies DayRize and Agcurate.

Meet the cohort

Climate change adaptation startups

Selected projects are using big data and AI to promote adaptation to the effects of climate change and preserve food security. Israeli AgroScout helps farmers monitor, detect and report on crops and supply chains, to ensure the quality of the produce and reduce carbon footprint and targeted chemical applications. It will be participating alongside Tel Aviv-based Albo Climate that uses deep learning to map, measure and monitor carbon sequestration to make it scalable. Also destined for agricultural ecosystems, Dutch Agcurate works with satellite-driven rural intelligence, offering crop assurance products to farmers and agri-retailers.

“Albo Climate’s vision is to adapt the mitigation potential of nature-based climate solutions by monitoring and forecasting carbon sequestration in vast ecosystems with high accuracy and transparency. The Google Accelerator is an incredible opportunity for Albo to bolster our go-to-market strategy, boost our proprietary AI models, and hone our UI interface. Integrating Google’s virtual machines will contribute to automating Albo’s system architecture and prediction process, allowing our clients to access the AI models and use them directly on the cloud, perform queries, and get their results quickly and securely,” said Dr Jacques Amselem, CEO, Albo Climate.

Helping manage natural resources more sustainably, Scottish Earth Blox leverages Google Earth Engine to provide accurate geospatial data to partners that need to make an assessment of forests or landcover, while Single.Earth, from Estonia, uses methods based on AI to evaluate and quantify forest health. Berlin-based Blok-Z traces, verifies and matches renewable energy generation and consumption with blockchain.

“Our goal is to offer energy retailers a product differentiator that enables them to sell renewable energy with complete verification of its origin. This is an excellent opportunity to pick some of the best brains in tech and use their expertise to improve our user experience and platform’s capabilities,” said Selim Satici, CEO & Cofounder, Blokz UG. “We are especially interested in learning more about Google Cloud’s services and blockchain tools, which can help us improve our core infrastructure.”

Sustainable supply chain startups

Artificial intelligence is critical to setting up more sustainable supply chains. Headquartered in Amsterdam, Dayrize, which enables companies with large product ranges to rapidly conduct ESG impact assessments of consumer products, may find similar technical challenges to Spanish BCome, which empowers textile businesses to build greener value chains. In the fashion vertical as well, Belfast-based RESPONSIBLE provides a solution to avoid over-consumption, allowing consumers to buy and trade pre-loved streetwear.

“Our ultimate goal is to grow circularity in the fashion industry and keep garments out of landfills. We hope Google’s AI technology and expertise in e-commerce/shopping can help us deliver an MVP of an industry-changing product within the timeframe of the program,” said Mark Dowds, Co-founder & CEO, Responsible.

Environmental impact measurement startups

Startups in this cohort are also developing tools to assess environmental impact across different sectors. Danish Legacy, working to simplify the carbon accounting and impact assessments of real estate portfolios, might find opportunities to collaborate with companies like Mortar IO, based in London, which is helping customers identify the low risk and cost routes to sustainable retrofitting. The UK’s ESGgen allows businesses to audit their environmental, social and governance measures, while German ecolytiq helps financial institutions provide their customers with environmental reporting. Finally, Germany-based eevie rewards employees that participate in their company’s decarbonization campaigns.

Resources for the startups

The cohort will meet for a bootcamp this month in Munich, working closely with Google teams and other subject matter experts to address product, engineering, business development, and funding. Much of the program will focus on providing startups with:

  • Tailored training support from Google mentors and industry experts, including in-person and virtual activities, one-on-one mentoring, and group learning sessions.
  • Dedicated Google Cloud technical expertise on the innovations that are helping solve some of climate change’s toughest challenges — cloud computing, AI, machine learning and geospatial analysis — to help these early stage participants accelerate their work.
  • Exposure to potential partners, venture capital firms and investors interested in climate change solutions.
  • Product credits via the Google for Startups Cloud Program, with the first year of Google Cloud and Firebase usage covered with credits up to $100,000 and an additional 20% costs covered up to $100,000 on year two1.

After 12 weeks, the program will culminate in a demo day on June 1, 2023. You can find more about the participants on the Google for Startups website.

 

Note: Bart Nollen, founder of DayRize will speak on the large congress on April,18: Purpose Day XL ‘The Road to Net Positive’

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Alfen, dé specialist in energieoplossingen in Nederland, opereert in het hart van de energietransitie om klimaatverandering tegen te gaan en breidt haar aanbod betreedbare stations uit met Altro: een nieuw, duurzaam, prefab en veilig betreedbaar station dat naar wens kan worden afgewerkt. Altro ondersteunt een grote verscheidenheid aan Nederlandse en Belgische klanten waaronder aanbieders van oplaadpunten voor het snelladen van elektrische voertuigen, ontwikkelaars van zonneparken en industriële bedrijven met hun MV-netaansluitingen om een EV-laadinfrastructuur mogelijk te maken, hernieuwbare energiebronnen op het net aan te sluiten en de transitie naar een schonere energietoekomst te versnellen.

Nu Europa evolueert naar een duurzamer energiesysteem, vindt er een grote verandering plaats in de manier waarop elektriciteit wordt opgewekt en gebruikt. In plaats van volledig op fossiele brandstoffen te leunen, worden meer zonne- en windmolenparken gebouwd om de kracht van duurzame energiebronnen te benutten. Om deze groene energie effectief te gebruiken, is het belangrijk dat deze hernieuwbare energiebronnen effectief op het net kunnen worden aangesloten met oplossingen zoals Alfen’s Altro.

Nu Europa evolueert naar een duurzamer energiesysteem, vindt er een grote verandering plaats in de manier waarop elektriciteit wordt opgewekt en gebruikt. In plaats van volledig op fossiele brandstoffen te leunen, worden meer zonne- en windmolenparken gebouwd om de kracht van duurzame energiebronnen te benutten. Om deze groene energie effectief te gebruiken, is het belangrijk dat deze hernieuwbare energiebronnen effectief op het net kunnen worden aangesloten met oplossingen zoals Alfen’s Altro.

“We zijn er trots op dat we met Altro aan de snellere opschaling van de markt voor betreedbare stations kunnen bijdragen”, aldus Marco Roeleveld, CEO van Alfen. “Naarmate de energietransitie vordert, neemt het gebruik van EV’s en duurzame energie toe, waardoor het elektriciteitsnet extra wordt belast. Het team van Alfen heeft nauw samengewerkt met diverse vertrouwde partners om een eersteklas station te ontwikkelen, waarmee we ons aanbod betreedbare stations kunnen uitbreiden. Hiermee kunnen we Nederlandse en Belgische klanten helpen met een veilige en betrouwbare aansluiting op het middenspanningsnet.”

Functies van het prefab station Altro

Zoals voor alle producten van Alfen geldt, is ook het Altro-station ontworpen met het oog op duurzaamheid. Er is daarom gebruikgemaakt van materialen en processen die het milieu zo min mogelijk belasten. Het station kent de volgende belangrijke voordelen:

  • Verkrijgbaar in 4 verschillende afmetingen (1A, 1A Hoog, 1B, 1B Hoog), waardoor specifieke configuraties mogelijk zijn om aan specifieke behoeften van klanten te voldoen
  • Is zuiniger met grondstoffen en materialen en vermindert daardoor de CO2-uitstoot
  • Gebouwd met hoogwaardig beton dat minder materiaal vergt, waardoor dezelfde of zelfs een betere technische levensduur wordt gegarandeerd en er geen afwerkingslaag nodig is
  • Compleet uitgerust in Alfen’s fabriek in Almere, hiermee wordt tijd bespaard en hoeven minder specialisten op locatie te zijn tijdens de installatie • Gebouwd met een IAC-AB-oplossing die zorgt voor extra veiligheid voor gebruikers, monteurs en publiek
  • Heeft een korte levertijd, zodat het snel kan worden geïnstalleerd om de groeiende netcapaciteit te ondersteunen

Altro in Nederland

Altro faciliteert in Nederland middenspanningsnetaansluitingen met een vermogensbehoefte van meer dan 1750kVA en minder dan 20MVA (afhankelijk van de netbeheerder) aan uiteenlopende klanten, waaronder de industriesector, zonneparken en de glastuinbouw. Om te voldoen aan de eisen van de Nederlandse netbeheerders Stedin, Liander en Enexis heeft Alfen drie standaardconfiguraties ontwikkeld.

[ad_2]

Source link

Berichten paginering