[ad_1]

De Nederlandse overheid heeft in 2021 ruim 893 miljoen euro verdiend aan de verkoop van emissierechten. Nederland veilde bijna 17 miljoen emissierechten voor het Europese systeem van emissiehandel (EU ETS). Dat blijkt uit de veilingmonitor van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), de veiler van de emissierechten voor Nederland. Binnen het EU ETS moeten bedrijven emissierechten inleveren om hun CO2-uitstoot te compenseren, 1 emissierecht staat daarbij gelijk aan de uitstoot van 1 ton CO2. Een van de manieren voor bedrijven om aan emissierechten te komen is door ze te kopen op de veiling. 

De opbrengst van deze veilingen is vergeleken met 2020 meer dan verdubbeld. In 2020 leverde de verkoop van emissierechten Nederland 441 miljoen euro op. De verdubbeling van de opbrengst komt door de sterk gestegen veilingprijs, van 31 euro in december 2020 naar 85 euro in december 2021.

Dalend aantal emissierechten

De industrie en de elektriciteitsproducenten in Europa moeten jaarlijks emissierechten inleveren om hun CO2-uitstoot te compenseren. Een deel van de rechten wordt gratis verstrekt aan de industrie en een deel wordt geveild door Europese overheden. Elektriciteitsproducenten moeten sinds 2013 al hun rechten kopen.

Het totaal aantal beschikbare rechten is gemaximeerd en neemt ook jaarlijks af. Bedrijven kunnen emissierechten kopen op veilingen of van elkaar. De opbrengsten van de veilingen gaan naar de Nederlandse schatkist. De prijs van emissierechten heeft in februari 2022 met meer dan 96 euro een nieuw record bereikt.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

As You Sow en Corporate Knights hebben vandaag hun negende update van de Carbon Clean200 gepubliceerd, een lijst van 200 beursgenoteerde bedrijven die onder hun branchegenoten de weg wijzen naar een toekomst met schone energie. Apple, Alphabet en Intel voeren de lijst aan. Er zijn 6 Nederlandse ondernemingen opgenomen: Philips (16), KPN (56), Signify (61). AkzoNobel (121), Arcadis (179) en Aalberts N.V. (181). Gemiddeld 58% van de inkomsten van Clean200-bedrijven zijn geclassificeerd als schoon, wat een stijging is ten opzichte van 39% in 2021 en aanzienlijk meer is dan de 20% gemiddelde schone inkomsten voor hun MSCI ACWI-collega’s.

DE CLEAN200™-Methodologie

De Clean200 zijn de grootste 200 publieke bedrijven gerangschikt op basis van ‘duurzame’ energie-inkomsten. De ranglijst werd voor het eerst berekend op 1 juli 2016, en publiekelijk vrijgegeven op 15 augustus 2016, door Corporate Knights en As You Sow. De huidige lijst is bijgewerkt met gegevens tot en met 31 januari 2022.

De Clean200-bedrijven zijn gerangschikt op basis van hun geschatte groene inkomsten in Amerikaanse dollars. De dataset is ontwikkeld door de meest recente eindejaarsinkomsten van een bedrijf te vermenigvuldigen met de geschatte schone inkomsten, voornamelijk afkomstig van Corporate Knights Research. Om in aanmerking te komen, moet een bedrijf meer dan 10% van zijn totale inkomsten uit schone bronnen halen.

De Clean200 maakt gebruik van negatieve screening. Het sluit alle olie- en gasbedrijven uit, alle nutsbedrijven die minder dan 50% van hun energie uit groene bronnen halen, de top 100 kolenbedrijven gemeten naar reserves, de top 100 olie- en gasbedrijven gemeten naar reserves, evenals alle fossiele brandstofbedrijven, de meerderheid fossiel gestookte nutsbedrijven, pijplijn- en olievelddienstenbedrijven, en andere fossiele brandstof-gerelateerde bedrijven die gescreend zijn op As You Sow’s Fossil Free Funds. Daarnaast sluit de Clean200 wapenbedrijven uit, inclusief grote militaire wapenproducenten die voorkomen op de SIPRI Top 100 lijst van wapenproducenten en militaire diensten, evenals clustermunitie, nucleaire wapens, en civiele wapenproducenten die gescreend zijn op As You Sow’s Weapon Free Funds. De Clean200 sluit ook palmolie-, papier/pulp-, rubber-, hout-, rundvlees- en sojaproducenten uit die gescreend zijn op As You Sow’s Deforestation Free Funds, bedrijven die gebruik maken van kinderarbeid of dwangarbeid, en bedrijven die zich bezighouden met negatieve klimaatlobbying.

Meer informatie

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De Topsector Logistiek is een programma gestart om de CO2-uitstoot voor transport per binnenvaartschip te meten. In de binnenvaart is dat een stuk moeilijker dan bijvoorbeeld het wegvervoer, omdat er een grote verscheidenheid aan scheepstypen bestaat. Daarom kijkt het programma naar uitstoot ten opzichte van de geleverde vervoersprestatie. Hoe meer vracht ten opzichte van de emissies, des te beter is de emissieprestatie.

De beste manier om de vervoersprestatie te bepalen is om te kijken naar de vervoerde goederen: die worden van herkomst naar bestemming verplaatst, dat is waar voor betaald wordt. Om die verplaatsing te realiseren verbruikt het vaartuig of voertuig energie en dat levert weer emissies op. Hoe beter de verhouding is tussen (nuttige) verplaatsing van goederen enerzijds en de emissies anderzijds, des te beter is de emissieprestatie.

Het monitoren van emissies in de praktijk geeft inzicht en vormt de basis voor effectief beleid om uitstoot te verminderen. De emissie-uitstoot wordt doorgaans uitgedrukt in relatie tot de geleverde vervoersprestatie. De vervoersprestatie kan worden gemeten door de hoeveelheid vracht te registreren, die wordt vervoerd tussen herkomst en bestemming.

Het programma ‘Meten op Schepen’, is geïnitieerd door de Topsector Logistiek in Nederland om deze belangrijke parameters en prestaties nu te gaan meten en vast te leggen in de realiteit van de binnenvaart, gericht op CO2-uitstoot en luchtverontreinigende stof(fen) (NOx). Tijdens de kick-off, die plaatsvond tijdens de online PLATINA3 Stage Event, presenteerden Khalid Tachi en Martin Quispel de onderzoeksmethodes van het programma. Daarnaast gaven zij aan welke vervolgstappen nodig zijn voor het implementeren van beleid op basis van de onderzoeksresultaten.

De analyse van de gegevens leidt naar verwachting tot nauwkeurigere en beter gevalideerde modellen van de emissieprestatie van de binnenvaart en een uitgebreidere dataset om beleidsbeslissingen op te baseren. In het eerste halfjaar van 2022 worden de meetschepen voorzien van de nodige instrumenten. Vervolgens start het eenjarige monitoringprogramma. De eerste resultaten komen naar verwachting eind 2022 beschikbaar.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Productie van bouwmaterialen veroorzaakt 11 procent van alle CO2. Dat moet anders, vinden 31 partijen in bouw- en vastgoedsector en zij werken vanaf nu actief aan reductie. Daarom zetten zij vandaag hun handtekening onder de intentieverklaring over ‘materiaalgebonden emissies’, zoals deze broeikasgassen ook wel genoemd worden. De ondertekening vond plaats in Amsterdam, tijdens het congres ‘Paris Proof Embodied Carbon’ van Dutch Green Building Council (DGBC).

“Iedereen weet dat je broeikasgas produceert met fossiele brandstoffen voor verwarming en stroomverbruik. Materiaalgebonden emissies vormen ook een enorme bron, maar worden nog vaak vergeten. Het beeld is dus niet compleet, daardoor verandert er te weinig”, zo verklaart Annemarie van Doorn (directeur DGBC) het gebrek aan aandacht tot nu toe. “We willen dat de gebouwde omgeving heel rap van 40 naar nul procent CO₂-uitstoot zakt. Nadrukkelijk kijken we daarom nu naar bouwmaterialen. Daar is heel veel klimaatwinst te boeken.”

Inkoop, productie, innovatie

Producenten, bouwers, architecten, ontwikkelaars, beleggers, investeerders, vastgoedeigenaren, adviseurs en kennispartijen zetten hun handtekening vandaag. Ze bundelen hun krachten om de materiaalgebonden emissies in de bouwkolom sneller te verminderen. Voor elke partij ziet dat proces er anders uit. Het gaat bijvoorbeeld over het anders inregelen van inkoop, of het anders inrichten van productielijnen of nieuwe bouw- en ontwerpconcepten.

Om de effecten in kaart te krijgen, introduceren NIBE en DGBC nu ook een rekenprotocol voor materiaalgebonden emissies, dat aansluit bij de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG). Met de MPG worden de milieueffecten van de hele bouwketen gestuurd.

Lessen in roadmap voor onze sectoren

Deze vorm van CO₂-emissies is vaak nog onbekend. Tijdens het congres benadrukte Jacqueline Cramer als hoogleraar Duurzaam Innoveren daarom dat er beter zicht moet komen op deze emissies, zodat de hele bouw- en vastgoedketen ermee aan de slag kan gaan. Ze verkende de mogelijkheden om CO₂ te reduceren in de productielijnen van de twee grootste CO₂-bronnen in de bouwsector: beton en staal. Cramer deed dat aan de hand van vragen als ‘Hoe komen deze sectoren in beweging, hoe werken ze samen en wat hebben ze nodig?’ Haar conclusie is dat samenwerking en inkoopcriteria hier centraal staan. Deze lessen worden meegenomen in de aanpak van CO2-reductie.

Carbon Budget

Ook kwam het ‘carbon budget’ aan bod, oftewel hoeveel CO₂ een gebouw in z’n hele levensduur mag uitstoten; dus van bouwmaterialen via gebruik tot hergebruik/sloop. Daarom presenteerde DGBC de roadmap ‘Whole Life Carbon’. ‘Rekenmeester’ Mantijn van Leeuwen (NIBE) ziet via de berekeningen dat het nog niet te laat is: “Klimaatdoelen over 10 jaar leiden tot uitstelgedrag. Daarom zetten we een jaarlijks CO₂-budget. Dat rekenen we door tot een budget per vierkante meter gebouw. Verrassing: de bouwsector kan nog binnen CO₂-budget blijven, als we nú overschakelen naar grootschalig biobased bouwen plus urban mining én traditionele bouwmaterialen flink verduurzamen.”

Bekijk hier de roadmap.

Deze roadmap is bedoeld voor marktpartijen, waarmee DGBC nu de volgende stap zet via een intentieverklaring van bedrijven en andere organisaties. In die verklaring wordt het belang onderstreept van het terugdringen van materiaalgebonden emissies. DGBC verwerkt dit jaar de materiaalgebonden emissies in haar Paris Proof Commitment.

Deze partijen hebben nu al de intentieverklaring ondertekend:

  • abcnova
  • ABN AMRO
  • Agrodome
  • Alba Concepts
  • AM
  • Arcadis
  • Attiva
  • Ballast Nedam Development
  • BLOC
  • Blueroom Design
  • Cityförster
  • DWA
  • EDGE
  • HD Groep
  • Heembouw
  • HermanDeGroot Ingenieurs en Vastgoedstrategen
  • IGG
  • J.P. van Eesteren
  • Klictet
  • Laride
  • Lister Buildings
  • Merosch
  • NIBE
  • Nieman raadgevend ingenieurs
  • Peutz
  • Popma ter Steege architecten
  • Savills Nederland
  • SPIE
  • Superuse
  • Synchroon
  • Transitieteam Circulaire Bouweconomie

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Op 14 februari 2022 hebben Coöperatie Project de Mussels U.A. en Waterschap Drents Overijsselse Delta de aandelen van het drijvende zonnepark op de zandwinplas van Beugel Infrastructuur op de Mussels in Beilen overgenomen van GroenLeven en BayWa r.e.. Daarmee is de zonnebron in lokaal eigendom gekomen. Het zonnepark met 40.000 panelen, met een totale capaciteit van 16 megawatt levert voldoende groene stroom voor zo’n 5.000 Drentse huishoudens; dat komt neer op ongeveer een derde van het aantal huishoudens in de gemeente Midden-Drenthe. Zo profiteert de lokale omgeving optimaal van de komst van het zonnepark.

Lokaal eigenaarschap

Het drijvende zonnepark op de zandwinplas van Beugel Infrastructuur, de Mussels nabij Beilen, is door GroenLeven gerealiseerd in 2021 en in september van het afgelopen jaar in gebruik genomen.

GroenLeven CFO Ewoud Helmholt zegt hierover: ”De aandacht voor de lokale omgeving bij de komst van dit soort zonnebronnen is groot. Zo is dit ons volgende drijvende zonnepark in korte tijd dat we overdragen aan een lokale gemeenschap. We zijn dan ook erg trots op deze lokale samenwerking, evenals het innovatieve project waarbij we een extra functie toevoegen aan de plas, een dubbelfunctie waardoor de plas nu ook dient als energieopweklocatie. Daarbij maken we ons ook hard voor de ecologie in en rondom het park.”

Trots

Coöperatie Project de Mussels U.A. en Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) geven aan eveneens trots op de overname van het drijvende zonnepark.

Kees Kuik, voorzitter Coöperatie Project de Mussels: “Wij vinden het een enorme uitdaging als vrijwilligers om mede-eigenaar te zijn van het zonnepark De Mussels. Het is een mooi park geworden, welke bijna niet opvalt in het landschap, en daar zijn wij trots op. Onze Coöperatie Project de Mussels is opgericht door lokale energiecoöperaties in de gemeente Midden-Drenthe. Allemaal vrijwilligers, die zich inzetten in hun eigen omgeving voor het gebruik van duurzame energie. We doen dit ook omdat we willen voorkomen dat buitenlandse investeerders aan de haal gaan met het zonnepark. De winsten en de subsidies van de overheid lekken dan weg naar het buitenland. De energie die hier opgewekt wordt kan door de inwoners worden gebruikt als ze Energie VanOns als leverancier hebben. Door duurzame energie door inwoners en bedrijven in Midden-Drenthe te laten gebruiken, creëer je een energiekringloop. Zo geven we de energietransitie vorm met elkaar en voor elkaar en blijven de geldstromen in Midden Drenthe.”

Marion Wichard, lid dagelijks bestuur Waterschap Drents Overijsselse Delta: “Als Waterschap Drents Overijsselse Delta willen we ons aandeel leveren in het beperken van de klimaatverandering. We vinden het belangrijk om proactief ons steentje bij te dragen. We doen dit het liefst op deze manier: het steunen van lokale initiatieven waar de lokale gemeenschap in ons verzorgingsgebied ook direct van profiteert. Het waterschap heeft als doelstelling om in 2025 energieneutraal te zijn. Door samen met de lokale coöperatie te participeren in het drijvende zonnepark zetten we een mooie stap richting ons doel. Tegelijkertijd dragen we bij aan de concrete ontwikkeling van de Regionale energietransitie in Drenthe.”

Ondersteunend voor ecologie, biodiversiteit én duurzaamheid in de gemeente De gemeente Midden-Drenthe vindt het belangrijk dat de inwoners mee kunnen profiteren van het zonnepark. Daarnaast moet er zorgvuldig omgegaan worden met de beschikbare ruimte. Het zonnepark in Beilen sluit naadloos aan bij de eisen van de gemeente. Met deze ontwikkeling wordt er concreet invulling gegeven aan het Klimaatakkoord. Het drijvende zonnepark fungeert met een bijdrage aan de gemeenschap, als vliegwiel voor andere vormen van verduurzaming.

Het drijvende zonnepark is door de slimme dubbelfunctie ook technisch en ecologisch gezien een voorbeeld voor de energietransitie: door zandwinplassen te combineren met zonnepanelen wordt de inzet van andere bruikbare oppervlakte voor duurzame energie vermeden. Door de lichtdoorlatende glas-glaspanelen en lichtstraten blijven licht en lucht het wateroppervlak raken, wat de ecologie in de plas in stand helpt te houden. GroenLeven heeft met dit systeem al goede ervaringen opgedaan, recente onderzoeksresultaten laten zien dat het effect op ecologie en waterkwaliteit er goed uitzien.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Wat te doen met al die bladen van windmolens die de komende jaren worden afgeschreven? Recycling leek bijna onmogelijk. Tot nu. Op 17 februari partijen sluiten in de Eemshaven een convenant dat de start betekent van een gesloten keten van aanvoer, ontmanteling en hergebruik van windmolenbladen.

Ze worden gestort, ze worden begraven in mijnen, ze zorgen voor hoofdbrekens. De vooral uit composiet vervaardigde windmolenbladen die overal in de wereld energie opwekken, vormen na hun werkend leven een dilemma. Met de bladen lijkt niets meer te beginnen. De oplossing van dat probleem komt aanzienlijk naderbij nu verschillende bedrijven, onderwijsinstellingen en organisaties de handen ineenslaan en recycling tóch mogelijk maken. Daarmee heeft de Eemshaven de wereldprimeur.

Decom North heet het consortium dat uniek is in zijn veelomvattendheid. De aangesloten bedrijven vormen samen een complete waardeketen van ontmanteling tot nieuw product. Zij ontmantelen de afgeschreven windmolens en vervoeren de rotorbladen naar de recyclingfabriek in of bij de Eemshaven. Daar worden de bladen in stappen verkleind tot er uiteindelijk korrels overblijven. Die vormen de grondstof van nieuwe producten, zoals oeverbeschoeiingen, mallen, bruggen, kraanmatten en meer.

De handtekeningen die worden gezet, lanceren een revolutie die hard nodig is in het kader van natuur, milieu en klimaat. Binnen enkele jaren zijn de honderden windmolens op zee ten Noorden van de Eemshaven onderdeel van het integrale recyclingsysteem. Een proeffabriek nabij de terminal draait dan op volle toeren. De grondstoffen die zo tot stand komen, nemen de plek in van onder meer hardhout, met milieu- en klimaatwinst als gevolg.

Totdat het zover is, wendt het consortium zich tot Neocomp in Bremen. Dat bedrijf verwerkt de glasvezels en kunsthars uit geknipte rotorbladen in cement. Het systeem van een ‘one stop shop’ voor de verwijdering van afgeschreven rotorbladen wordt daarmee al in de praktijk gebracht. De stromen van land en van zee vinden elkaar straks in de Eemshaven, waar overigens ook rotorbladen gerepareerd kunnen worden. Over de stip op de horizon zijn de aangesloten partijen, waaronder Chemport Europe, het eens: oude windmolenbladen moeten worden gerecycled in nieuwe windmolenbladen. Om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen, is er in de proeffabriek volop ruimte voor onderzoekers en studenten in het kader van het Kennisproject Hoogwaardige Toepassingen. Zij bezien ook of meer soorten materiaal via hetzelfde proces verwerkt kunnen worden.

Tijdens een programma op donderdag 17 februari wordt de business case gepresenteerd en overhandigd aan de Groningse gedeputeerde IJzebrand Rijzebol, in Nijlicht in Eemshaven.

HorYzon en Hogeschool Windesheim stelden de businesscase op, waarin Chemport Europe, Groningen Seaports en het Offshore Wind Innovation Centre een belangrijke rol spelen, net als de bedrijven Buss Terminal, Mammoet, Lubbers Transport, DHSS Eemshaven, Bek & Verburg, Nehlsen metaalrecycling, CRC Industries, SCS Logistics/Shipco Transport en Nedcam Solutions.

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

RWE en Neptune Energy maken vandaag bekend dat zij gezamenlijk in een consortium stappen met de intentie om het offshore groene waterstof project “H2opZee” vóór 2030 te gaan ontwikkelen. Daartoe hebben beide partijen een Joint Development Agreement ondertekend.

H2opZee is een demonstratieproject gericht op de bouw van 300-500 megawatt (MW) elektrolyzer capaciteit ver op de Noordzee, voor de productie van groene waterstof met offshore wind. Deze waterstof zal vervolgens door een bestaande pijpleiding naar land worden getransporteerd. De pijpleiding kent een capaciteit van 10-12 gigawatt (GW) en is daarmee al geschikt voor de verdere uitrol van groene waterstofproductie naar gigawatt-schaal op de Noordzee. De intentie is om in het tweede kwartaal van dit jaar de haalbaarheidsstudie te starten. Dit project is een initiatief van TKI Wind op Zee.

H2opZee bestaat uit twee fases. In de eerste fase wordt een haalbaarheidsstudie uitgevoerd en wordt een toegankelijk kennisplatform opgezet. Het doel hiervan is om de uitrol van waterstof op zee in Nederland op te starten. In de tweede fase wordt het project na een nog nader te definiëren tendermethodologie daadwerkelijk gerealiseerd.

Roger Miesen, RWE Country Chair Nederland: “Waterstof is een gamechanger in het CO2-vrij maken van energie-intensieve sectoren en H2opZee is één van de eerste projecten ter wereld op deze schaal. Met Neptune Energy aan onze zijde willen we het H2opZee-project ontwikkelen om te laten zien dat offshore wind een ideale partner kan zijn voor de grootschalige productie van groene waterstof en om te onderzoeken wat de beste aanpak is met betrekking tot systeemintegratie. Als RWE hebben we een track record van 20 jaar in offshore wind en hebben we de waterstofexpertise in de hele waardeketen onder één dak. We zijn ervan overtuigd dat de lessen uit het H2opZee-demonstratieproject zullen bijdragen aan het verder ontwikkelen van de waterstofeconomie in Nederland, aangezien dit een belangrijke stap is op weg naar de grootschalige uitrol van groene waterstofproductie offshore.”

Lex de Groot, Managing Director van Neptune Energy Netherlands“Wij zien in de toekomstige energievoorziening een belangrijke rol voor groene waterstof. Die kan op onze eigen Noordzee geproduceerd worden. De energietransitie kan sneller, goedkoper en schoner als we bestaande gasinfrastructuur integreren in nieuwe systemen. Deze infrastructuur is technisch geschikt. Daardoor is er bijvoorbeeld geen nieuwe pijpleiding op zee nodig en hoeft er geen nieuwe aanlanding door het kustgebied gemaakt te worden. Met de PosHYdon pilot zijn we één van de koplopers op dit gebied van offshore energie systeemintegratie en hergebruik. De lessen die uit dit project geleerd worden zijn van toepassing op H2opZee. Hoe sneller we groene waterstof op zee kunnen opschalen, hoe sneller industrie zoals chemie en staalproductie kan verduurzamen. Met H2opZee wordt Nederland koploper in de wereld op dit gebied. Vandaar dat we samen met RWE enthousiast zijn over H2opZee en wat het Nederland te bieden heeft.”

Over H2opZee

H2opZee realiseert 300-500 MW additionele groene-waterstof-uit-zee-capaciteit gecombineerd met een bestaande pijpleiding die in de toekomst voor 10-12 GW kan worden benut. Dit offshore demonstratieproject is wereldwijd het eerste op deze schaal. De kennis en expertise die hiermee wordt opgedaan, versterkt de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie, helpt de wind- en groene waterstof productiewaardeketen naar Nederland te trekken en levert technologie en kennis die wereldwijd kan worden geëxporteerd.

H2opZee is een van de 37 voorstellen die zijn ingediend voor de 2e ronde van het Nationaal Groeifonds. Daarvan zijn nu 35 door. Consortiumpartners RWE en Neptune Energy hebben dit initiatief vanaf de eerste minuut omarmd. Het kernconsortium van H2opZee is juist klein en daadkrachtig gehouden. Daarom heen komt een schil voor kennisdeling met de industrie. Bedrijven kunnen zich aansluiten; bijna 40 relevante organisaties tekenden reeds een support letter.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De Reclame Code Commissie (RCC) vindt het “niet te rechtvaardigen” dat Shell zich in reclames profileert als “aanjager – laat staan een van de grootste aanjagers van hernieuwbare energie”. Dat maakt de reclamewaakhond deze week bekend aan de klager. Afgelopen donderdag werd Shell al twee keer op de vingers getikt voor andere misleidende zinsneden in dezelfde reclamecampagne ‘Wij veranderen’. Dit leidde tot Kamervragen aan minister Jetten.

De klacht gaat over de campagne waarin Shell stelt ‘We veranderen, in één van de grootste aanjagers van de energietransitie.’ Uit het oordeel van de RCC: “De zinsnede “We veranderen in..” suggereert dat de nieuwe situatie (hernieuwbare energie) in de plaats komt van de oude situatie (fossiele brandstoffen). Daarvan kan niet worden gesproken zolang Shell haar investeringen in fossiele projecten vrijwel onverminderd voortzet.”

Aanjager van klimaatdestructie

De klacht was ingediend door musicus en wetenschapper Jos Koning. Bij het zien van de beslissing dacht hij: “Gerechtigheid! Een multinational die decennia lang willens en wetens de energietransitie heeft tegengewerkt kan zich geen aanjager noemen. Het enige dat Shell heeft aangejaagd is de destructie van het klimaat. Niet Shell is de aanjager van de transitie, maar de milieubeweging!”

1 reclamecampagne, 3x berispt

Femke Sleegers van Reclame Fossielvrij is blij met de uitspraak. “Dit is ongekend. Eén reclamecampagne van Shell – – ‘Wij Veranderen’ is op maar liefst drie punten misleidend bevonden in drie klachten. Vorige week oordeelde de commissie al dat Shells groene waterstof in werkelijkheid grijs is en dat Shell expres vaag is met cijfers. Nu stelt de commissie klip en klaar: Shell is geen aanjager van de transitie, Shell verandert helemaal niet.”

Kamervragen wettelijk verbod

Afgelopen vrijdag stelden GroenLinks, PvdA en Partij voor de Dieren Kamervragen naar aanleiding van de uitspraken van vorige week. Zij vroegen de minister om een verbod op fossiele reclame te onderzoeken. Reclame Fossielvrij strijdt voor zo’n wet, zowel in Nederland als in de EU, met onder andere Greenpeace, WWF en ActionAid. Sleegers: “Het spant erom voor het klimaat. We kunnen het ons niet veroorloven dat de fossiele industrie met reclames twijfel zaait over z’n rol in het verergeren van de klimaatcrisis. Daarom is een wet nodig die fossiele reclames verbiedt. Net als bij tabaksreclames is gebeurd.”

De tot driemaal toe berispte Shell-campagne was eind vorig jaar, in de laatste fase van de kabinetsformatie overal zichtbaar in bushokjes, reclamepanelen en social media. Ook stonden de advertenties paginagroot in alle kranten en werden ze uitgezonden op radio en tv.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De Nederlandse advocaat Roger Cox krijgt de Internationale Vredesprijs “Dresden Prize” 2022. De prijs is een erkenning van zijn baanbrekende bijdrage aan de strijd voor de naleving van wereldwijde klimaatdoelstellingen door middel van het recht. De prijs van 10.000 euro wordt gesponsord door de Klaus Tschira Stichting. Hij wordt uitgereikt door de Verein Friends of Dresden Deutschland e.V.  in samenwerking met de Semperoper Dresden. In mei 2021 won de advocaat Cox een historische zaak voor de Nederlandse rechtbank in Den Haag, waarin hij eiste dat oliemaatschappij Shell haar CO2-uitstoot in 2030 met 45 procent heeft verminderd ten opzichte van 2019. Klimaatbescherming is een mensenrecht, was Cox’ hoofdargument.

Het belangrijkste argument van Cox, die de Nederlandse milieuorganisatie Milieudefensie vertegenwoordigde in de zaak. De rechtbank was het daarmee eens: “Zelfs wanneer staten niets of weinig doen,” zei rechter Larisa Alwin bij het vellen van het vonnis, “hebben bedrijven een verantwoordelijkheid om de mensenrechten te respecteren.”

Voormalig vice-president van de VS en klimaatactivist Al Gore schreef in Time Magazine naar aanleiding van de verkiezing van Roger Cox tot een van de 100 meest invloedrijke personen ter wereld in 2021: “Deze overwinning, in combinatie met Cox’ eerdere baanbrekende zaak die de Nederlandse regering dwong haar emissies tegen 2020 met 25% te verminderen, laat zien dat we niet hoeven te wachten op langzame vooruitgang met betrekking tot ongrijpbare doelen. We hebben de mogelijkheid – en het precedent – om nu concrete klimaatmaatregelen te eisen.”

“Vrede is meer dan de afwezigheid van oorlog. Opkomen voor vrede in tijden van klimaatcrisis betekent verantwoordelijk handelen en strijden voor een humaan en dus vreedzaam leven voor toekomstige generaties. Dit is alleen mogelijk als de vernietiging van de planeet een halt kan worden toegeroepen”, luidt de motivering voor de toekenning van de Dresdenprijs van dit jaar. Roger Cox voegt zich in de rij van eerdere winnaars van de Dresden Vredesprijs. Het zijn allemaal persoonlijkheden die hun tijd zijn ontgroeid. Zoals Olympisch kampioen Tommie Smith (2018), die met opgeheven vuist opkwam voor burgerrechten in tijden van rassendiscriminatie tijdens de Olympische Spelen van 1968 in Mexico. Of zoals de Syrische onderwijsactiviste Muzoon Almellehan (2020) met haar onvermoeibare werk voor betere onderwijskansen voor kinderen in oorlogs- en crisisgebieden.

“Roger Cox is als het ware ook zijn tijd ontgroeid. Hoewel velen het gevaar van klimaatverandering onderkennen, wordt er nog te weinig gedaan. Roger Cox heeft de middelen die hem ter beschikking stonden – wetten en rechtszaken – overtuigend ingezet”, prijst Beate Spiegel, uitvoerend directeur van de Klaus Tschira Stichting, de prestatie van de 2022 laureaat.

Toen Cox in 2015 het klimaatproces tegen de Nederlandse regering won, was hij de eerste die zo’n prestatie leverde. Ook de uitspraak die hij tegen Shell behaalde, was de eerste in zijn soort. Sindsdien hebben zijn successen model gestaan voor veel mensen over de hele wereld die juridische stappen ondernemen tegen inadequaat klimaatbeleid. Zijn pleidooi kan worden gezien als een mijlpaal in de strijd om het klimaat te redden.

Prijsuitreiking

Met het oog op de nog steeds problematische situatie van de corona en de daarmee samenhangende maatregelen om de contacten te verminderen, is het helaas niet mogelijk om Roger Cox de Dresden-prijs uit te reiken tijdens een openbare ceremonie in het Semper Opera House op de oorspronkelijk geplande datum in februari 2022. De openbare huldiging van Roger Cox in de Semperoper zal echter worden ingehaald op 19 februari 2023 tijdens een dubbele prijsuitreiking voor de prijswinnaars van 2022 en 2023.

Dresden Prize

De “Dresden Prize”, gesponsord door de Klaus Tschira Stichting, wordt aangeboden door de Verein Friends of Dresden Deutschland e.V. en zal in 2022 voor de dertiende keer worden uitgereikt. Eerdere winnaars van de internationale vredesprijs zijn onder meer Michail Gorbatsjov, de hertog van Kent, Daniel Ellsberg, de voorvader van de klokkenluiders, en de vredesactiviste Kim Phuc Phan Thi, die als napalm-slachtoffer te zien is op de wereldberoemde foto uit de Vietnamoorlog. In juni 2021 werd de prijs uitgereikt aan de Spaanse arts Cristina Marín Campos, namens de artsen en verpleegkundigen die wereldwijd een opmerkelijke bijdrage hebben geleverd aan de pandemie van Corona.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Suppliers that successfully establish their environmental impacts through accurate measurement are proven to be equipped to set ambitious, timebound goals to reduce them. It is therefore concerning that in 2021 – two years into the Decade of Action – only 2.5% of reporting suppliers have approved science-based targets. CDP’s latest supply chain report finds that more than half of suppliers (56%) did not have any climate targets at all. Additionally, only 28% of companies reported having a low-carbon transition plan in place to meet their climate goals.

The number of suppliers setting any climate targets increased on average 5% per year [1]. By extrapolating this trend to the 56% of suppliers that do not have any climate targets, CDP found that at the current pace, at least another decade is required to ensure that all suppliers reporting in 2021 set any climate target, let alone a science-based target.

Corporate ambition is also lacking when it comes to cascading measurement and action down the supply chain. Companies are insufficiently tracking Scope 3 emissions, despite value chain emissions being more than 11 times greater than emissions resulting from their own operations. Only 38% of disclosing companies engage with their suppliers on climate change, and this drops even further to 16% for water security. Just 47% of downstream companies – traders, manufacturers and retailers – are working beyond their first-tier suppliers to manage and mitigate deforestation risks.

CDP’s new supply chain report, Engaging the chain: driving speed and scale, analyzes environmental data disclosed through CDP in 2021 from 11,400+ corporate suppliers. The report, written in collaboration with Boston Consulting Group (BCG), highlights the urgent need for companies to cascade measurement and action down the entire supply chain, to achieve the speed and scale required to avert environmental crisis.

Sonya Bhonsle, Global Head of Value Chains & Regional Director Corporations at CDP, said: “Our data shows that corporate environmental ambition is still far from being ambitious enough. Alongside that, companies have blinkers on when it comes to assessing their indirect impacts and engaging with suppliers to reduce them. Companies must act urgently to cascade action and manage environmental impacts throughout their supply chains to scale the level of action to secure a 1.5°C future. This is essential for the transition towards a sustainable net-zero, deforestation-free and water-secure economy.”

However, hope is not all lost. There is progress being made when it comes to reporting and taking action on direct environmental impacts. In 2021, 71% of suppliers reported their Scope 1 and 2 emissions in 2021. Suppliers also reported reducing their emissions by 1.8 billion tCO2e (equivalent to emissions from 454 coal power plants running for a year [2]), resulting in savings of US$29 billion. 60% of suppliers disclosed water consumption data and 68% disclosed production and consumption data for palm oil.

Nicolas Hieronimus, CEO of L’Oréal, said, Global warming and environmental changes have the potential to permanently degrade human and natural habitats and create a more unstable world. We cannot address these challenges alone. At L’Oréal, alongside our own sustainable commitments, we are committed to actively supporting our business partners to improve their social and environmental performance and have made participation to CDP mandatory for all our strategic suppliers. We want to inspire others to act, and be a catalyst of change in the beauty sector and beyond.”

In 2021, over 200 CDP Supply Chain members worldwide – major buyers representing US$5.5 trillion in procurement spend – requested 23,487 suppliers to disclose (a 50% increase compared to 2020), resulting in a record 11,400 responses. These suppliers reported that engagement from CDP Supply Chain members drove emissions reduction initiatives totaling 231 million tCO2e.

Helping companies to manage supply chain sustainability and product lifecycles

Recognizing that companies may need additional support getting started with measurement and reporting, CDP’s new report includes a ‘Sustainable Procurement Pathway’ tool, designed to help companies go beyond their first-tier suppliers to manage and mitigate environmental risks inherent within their supply chain. The tool offers a flexible and scalable approach to kickstart the process of leveraging influence from the top down to speed up the rate of change.

There is also a growing trend of buyers wanting to understand their Scope 3 impacts at a product level during the procurement process, but suppliers are currently struggling to provide that information; only 2% of suppliers reported any product-level lifecycle footprints to CDP in 2021. CDP is working with BCG to address this – the partnership will see the launch of the CO2 AI Product Ecosystem, a new product lifecycle platform that will enable companies to effectively collaborate and securely share their product-level sustainability data, driving transparency at scale [3].

Download the report (pdf)

[1] Suppliers that reported through CDP for the first time three years ago and reported for three consecutive years.

[2] EPA Greenhouse Gas Equivalencies Calculator

[3] https://www.bcg.com/press/10february2022-bcg-cdp-b… 

[ad_2]

Source link

Berichten paginering