[ad_1]

Een consortium bestaande uit ABP en OMERS Infrastructure is voornemens om Kenter over te nemen. Hierover hebben Alliander, ABP en OMERS Infrastructure overeenstemming bereikt. De investering namens ABP wordt gedaan door APG Asset Management. Komende periode worden de gebruikelijke advies- en goedkeuringstrajecten met o.a. de mededingingsautoriteiten en aandeelhouders van Alliander doorlopen. Het streven is voor het eind van het jaar de transactie af te ronden. 

Eind 2022 berichtten wij over de voorgenomen verkoop van Kenter door Alliander. Afgelopen maanden is een zorgvuldig verkoopproces doorlopen met aandacht voor de belangen van alle stakeholders. Daarbij is gekozen voor een gecontroleerde veiling, waarbij – voorafgaand aan het verkoopproces en in samenspraak met de aandeelhouders en de medezeggenschap – kwaliteitseisen en beoordelingscriteria zijn geformuleerd. Bij de uiteindelijke keuze voor een nieuwe eigenaar is goed gekeken naar de mate waarin invulling is gegeven aan de beoordelingscriteria en de wijze waarop deze zijn geborgd. 

Walter Bien, CFO van Alliander: “De interesse voor Kenter was groot. Na een zorgvuldig proces hebben we ABP en OMERS Infrastructure gevonden om Kenter over te nemen. Het commitment van dit consortium om gedurende langere tijd aandeelhouder te blijven en positief bij te dragen aan de energietransitie geeft vertrouwen dat uitvoering gegeven kan worden aan de geplande groei van het bedrijf, de ontwikkeling van de medewerkers en de relatie met klanten en leveranciers. Ik ben blij met de keuze voor ABP en OMERS Infrastructure maar tegelijkertijd besef ik dat we als Alliander afscheid gaan nemen van Kenter en daarmee een deel van ons DNA kwijtraken.” 

Ruimte om te groeien 

Met ABP en OMERS Infrastructure hebben we een partij gevonden waarmee Kenter de komende jaren een grotere bijdrage kan leveren aan de energietransitie door te groeien in nieuwe markten met nieuwe producten en diensten.   

Erik van der Ende, CEO van Kenter: “Ik ben blij met de keuze voor ABP en OMERS Infrastructure. Als goed renderend, zelfstandig bedrijf ontzorgen wij onze bestaande en nieuwe klanten in hun vraagstukken in de energietransitie met totaaloplossingen op het gebied van de energievoorziening. Onze markt is bij uitstek een aantrekkelijke groeimarkt. Deze voorgestelde verkoop geeft Kenter de gelegenheid om onze groeiambitie waar te maken. We kijken er naar uit om samen met onze klanten, medewerkers, partners en nieuwe aandeelhouders te blijven werken aan de energietransitie.” 

Jan-Willem Ruisbroek, Head of Global Infrastructure Investment Strategy bij APG: “De energietransitie is een grote drijfveer voor de toenemende elektrificatie in Nederland en Europa, in lijn met de ambitieuze klimaatdoelstellingen van de EU. Om het succes ervan te verzekeren, zijn substantiële investeringen in essentiële elektrische infrastructuur zoals transformatoren, meters, batterijen en opladers voor elektrische voertuigen noodzakelijk voor onze samenleving. Door te investeren in Kenter, bouwen we voort op onze eerdere samenwerking met Groendus en intensiveren we onze inspanningen om de klimaatdoelstellingen van ons land te ondersteunen. Deze investering versterkt niet alleen de energietransitie, een belangrijke beleggingspijler voor onze klant ABP, maar genereert ook waarde op de lange termijn voor ABP en haar drie miljoen pensioendeelnemers. We kijken er naar uit om met de medewerkers van Kenter samen te werken aan een nationaal kampioen in de energietransitiesector in binnen- en buitenland.” 

Alastair Hall, Senior Managing Director and Head of Europe, OMERS Infrastructure: “We zijn verheugd om de tweede investering van OMERS aan te kondigen om de energietransitie in Nederland mogelijk te maken. We kijken ernaar uit om een B2B-platform voor energieoplossingen in de regio te laten groeien en energie-infrastructuur te leveren voor bedrijven die hun duurzaamheidsdoelstellingen willen halen.” 

Aanleiding verkoop 

De afgelopen jaren is Kenter gegroeid van een traditioneel meetbedrijf met 95 medewerkers naar een aanbieder van integrale energieoplossingen met meer dan 400 medewerkers. De organisatie is altijd goed in staat geweest kansen in de markt te benutten door ondernemend, klantgericht en innovatief te zijn. Mede doordat de markt waarin Kenter actief is sterk groeit, is de verwachting dat Kenter in de toekomst een nog grotere rol van betekenis zal spelen in de energietransitie en het ontzorgen van haar klanten. 

Het werk dat Kenter doet, nu en in de toekomst, is zeer relevant voor de energietransitie. Die relevantie komt buiten Alliander beter tot zijn recht, omdat Alliander als netwerkbedrijf te maken heeft met beperkende wet- en regelgeving. De beperkingen zullen de komende jaren naar verwachting verder toenemen en een steeds grotere belemmering vormen voor het werk van Kenter en haar medewerkers. Om ervoor te zorgen dat Kenter ook in de toekomst invulling kan blijven geven aan de ambitie om de nummer één partner in Nederland te zijn voor energiedata en energievoorzieningen, heeft Alliander besloten om voor Kenter op zoek te gaan naar een andere eigenaar. 

Gevolgen voor klanten en medewerkers 

Voor de klanten en medewerkers van Kenter verandert er op dit moment niets. De dienstverlening gaat onverminderd door, op het niveau dat klanten van Kenter mogen verwachten. De voorgenomen verkoop heeft geen gevolgen voor de huidige medewerkers van Kenter. 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Het kabinet investeert 312 miljoen euro in een nationaal programma voor grootschalige productie van zonnecellen en zonnepanelen in Nederland. Van deze 312 miljoen is 135 miljoen direct toegekend en 177 miljoen voorwaardelijk; daarnaast wordt ook een lening van 100 miljoen ter beschikking gesteld. Dat is op vrijdag 30 juni 2023 bekend gemaakt door Rianne Letschert, voorzitter van de Adviescommissie van het Nationaal Groeifonds. Het SolarNL programma is een ambitieuze samenwerking tussen bedrijfsleven en onderzoeksinstituten voor de ontwikkeling en grootschalige productie van circulaire geïntegreerde zonnecellen en -panelen van Nederlandse bodem.

Zonlicht speelt een sleutelrol in de energietransitie

Elektriciteit uit zonlicht speelt een sleutelrol in de energietransitie. Het SolarNL programma verzilvert de grote kennis die Nederland heeft om een nieuwe generatie zonnecellen en -panelen te ontwikkelen waarmee de energietransitie wordt versneld. De nieuwe zonne-producten worden ontworpen op basis van volledig circulaire productieprocessen die weinig CO2 verbruiken. De nieuwe zonne-systemen zijn door esthetische ontwerpen deels onzichtbaar in de omgeving te integreren en hebben een omzettingsrendement dat hoger is dan bestaande technologieën. Dit zorgt voor een sterke vermindering van de hoeveel ruimte die nodig is om zonne-energie op grote schaal in onze maatschappij te implementeren.

Stimulans voor energie-onafhankelijkheid in Nederland en Europa

Het SolarNL programma verbindt de hele keten van de leveranciers van materialen en machines, productiefabrieken en bedrijven die geïntegreerde zonnepanelen grootschalig gaan gebruiken. De Groeifonds-toekenning vormt een sterke impuls voor een nieuwe maakindustrie voor zonnepanelen voor gebruik in eigen land en in Europa. Daarmee draagt het SolarNL programma bij aan de energietransitie én de energieonafhankelijkheid van Nederland en de Europese Unie.

SolarNL programma

Doel van het project is de ontwikkeling én industrialisatie van drie innovatieve zonne-technologieën, die elk concurrerend zullen zijn op verschillende markten: 1) hoog-rendements silicium “heterojunctie” zonnecellen, 2) flexibele zonne-folies op basis van het nieuwe materiaal perovskiet en 3) op maat gemaakte zonne-producten voor integratie in gebouwen en automotive toepassingen en “tandem-zonnecellen” met een nog verder verbeterd rendement.

Grote toegevoegde waarde door publiek een private investeringen

De totale begroting van SolarNL bedraagt 898 miljoen euro, waarvan 586 miljoen euro door private financiering wordt gedekt. De Groeifonds-toekenning is 312 miljoen euro. Invest-NL krijgt vanuit de Groeifondsaanvraag eveneens 100 miljoen euro in beheer die als lening een impuls kan geven aan de ontwikkeling van de markt in Nederland.

Het SolarNL-programma leidt tot een verwachte toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie van 500-700 miljoen euro/jaar in 2031 en cumulatief 20-25 miljard euro in 2050. Daarnaast zal de lokale productie van zonne-producten grote maatschappelijke baten opleveren, zoals het behalen van de nationale klimaatdoelstellingen in 2030 en 2050 en de versterking van de strategische autonomie voor onze energievoorziening.

Breed consortium van bedrijven en kennisinstellingen

SolarNL wordt uitgevoerd door een consortium van negen Nederlandse zontechnologie-bedrijven, Solarge, MCPV, HyET Solar, Compoform, Exasun, Energyra, Lightyear Layer, IM Efficiency, Taylor, NWO-Instituut AMOLF, zes universiteiten (Amsterdam, Delft, Eindhoven, Groningen, Twente, Utrecht), TNO en drie hogescholen (Hanzehogeschool, Saxion, Zuyd). Daarnaast zal een groot aantal bedrijven en instellingen profiteren van het nieuwe ecosysteem dat met SolarNL wordt opgebouwd; ruim 50 bedrijven en instellingen hebben het programmavoorstel bij de indiening ondersteund. Het programma kent open calls van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk onderzoek (NWO) die het voor partijen mogelijk maken later bij het programma aan te sluiten. Het programma-management wordt gehuisvest bij NWO-instituut AMOLF in Amsterdam.

Het Ministerie van EZK ondersteunt SolarNL met het oog op de voorziene positieve bijdrage aan de energietransitie, het behalen van de klimaatdoelstellingen en de opbouw van duurzaam Nederlands verdienvermogen.

Beeld: artist impression van een nieuwe solar fabriek – Si HJT cell factory

[ad_2]

Source link

[ad_1]

“Liever een heldere koers die onvermijdelijk ook pijn met zich meebrengt dan uitstel van maatregelen die in de toekomst toch onvermijdelijk zullen zijn.” Dit concludeert Kees Vendrik, voorzitter van Het Nationaal Klimaatplatform (NKP), dat haar eerste Signalenrapport aan het kabinet heeft uitgebracht. Het NKP stelt dat draagvlak voor klimaatbeleid voor veel burgers en ondernemers in de eerste plaats afhangt van de mate van duidelijkheid en koersvastheid die de overheid aan de dag legt. In het rapport, getiteld ‘Daadkracht en Draagvlak’, beschrijft het NKP haar bevindingen en biedt het inzichten om de klimaattransitie te versnellen. Volgens het NKP is er veel maatschappelijk initiatief in buurten, wijken en bedrijventerreinen. “Burgers en ondernemers willen niet alleen meepraten, maar willen vooral ook meedoen en dat gaat niet altijd van een leien dakje,” aldus Vendrik.

In haar signalenrapport schetst het NKP drie signalen die wat hen betreft opgepakt kunnen worden: maatschappelijke initiatieven kunnen beter op waarde worden geschat, iedereen moet mee kunnen doen en biedt ondernemers perspectief en consistent  beleid.

Volgens het NKP botst een veelheid aan (lokale) initiatieven van burgers en ondernemers regelmatig met staande regels en praktijken. Hierdoor wordt, vaak onbedoeld, duurzaam maatschappelijk initiatief belemmerd. Zo zijn bijvoorbeeld talloze boeren, vaak al lang en niet altijd onder gunstige omstandigheden, bezig met verduurzaming van hun bedrijf. In de mobiliteitssector staat ook een veelheid aan partijen klaar om vaart te maken met elektrificatie. Het uitblijven van transitie-beleid is een risico voor de motivatie, draagvlak en opschaling van dit soort initiatieven. Het NKP spoort het kabinet dan ook aan om maatschappelijke initiatieven beter op waarde te schatten.

Er zijn al mooie initiatieven om de lusten van de energietransitie eerlijker te verdelen, bijvoorbeeld door huurders te laten profiteren van eigen opwek middels zonne-energie. Deze aanpak leent zich voor meerjarige opschaling om te borgen dat juist mensen met een bescheiden inkomen zo snel mogelijk kunnen profiteren van een lage duurzame energierekening. Daarmee wint de transitie aan ‘sociaal profiel’. Hetzelfde geldt ook voor de verduurzaming van de amateursport: vele verenigingen willen graag van hun hoge energierekeningen af, maar de weg naar verduurzaming kent nog vele hobbels. Een aanpak om ook hen mee te laten profiteren in de energietransitie, is een kans om iedereen mee te laten doen aan de kansen die de energietransitie biedt.

Ook de beweging naar een circulaire economie is ingezet, zo ook het initiatief om ondernemers te verbinden aan flexibiliseringsoplossingen in het energiesysteem. Ook is hier klimaatrechtvaardigheid een relevant aspect. De ‘tonnenjacht’ die met het Klimaatakkoord werd ingezet, leidt tot concentratie van beleid en geld op grote uitstoters. Hoezeer ook begrijpelijk, kan dat ten koste gaan van ruimte en kansen voor ondernemingen die evenzeer een belangrijke bijdrage aan de circulaire economie van de toekomst kunnen leveren. Het NKP vraagt het kabinet dan ook om de balans hier goed in ogenschouw te nemen.

Komende week spreekt Kees Vendrik als voorzitter van het NKP met minister van Klimaat en Energie Rob Jetten om deze signalen toe lichten en verdere afspraken te maken over hoe de klimaat- en energietransitie versneld kan worden.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Vandaag lanceerde South Pole ‘Funding Climate Action’ (FCA), een nieuwe klimaatclaim en bijbehorend klimaatlabel om bedrijven te helpen op geloofwaardige wijze te communiceren over klimaatmaatregelen binnen en buiten hun waardeketen. Het label is een kwaliteitsmerk dat laat zien dat een organisatie verantwoordelijkheid neemt voor haar emissies en een uitgebreid proces heeft doorlopen om ervoor te zorgen dat er geloofwaardige klimaatmaatregelen zijn genomen. Om het label te kunnen vernieuwen, moeten bedrijven op transparante wijze hun duurzaamheidsvisie en prestaties communiceren, dit wordt op jaarlijkse basis beoordeeld.

De lancering van vandaag markeert een nieuw en hoognodig hoofdstuk voor bedrijfsclaims, aangezien verwarring rond klimaatclaims wijdverspreid is en greenhushing door bedrijven toeneemt. Als vroege pionier op het gebied van zakelijke klimaatactie heeft South Pole geconstateerd dat het misbruik van sommige milieuclaims toeneemt. Dit onderstreept de behoefte aan een meer levensvatbare alternatieve methode en label voor klimaatclaims, zoals Funding Climate Action.

South Pole verwelkomt andere inspanningen van regelgevers en normeringsinstanties om duidelijkheid en transparantie te creëren, zoals de nieuwe ISO14068-aanbeveling. Thought leadership van andere actoren die richtlijnen ontwikkelen om geloofwaardige claims te garanderen, zoals het VCMI, het SBTi en de Gold Standard, wordt ook zeer gewaardeerd.

De FCA is een nieuwe en slimme manier voor bedrijven om klimaatinvesteringen aan te tonen die verder gaan dan hun eigen waardeketens, naast hun bestaande inspanningen om te decarboniseren: een verplichting die wordt erkend in artikel 6.4 van het Klimaatakkoord van Parijs en door het Science Based Targets initiative (SBTi). Het SBTi heeft de inspanningen van South Pole en de nieuwe klimaatclaim publiekelijk geprezen tijdens de recente lancering van het SBTi-overleg ‘Beyond Value Chain Mitigation’. De vrijwillige CO2-markt biedt een geloofwaardige en bewezen manier voor bedrijven om nu hun klimaatactie drastisch op te schalen en de FCA biedt bedrijven een route om vol vertrouwen met de eer voor hun inspanningen te kunnen strijken.

Renat Heuberger, CEO van South Pole, zegt: “De private sector moet verantwoordelijkheid nemen voor haar uitstoot en blijven investeren in klimaatmaatregelen, daar valt niet over te onderhandelen. Om ervoor te zorgen dat dit goed wordt ontvangen door hun stakeholders, hebben ze een claim nodig die transparant laat zien wat hun bijdrage precies is. De FCA-claim, ondersteund door een label met een verifieerbaar proces, doet precies dat. Het stimuleert radicale transparantie en verantwoording in een tijd waarin alle ogen nu helaas gericht zijn op de vraag of bedrijven zich bezighouden met greenwashing of greenhushing.”

De investeringen van de particuliere sector in klimaat en natuur moeten tegen het einde van dit decennium meer dan vertienvoudigd zijn als we het Klimaatakkoord van Parijs willen nakomen, en investeringen in op natuurgebaseerde oplossingen – mogelijk gemaakt door mechanismen zoals de vrijwillige CO2-markt – moeten ook verdrievoudigen tot ten minste 200 miljard dollar per jaar. De recente geschiedenis laat echter zien dat bedrijven niet bereid of niet geneigd zijn om te investeren in klimaatmaatregelen buiten hun waardeketen, tenzij ze dat ook daadwerkelijk kunnen bewijzen.

Het financieringsbedrag van de FCA is gebaseerd op de resterende CO2-uitstoot: ‘een ton voor een ton’. Dit is een stimulans voor bedrijven om zo weinig mogelijk rest-emissies over te houden. Voor deze rest-emissies nemen bedrijven dan hun verantwoordelijkheid door deze te koppelen aan de financiering van geverifieerde, hoogwaardige mitigatiebijdragen buiten hun waardeketen.

Uit consumentenonderzoek van South Pole onder meer dan 1500 deelnemers in Europa en de Verenigde Staten is gebleken dat de FCA claim de eerste tests op het gebied van transparantie en wenselijkheid glansrijk heeft doorstaan. 84% van de deelnemers zegt dat ze eerder geneigd zijn een product te kopen met het ‘Funding Climate Action’ label van South Pole, 83% voelt zich goed geïnformeerd door de op maat gemaakte klimaatactie landingspagina die bij het label hoort en 78% zegt erop te vertrouwen dat het label betekent dat er geloofwaardige klimaatactie is ondernomen.

Voorafgaand aan de lancering heeft South Pole haar voorstel niet alleen getest onder consumenten, maar heeft het ook meer dan 130 stakeholders geraadpleegd om te bepalen hoe de FCA claim zou worden ontvangen door bedrijven en andere belangrijke stakeholders, zoals deskundigen op het gebied van klimaatbeleid en toonaangevende ngo’s. De resultaten waren overweldigend positief, met 94% van de respondenten die vinden dat claims van bedrijven verenigbaar moeten zijn met het Klimaatakkoord van Parijs en 69% die de claim steunde.

Koplopers uit de industrie hebben hun medewerking al toegezegd en Oxford Net Zero prees South Pole voor haar inclusiviteit in de eerste discussies over het smeden van een nieuw landschap voor zakelijke klimaatclaims. Kaya Axelsson, Net Zero Policy Engagement Fellow aan de Smith School of Enterprise and the Environment, zei: “Deze samenwerking zal resulteren in een geconsolideerde en vereenvoudigde toolbox die bedrijven in staat stelt om effectief aan te tonen hoe hun inspanningen bijdragen aan het nakomen van nationale verplichtingen en het stimuleren van klimaatactie.”

“Door transparantie te bevorderen en stimulansen te bieden, kunnen we bedrijven in staat stellen sneller klimaatmaatregelen te nemen,” zei Suzanne DiBianca, EVP en Chief Impact Officer bij Salesforce. Ze voegde daaraan toe: “De ‘Funding Climate Action’ claim van South Pole zet een nieuwe standaard die bedrijven aanmoedigt om verder te gaan dan hun eigen vier muren. Het is tijd voor bedrijven om zich te verenigen achter gezamenlijke doelen en de wereldwijde net zero transitie vooruit te stuwen.”

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Energiebesparing is belangrijk om energiekosten te besparen, maakt Nederland minder afhankelijk van de import van fossiele brandstoffen en zorgt voor minder CO2-uitstoot. Veel bedrijven en instellingen zijn nu al verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen. Om het besparen van energie verder te stimuleren scherpt het kabinet de energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen aan per 1 juli 2023. Daarmee vallen meer maatregelen en meer bedrijven en instellingen onder de plicht om het energiegebruik waar mogelijk te verlagen of te verduurzamen. De aanscherping is eerder aangekondigd en treedt per 1 juli in werking. Bedrijven en instellingen moeten uiterlijk op 1 december 2023 via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) rapporteren over de maatregelen.

Minister Jetten (Klimaat en Energie): “Energie besparen is de snelste manier om als bedrijf weerbaarder te worden tegen de schommelende energieprijzen en de CO2-uitstoot te verlagen. Door de energiebesparingsplicht en informatieplicht aan te scherpen én de onderzoeksplicht in te voeren, zorgen we dat onbenut energiebesparingspotentieel dat er vaak nog is, inzichtelijk wordt en bedrijven en instellingen daar ook hun voordeel mee kunnen doen.”

Aanpassingen energiebesparingsplicht

De bestaande energiebesparingsplicht is op diverse punten aangescherpt. Zo is de doelgroep uitgebreid naar bedrijven en instellingen die onder het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) vallen. Ook de glastuinbouw en bedrijven die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben, zoals afvalverwerkingsbedrijven en bedrijven in de zware industrie, vallen vanaf 1 juli 2023 onder de plicht.

Naast een uitbreiding van de energiebesparende maatregelen worden ook maatregelen voor de productie van of de overstap op hernieuwbare energie(dragers) verplicht. Mits deze een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder hebben en leiden tot een verlaging van de CO2-uitstoot.

Onderzoeks- en informatieplicht

Vestigingen van bedrijven en instellingen met een jaarlijks gebruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas(equivalent) hebben een informatieplicht om te rapporteren over de uitgevoerde en nog uit te voeren maatregelen. Hiervoor kunnen bedrijven en instellingen gebruik maken van de ‘Erkende maatregelenlijst energiebesparing’ (EML). Op deze lijst staan 149 maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder per bedrijfsactiviteit opgenomen. Voor de glastuinbouwsector is een aparte lijst en terugverdientijdmethodiek opgesteld vanwege afwijkende energieprijzen en wordt op zeer korte termijn gepubliceerd.

Voor grote energiegebruikers in bepaalde sectoren met een jaarlijks gebruik vanaf 10 miljoen kWh elektriciteit of 170.000 m3 gas(equivalent) is er een onderzoeksplicht. Deze bedrijfsvestigingen moeten een onderzoek uitvoeren naar alle kosteneffectieve maatregelen en een uitvoeringsplan opstellen voor maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. De terugverdientijd van maatregelen wordt volgens een vastgelegde methodiek bepaald. Om zeker te weten of bedrijfsvestigingen een informatieplicht of onderzoeksplicht hebben kunnen zij gebruik maken van het stappenplan via www.rvo.nl/energiebesparingsplicht.

Toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht, en de daarbij behorende informatie- en onderzoeksplicht, is al deels en wordt vanaf 1 juli 2023 volledig belegd bij de 29 regionale omgevingsdiensten.

Start voorlichtingscampagne

De Rijksoverheid is recent een landelijke voorlichtingscampagne gestart om bedrijven en instellingen te informeren over de nieuwe verplichtingen. Daarnaast zijn veel bedrijven en medeoverheden per brief geïnformeerd door het ministerie van EZK.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Uit nieuw onderzoek van de NGO Feedback EU blijkt dat de zes grootste Nederlandse supermarkten gebruik maken van greenwashing om het grootste aandeel van hun klimaatuitstoot te verbergen. Ondanks veel communicatie over duurzaamheid komen ze weinig in actie om bijvoorbeeld de verkoop van vlees en zuivel te verminderen, terwijl volgens een van de supermarktketens, Albert Heijn, 48% van hun uitstoot van producten veroorzaakt wordt door dierlijke producten.  

Als onderdeel van een Europese campagne, waarin wordt gevraagd om de helft minder vlees en zuivel te verkopen, heeft klimaatorganisatie Feedback EU een rapport gepubliceerd over het gebruik van greenwashing door supermarkten. De scorecard in het rapport bestaat uit 12 indicatoren die gebaseerd zijn op de drie tactieken die supermarkten gebruiken om hun klanten te misleiden over hun klimaatimpact. Dit doen ze op de volgende manieren: a) negeren, door niet te rapporteren over hun uitstoot en het deel veroorzaakt door de verkoop van dierlijke producten, b)  afleiden, door de aandacht te richten op minimale klimaatinspanningen zoals het aanleggen van zonnepanelen op de winkels of duurzame distributiecentra, c) profiteren: met reclame en aanbiedingen de klanten verleiden om meer te kopen, terwijl het bij de supermarkt bekend is wat het klimaatimpact is.

Het onderzoek richtte zich op Albert Heijn, Jumbo, Lidl, Aldi, Plus en Dirk, die samen bijna 90% marktaandeel hebben. Minder dierlijke producten consumeren en produceren is een van de meest effectieve manieren om de klimaatvoetafdruk te verminderen en te voldoen aan de Nederlandse en Europese doelen om 55% minder broeikasgas uit te stoten in 2030.

Na Albert Heijn en Lidl heeft inmiddels ook Jumbo de totale uitstoot gerapporteerd. Hiermee wordt duidelijk dat tussen de 94 en 97% van de uitstoot wordt veroorzaakt in de keten. In 2021 bedroeg de totale uitstoot van broeikasgassen in de keten van Albert Heijn maar liefst 14,4 megaton, waarvan 97% toe te schrijven is aan ingekochte producten. Naar schatting komt  48% van deze uitstoot voort uit de verkoop van dierlijke producten zoals vlees, vis, zuivel en eieren. Albert Heijn heeft eind 2022 een ambitieus klimaatdoel gesteld om in 2030 45% minder broeikasgassen uit te stoten vergeleken met 2020. Een snelle manier om dit te bereiken is om minder vlees en zuivel te verkopen door te stoppen met stapelkortingen of reclame voor vlees en zuivel in het algemeen.

Opvallend genoeg richten supermarkten hun communicatie over duurzaamheid voornamelijk op de kleine percentages uitstoot die veroorzaakt worden in de zogenaamde scope 1 en 2. Voorbeelden hiervan zijn doelen voor een klimaatneutrale bedrijfsvoering, energiezuinige distributiecentra en bonnetjes van gerecycled papier.  De klimaatorganisatie laat zien hoe supermarkten gebruik maken van twee vormen van greenwashing: greenlighting en greenshifting. Greenlighting is wanneer bedrijven zichzelf presenteren als ‘groen’ door de nadruk te leggen op kleine stappen richting duurzaamheid. Een voorbeeld hiervan is reclame maken voor een pond gehakt dat verpakt is in minder plastic. Hoewel dit zeker een verbetering is, leidt het af van het feit dat de productie van vlees een veel grotere klimaatimpact heeft. Greenshifting is wanneer bedrijven de schuld en verantwoordelijkheid afschuiven op de consument. Het bestaande narratief dat de klant koning is en bepaalt wat er in de schappen ligt is hier een voorbeeld van. Dit wordt versterkt door de roep van overheden om betere labels en voedseleducatie. De invloed die supermarkten hebben op de voedselomgeving wordt hiermee onderschat.

In korte tijd hebben veel supermarkten de verhouding van verkochte dierlijke en plantaardige eiwitten gepubliceerd met behulp van de Eiweet methodiek die is ontwikkeld binnen een samenwerking van supermarkten, cateraars en organisaties Green Protein Alliance, Proveg, The Questionmark Foundation en Natuur & Milieu. Daarbij stellen Albert Heijn, Jumbo en Lidl een doel op om de verhouding in 2025 of 2030 naar 50/50 te hebben gebracht.

Hoewel veel supermarkten zich daarom richten op alternatieven voor vlees en zuivel leidt het toevoegen van meer vervangers aan het assortiment niet automatisch tot een afname in de verkoop van vlees en zuivel. Ook is er vanuit supermarkten veel interesse voor het verminderen van de CO2e-uitstoot per eenheid product, maar een vermindering van de CO2e-uitstoot per liter melk of kilo varkensvlees betekent niet dat er in absolute zin minder uitstoot is, omdat dit afhankelijk is van de totale melk -en vleesproductie. Om het doel van 50/50 in dierlijke en plantaardige eiwitten in 2025 of 2030 te halen is het daarom voor supermarkten vooral van belang zich te richten op de vermindering van de verkoop vlees en zuivel.

Frank Mechielsen, Directeur Feedback EU : “Het is hoog tijd dat supermarkten hun greenwashing tactieken opgeven en daadwerkelijk verantwoordelijkheid nemen voor hun klimaatimpact. Ze moeten stoppen met het afwenden van de aandacht en zich richten op de grootste bron van uitstoot: de producten die ze verkopen. Supermarkten hebben de macht en invloed om klanten te helpen bij het maken van duurzamere keuzes en een positieve impact op het klimaat te hebben. De tijd om woorden om te zetten in daden is nu.”

 

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Een duurzame industrie in Nederland, zonder gebruik van fossiele grond- en brandstoffen, is mogelijk. Dat blijkt uit verkennend onderzoek van CE Delft, in opdracht van Natuur & Milieu. De focus verschuift van fossiele energie-intensieve industrie naar een nieuwe industrie, die doet waar we in Nederland goed in zijn en die schoon kan produceren. De overgang naar deze schone ‘industrie van morgen’ vraagt om een slimme aanpak, waarvoor Natuur & Milieu de eerste aanbevelingen doet. De milieuorganisatie overhandigde het onderzoek op maandag 26 juni aan minister Micky Adriaansens van Economische Zaken en Klimaat tijdens een kennisbijeenkomst in Nieuwspoort in Den Haag.

De Nederlandse industrie is verantwoordelijk voor zo’n 30% van de CO2-uitstoot in Nederland. Om de klimaatdoelen te halen is er een grote verandering in het Nederlandse industriële landschap nodig, zodat ook de industrie minder energie verbruikt en minder vervuilt. Het kabinetsbeleid is gericht op het verduurzamen van de huidige industrie. Natuur & Milieu wil de cruciale vraag stellen of dit de weg is om te gaan om de uitstoot omlaag te krijgen, of dat Nederland interessanter moet worden voor een ándere industrie. ‘Door slim in te zetten op een industrie die bij Nederland past, qua ligging, kennisniveau, doen waar we goed in zijn en hier schoon te gaan produceren, kunnen we onze positie behouden én gaan voldoen aan de 1,5 graad doelstelling. Daarvoor moeten we nú gaan bouwen aan de industrie van morgen’, aldus Marjolein Demmers, directeur van Natuur & Milieu.

Naar een ‘schone maakindustrie‘

Het rapport van CE Delft ‘Verkenning van een fossielvrije industrie’, beschrijft hoe de transitie naar een schone en concurrerende industrie in 2037 – wanneer het koolstofbudget van Nederland op is – eruit kan zien. De huidige basisindustrie kan stapsgewijs veranderen in een schone maakindustrie. Ook voor recycling en industrie voor levensduurverlenging is plek. Halffabricaten importeren we voor de verdere hoogwaardige productie hier, die minder energie-intensief is. Deze transitie vraagt om beleid dat echt gericht is op het steunen van de ontwikkeling van deze nieuwe industrie. Demmers: ‘Met goed beleid kun je gericht sturen op industrie die minder energie gebruikt en schoner produceert. Daarmee stimuleer je de circulaire economie. In deze nieuwe industrie zitten ook de banen van de toekomst.’

“Door slim in te zetten op een industrie die bij Nederland past, qua ligging, kennisniveau, doen waar we goed in zijn en hier schoon te gaan produceren, kunnen we onze positie behouden én gaan voldoen aan de 1,5 graad doelstelling. Daarvoor moeten we nú gaan bouwen aan de industrie van morgen.” – Marjolein Demmers, Directeur Natuur & Milieu.

Hoogwaardige kennis en infrastructuur

Een schone industrie gebruikt schone elektriciteit uit wind en zon, groene waterstof en grondstoffen uit recycling. Hernieuwbare energie wordt relatief duur, in vergelijking met landen met veel zon. Daarom past energie-intensieve industrie beter buiten Nederland, op een plek waar hernieuwbare energie in overvloed is. Demmers: ‘Duurzame energie dáár gebruiken waar het beschikbaar is, is logischer. De nieuwe industrie hier maakt juist gebruik van voordelen zoals hoogwaardige kennis en infrastructuur en institutionele en staatsrechtelijke stabiliteit. Als we hiervoor kiezen, dan worden we winnaars van deze transitie.’

Foto: Directeur Marjolein Demmers van Natuur & Milieu overhandigt in Nieuwspoort het rapport ‘Verkenning van een fossielvrije industrie’ aan minister van Economische Zaken Micky Adriaansens. (Marco De Swart)

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De Europese consumentenorganisatie BEUC en 23 van haar lidorganisaties uit 19 landen hebben vandaag een klacht ingediend bij de Europese Commissie en het netwerk van consumentenbeschermingsautoriteiten (CPC) waarin zij misleidende klimaatgerelateerde claims van 17 Europese luchtvaartmaatschappijen (waaronder KLM) aan de kaak stellen. Volgens een juridische analyse in opdracht van BEUC zijn dergelijke claims in strijd met de EU-regels tegen oneerlijke handelspraktijken.

“We roepen op tot een Europees onderzoek naar deze kwestie en vragen de betrokken luchtvaartmaatschappijen – en de hele sector – te stoppen met het maken van claims die consumenten de indruk geven dat vliegen duurzaam is. Dat is gewoon niet waar, want vliegen is niet duurzaam en zal dat in de nabije toekomst ook niet worden. Waar luchtvaartmaatschappijen consumenten hebben voorgesteld om extra ‘groene’ vergoedingen te betalen op basis van dergelijke misleidende beweringen, moeten de CPC-autoriteiten de luchtvaartmaatschappijen vragen om hun klanten terug te betalen.”

De leden van het BEUC hebben talrijke voorbeelden geïdentificeerd van misleidende praktijken die gericht zijn op consumenten:

  • Beweringen dat het betalen van extra credits de CO2-uitstoot van een vlucht kan “compenseren”, “neutraliseren” of “compenseren” zijn feitelijk onjuist omdat de klimaatvoordelen van compensatieactiviteiten hoogst onzeker zijn, terwijl de schade veroorzaakt door de CO2-uitstoot van vliegreizen zeker is.
  • Luchtvaartmaatschappijen misleiden consumenten door hen meer te laten betalen om bij te dragen aan de ontwikkeling van ‘Sustainable Aviation Fuels’ (SAF’s): Dergelijke brandstoffen zijn nog niet marktrijp en de onlangs aangenomen EU-wetgeving stelt zeer lage doelen voor het aandeel ervan in de brandstofmix van vliegtuigen. Dit betekent dat tot SAF’s massaal beschikbaar zullen zijn – na het einde van de jaren 2030 – ze in het beste geval slechts een klein deel van de kerosinetanks van vliegtuigen zullen uitmaken.3
  • De suggestie dat vliegen “duurzaam”, “verantwoord” en “groen” kan zijn, is misleidend. Geen van de strategieën die de luchtvaartsector toepast, is momenteel in staat om de uitstoot van broeikasgassen te voorkomen. Het is belangrijk om een einde te maken aan deze beweringen, want aangezien het luchtverkeer zal toenemen, zal de uitstoot de komende jaren blijven stijgen.

Ursula Pachl, adjunct-directeur-generaal van BEUC, gaf het volgende commentaar: “Wanneer het glashelder is dat vliegreizen een aanzienlijk en toenemend aandeel van de uitstoot van broeikasgassen veroorzaken, is het onbegrijpelijk dat luchtvaartmaatschappijen consumenten vrijelijk lokken met klimaatvriendelijke boodschappen zoals “CO2-gecompenseerd” of “CO2-neutraal”. We dringen er bij de autoriteiten op aan om de zaak in handen te nemen en hard op te treden tegen deze greenwashing praktijk waarbij consumenten ernstig worden misleid. Of je nu een ‘groen tarief’ betaalt of niet, je vlucht stoot nog steeds klimaatschadelijke gassen uit. Technologische oplossingen om de luchtvaart koolstofvrij te maken zullen niet snel op grote schaal realiteit worden, dus vliegen afschilderen als een duurzame manier van transport is pure greenwashing. In een tijd waarin velen duurzamer willen reizen, moeten luchtvaartmaatschappijen dringend stoppen met het aanbieden van een valse gemoedsrust aan consumenten. De vraag van consumenten verschuiven naar duurzamere vervoerswijzen is cruciaal om de uitstoot te verminderen. Luchtvaartmaatschappijen moeten ophouden consumenten de valse indruk te geven dat ze kiezen voor een duurzame vervoerswijze. Daarnaast moeten beleidsmakers aandringen op oplossingen om consumenten betrouwbare, aantrekkelijke en duurzame alternatieven te bieden, zoals treinverbindingen over lange afstanden van hogere kwaliteit.”

BEUC member organisations participating in this action are: Arbeiterkammer (Austria), Testachats/Testaankoop (Belgium); Асоциация Активни потребители (Bulgaria); Forbrugerrådet Tænk (Denmark); CLCV and UFC-Que Choisir (France); Kuluttajaliitto – Konsumentförbundet ry (Finland); EKPIZO (Greece); Tudatos Vásárlók Egyesülete (Hungary); Altroconsumo (Italy); Consumentenbond (Netherlands); Forbrukerrådet (Norway); Fundacja Konsumentów and Federacja Konsumentów (Poland), DECO (Portugal), Spoločnosť ochrany spotrebiteľov (S.O.S.) (Slovakia), Zveza potrošnikov Slovenije (Slovenia), ASUFIN, CECU and OCU (Spain), Sveriges Konsumenter (Sweden), Fédération romande des consommateurs (Switzerland). vzbv (Germany) issued legal warnings to several traders identified in the alert.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Brightsite, het kenniscentrum dat zich inzet voor het realiseren van een duurzame, concurrerende chemische industrie, heeft vandaag de tweede editie van de Brightsite Transition Outlook (BTO) gepubliceerd. Deze uitgebreide analyse biedt inzichten in de grondstoffentransitie van de Nederlandse chemische sector en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan.

BTO 2023 laat zien dat de transitie naar een klimaatneutrale industrie gepaard zal gaan met schaarste: schaarste aan groene energie, aan groene grondstoffen (koolstof) en aan industrieel water. Waar tot dusver met name de energietransitie aandacht krijgt, staat nu de grondstoffentransitie centraal. Hierbij biedt de BTO een (modelleer) instrument en handvaten om door deze schaarste te navigeren en optimale keuzes te maken.

In de Brightsite Transition Outlook worden de bevindingen gepresenteerd van een fictief industrieel complex CHEM-NL, dat het totale productievolume van etheen en ammoniak in Nederland nu en in 2050 produceert. De rapportage schetst de route naar een netto nul-emissie in 2050 en belicht de vraagstukken en knelpunten die moeten worden overwonnen om duurzame grondstoffen en energiebronnen te verkrijgen.

Volgens Arnold Stokking, Managing Director, en René Slaghek, Technology Manager van Brightsite, is de grondstoffentransitie voor de chemische industrie een essentieel onderdeel van een bredere maatschappelijke systeemtransitie.

De Brightsite Transition Outlook biedt belangrijke bevindingen en aanbevelingen voor de chemische sector en beleidsmakers. Enkele conclusies uit de Outlook:

  • De grondstoffentransitie leidt tot schaarste aan beschikbare hernieuwbare grondstoffen, waardoor efficiënt gebruik essentieel is. Hierbij heeft de ontwikkeling van recycling en circulariteit van kunststofafval de hoogste prioriteit.
  • Door de inzet van hernieuwbare grondstoffen neemt de behoefte aan CO2-vrije energie significant toe, wat vraagt om een rationele benadering van grondstoffenkeuze en -ontwikkeling.
  •  Nieuwe technologieën, zoals elektrificatie en vergassing, en nieuwe grondstoffen bieden ook kansen voor de productie van chemicaliën en nieuwe biopolymeren.
  • Het duurzaam gebruik van water in de chemische industrie is essentieel en dient geïntegreerd te worden in de transitie.

De Brightsite Transition Outlook is bedoeld voor bedrijven, kennisinstellingen, beleidsmakers en ondersteunende instanties die gezamenlijk de grondstoffentransitie voor de chemie vormgeven. De Outlook is gebaseerd op wetenschappelijke modellen en cases en biedt waardevolle inzichten voor een duurzame en circulaire economie.

Wegens de urgentie van het onderwerp zal een Brightsite team onder leiding van Arnold Stokking de komende maanden in gesprek gaan en inzichten verzamelen van verschillende regionale industrietafels. Brightsite pakt dit op in samenwerking met Groene Chemie, Nieuwe Economie (GCNE) , aangezien vanuit dit multiregionale platform samengewerkt wordt aan het systematisch monitoren van impact op de vergroening van de chemie.

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Brightsite, het kenniscentrum dat zich inzet voor het realiseren van een duurzame, concurrerende chemische industrie, heeft vandaag de tweede editie van de Brightsite Transition Outlook gepubliceerd. Deze uitgebreide analyse biedt inzichten in de grondstoffentransitie van de Nederlandse chemische sector en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan.

BTO 2023 laat zien dat de transitie naar een klimaatneutrale industrie gepaard zal gaan met schaarste: schaarste aan groene energie, aan groene grondstoffen (koolstof) en aan industrieel water. Waar tot dusver met name de energietransitie aandacht krijgt, staat nu de grondstoffentransitie centraal. Hierbij biedt de BTO een (modelleer) instrument en handvaten om door deze schaarste te navigeren en optimale keuzes te maken.

In de Brightsite Transition Outlook worden de bevindingen gepresenteerd van een fictief industrieel complex CHEM-NL, dat het totale productievolume van etheen en ammoniak in Nederland nu en in 2050 produceert. De rapportage schetst de route naar een netto nul-emissie in 2050 en belicht de vraagstukken en knelpunten die moeten worden overwonnen om duurzame grondstoffen en energiebronnen te verkrijgen.

Volgens Arnold Stokking, Managing Director, en René Slaghek, Technology Manager van Brightsite, is de grondstoffentransitie voor de chemische industrie een essentieel onderdeel van een bredere maatschappelijke systeemtransitie.

De Brightsite Transition Outlook biedt belangrijke bevindingen en aanbevelingen voor de chemische sector en beleidsmakers. Enkele conclusies uit de Outlook:

  • De grondstoffentransitie leidt tot schaarste aan beschikbare hernieuwbare grondstoffen, waardoor efficiënt gebruik essentieel is. Hierbij heeft de ontwikkeling van recycling en circulariteit van kunststofafval de hoogste prioriteit.
  • Door de inzet van hernieuwbare grondstoffen neemt de behoefte aan CO2-vrije energie significant toe, wat vraagt om een rationele benadering van grondstoffenkeuze en -ontwikkeling.
  •  Nieuwe technologieën, zoals elektrificatie en vergassing, en nieuwe grondstoffen bieden ook kansen voor de productie van chemicaliën en nieuwe biopolymeren.
  • Het duurzaam gebruik van water in de chemische industrie is essentieel en dient geïntegreerd te worden in de transitie.

De Brightsite Transition Outlook is bedoeld voor bedrijven, kennisinstellingen, beleidsmakers en ondersteunende instanties die gezamenlijk de grondstoffentransitie voor de chemie vormgeven. De Outlook is gebaseerd op wetenschappelijke modellen en cases en biedt waardevolle inzichten voor een duurzame en circulaire economie.

Wegens de urgentie van het onderwerp zal een Brightsite team onder leiding van Arnold Stokking de komende maanden in gesprek gaan en inzichten verzamelen van verschillende regionale industrietafels. Brightsite pakt dit op in samenwerking met Groene Chemie, Nieuwe Economie (GCNE) , aangezien vanuit dit multiregionale platform samengewerkt wordt aan het systematisch monitoren van impact op de vergroening van de chemie.

[ad_2]

Source link

Berichten paginering