[ad_1]

’s Werelds grootste producent van keramische bouw- en bestratingsmaterialen Wienerberger gaat per 2022 een strategische samenwerking aan met Exasun, de Nederlandse scale-up producent van innovatieve in-dak zonnepanelen. De innovatieve systemen X-Tile en X-Roof van Exasun – ontwikkeld en geproduceerd in Nederland – worden integraal onderdeel van de energie-oplossingen van Wienerberger. Het bedrijf gaat de verkoop exclusief verzorgen in de Europese landen met Wienerberger vestiging.

Building Integrated PhotoVoltaic (BIPV) systemen zijn in-dak hoogwaardige en esthetische zonnepanelen die de volgende generatie zonne-energieoplossingen zijn. Aannemers, ontwikkelaars en architecten passen ze graag toe om daken tegen concurrerende prijzen, waterdicht, energieopwekkend en stijlvol af te werken.

Building Integrated PhotoVoltaic (BIPV) systemen zijn hoogwaardige en esthetische in-dak zonnepanelen die alom worden gezien als de volgende generatie zonne-energieoplossingen. Aannemers, ontwikkelaars en architecten passen ze in toenemende mate toe om daken betaalbaar, waterdicht, energieopwekkend én stijlvol af te werken. Exasun heeft er in Nederland een leidende positie mee opgebouwd.

Met de X-Tile en de X-Roof systemen van Exasun gaat Wienerberger een breder pakket energie-oplossingen voor het dak bieden binnen het concept Wevolt Energiedak bieden. Het X-Tile systeem hebben beide bedrijven samen ontwikkeld voor de vlakke keramische dakpan Actua 10. Het X-Roof systeem wordt als vervanging van, of in combinatie met keramische dakpannen toegepast. Beide systemen zijn hoogwaardige glas-glas oplossingen, met een lange levensduur en goede LCA-score.

Met de X-Tile en de X-Roof van Exasun gaat Wienerberger een breder pakket energie-oplossingen voor het dak bieden binnen het concept Wevolt Energiedak.

Gebouwde omgeving versneld verduurzamen

De samenwerking past uitstekend binnen de ambities van beide bedrijven om de gebouwde omgeving te verduurzamen en de energietransitie te versnellen. “Innovatieve zonne-energieoplossingen zijn hiervan een belangrijk onderdeel,” aldus Bert Jan Koekoek, algemeen directeur Wienerberger Nederland, “onze groeistrategie is bovendien gericht op het aanbieden van een breder portfolio materialen en oplossingen voor de gebouwschil en bestrating. Het is een logische vervolgstap na de introductie van het Wevolt Energiedak.”

Ook voor Exasun biedt de samenwerking groot perspectief, aldus directeur Remon Veraart: “Het is voor Exasun de eerste stap in het realiseren van de ambitie om op mondiale schaal de energietransitie te versnellen. Voor de volgende groeifase halen wij momenteel additioneel kapitaal op om de productie verder op te schalen, het portfolio verder te ontwikkelen en nieuwe regio’s te ontsluiten.”

De strategische samenwerking tussen Wienerberger en Exasun start op 1 januari 2022.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Een groep boeren, Wij.land en de Rabobank starten een proef met het genereren en verkopen van klimaatcredits. Door duurzamer te boeren, helpen boeren CO2 op te slaan in de grond, stoten ze minder broeikasgassen uit en dragen ze daardoor bij aan de klimaatuitdagingen in Nederland.

Het is de eerste Nederlandse proef waarbij boeren betaald krijgen voor het toepassen van klimaatslimme maatregelen. Rabo Carbon Bank (onderdeel van de Rabobank) is een van de eersten in Nederland die in deze markt stapt. De proef loopt drie jaar en is bedoeld als opmaat naar duurzamere landbouw en een nieuwe inkomstenbron voor boeren.

Boeren hebben belangrijke sleutel voor klimaatwinst

“Boeren hebben een belangrijke sleutel in handen als het gaat om het realiseren van klimaatwinst. Klimaatboeren of koolstofboeren zijn dan ook termen die steeds vaker opduiken. Wereldwijd starten er steeds meer van dit soort projecten. Ik ben er trots op dat wij dit in Nederland als een van de oppakken. Dit is de toekomst van onze landbouw”, aldus Paul Bosch, lead carbon credit propositie bij de Rabo Carbon Bank.

Met deze proef valt er op twee manieren klimaatwinst te boeken: koolstof wordt in landbouwbodems vastgelegd. Door compost toe te voegen aan de bodem of niet meer te ploegen, verbetert de bodem en legt die meer koolstof vast. In potentie wordt er daarmee in Nederland tot 1 Mton CO2 bespaard. Daarnaast kunnen boeren hun uitstoot verminderen, bijvoorbeeld door minder fossiele brandstof en kunstmest te gebruiken of – specifiek in veenweidegebieden – het waterpeil te verhogen. De gerealiseerde klimaatwinst wordt berekend en verhandeld in de vorm van koolstofcredits.

Leren en experimenteren staan centraal

Wereldwijd starten er steeds meer koolstofcreditprojecten met boeren. Ook in Nederland lopen er projecten waar boeren compensatie krijgen voor een hoger waterpeil (Valuta voor Veen). De samenwerking tussen Wij.land en Rabo Carbon Bank is echter het eerste project in Nederland waarbij een groep boeren op basis van hun eigen duurzaamheidsplan kiest uit een tiental klimaatslimmme maatregelen. “Ieder bedrijf is anders, en heeft andere mogelijkheden om klimaatwinst te behalen. Voor Wij.land is het belangrijk dat de boer of boerin zijn of haar eigen pad naar een natuurinclusieve en klimaatslimme landbouw kan volgen, en daarvoor beloond wordt”, zegt Danielle de Nie, directeur van Wij.land. Bosch: “In het project staan leren en experimenteren centraal. Veen, klei of zand, het één houdt meer koolstof vast dan het ander. En de ene maatregel zal beter werken, tegen minder kosten, dan de andere.”

In dit proefproject worden de kosten voor monitoring gedragen door Wij.land en Rabo Carbon Bank en komt ca. 90% van de creditprijs bij de boer terecht. De bedrijven krijgen de helft van hun credits vooruitbetaald. De hoeveelheid credits wordt berekend op basis van een model dat Wij.land heeft ontwikkeld voor het westelijk veenweidegebied.

Op weg naar duurzame landbouw

“Klimaatboeren of koolstofboeren is een manier van duurzamer boeren”, aldus Bosch. “Sommige aanpassingen, zoals een kruidenrijk grasland en een gezondere bodem, leveren na een aantal jaar ook echt meer geld op voor de boer.” De vergoeding voor de koolstofcredits helpt de boeren om deze investeringsperiode te overbruggen. Zo kunnen de credits een belangrijke rol spelen in de financiering van de landbouwtransitie.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Gisteren, 18 november, is het Brightsite Plasmalab op Brightlands Chemelot Campus geopend. In dit lab werken onderzoekers van Universiteit Maastricht en haar Brightsite partners samen om de bestaande plasmatechnologie te optimaliseren en nieuwe plasmaprocessen te  ontwikkelen. Hiermee kunnen chemische processen met (groene) elektriciteit worden geëlektrificeerd en kunnen waterstof en grondstoffen voor de chemie worden geproduceerd zonder CO2-emissies. De oprichting van het Brightsite Plasmalab is een grote stap naar duurzame, efficiënte industriële toepassingen van plasmatechnologie binnen de chemische industrie.

Plasmatechnologie als gamechanger

Een groot deel van de processen en installaties in de chemische industrie moet in 2050 aangedreven worden door duurzame elektriciteit, om zo de CO2 uitstoot aanzienlijk te verminderen of zelfs tot nul te reduceren. Plasmatechnologie is een veelbelovende optie om bestaande chemische processen duurzaam te maken. Het vervangt aardgas als energiebron voor chemische processen door middel van elektrificatie en is daarom een zeer belangrijke route voor het behalen van de klimaatdoelen. Hoge temperatuurverhitting met aardgas wordt vervangen door een groene, elektrische plasmavlam, waarbij CO2-vrij waterstof wordt gemaakt. Waterstof is een belangrijke groene energiebron voor de kunstmestproductie. Naast waterstof ontstaan in dit proces groene grondstoffen die ingezet kunnen worden bij de productie van kunststoffen. In het Brightsite Plasmalab gaat een nieuwe generatie onderzoekers en engineers aan de slag met geavanceerde apparatuur om demonstrators te ontwerpen en te bouwen voor deze nieuwe duurzame processen.

Arnold Stokking, managing director Brightsite: “Plasmatechnologie heeft een grote toekomst binnen de chemische industrie. Het is wat ons betreft dé nieuwe procestechnologie gebaseerd op groene elektriciteit om moleculen te splitsen en opnieuw te formeren. Daarmee zal deze technologie een grote rol spelen in de duurzaamheidstransitie van de chemie.”

Prof. dr. Gerard van Rooij, hoofd van het Brightsite Plasmalab en hoogleraar Plasmachemie Universiteit Maastricht: “Door de mogelijkheden van plasma in ons nieuwe lab te combineren met innovatieve state-of-the-art technologieën en daarnaast fundamenteel onderzoek uit te voeren, verwachten we belangrijke doorbraken in duurzaamheid te realiseren.”

Grensverleggend onderzoek en opschaling naar chemische industrie

Het Brightsite Plasmalab is een initiatief van Brightsite, Universiteit Maastricht (UM) en Brightlands Chemelot Campus. Het plasmalab wordt de plek waar Brightsite partners UM, TNO en Sitech Services, samen met studenten en bedrijfsleven, bestaande plasmatechnologie optimaliseren en nieuwe plasmaprocessen ontwikkelen, die toepasbaar en schaalbaar zijn voor de chemische industrie.

Prof. Thomas Cleij, decaan van de faculteit Science and Engineering, Universiteit Maastricht: “We gaan plasma dichter bij de samenleving brengen. Ik ben zeer verheugd dat wij onderdeel zijn van deze energie- en circulaire transitie in Nederland. Het plasmalab is een belangrijke ‘enabler’ van dit proces.”

Dit studiejaar is ook de bachelor Circular Engineering van UM van start gegaan. Studenten gaan wat ze leren in de collegebanken, direct toepassen in de experimenten die in het plasmalab uitgevoerd worden. In het Brightsite Plasmalab zal zowel fundamenteel als toegepast onderzoek plaatsvinden en kunnen geïnteresseerde bedrijven zich aansluiten bij diverse academische en industriële programma’s. De verwachting is dat het plasmalab nieuwe partijen naar de campus zal trekken.

Bert Kip, CEO Brightlands Chemelot Campus: “We zijn trots op deze opnieuw belangrijke stap op weg naar een duurzame en circulaire toekomst, de ambitie van Chemelot Circular Hub. Dit nieuwe plasmalab op Brightlands Chemelot Campus is een belangrijke schakel in de elektrificatie van essentiële circulaire chemische processen.”

Wat maakt het Brightsite Plasmalab bijzonder

Door nieuwe, efficiënte plasmaprocessen te ontwikkelen, komt de weg vrij naar een CO2 -emissie- vrije, circulaire chemie. Dit wordt gerealiseerd door parallel te werken aan drie ‘generaties technologieën’, toepasbaar van laboratorium tot fabriek. In het plasmalab worden  haalbaarheidsstudies uitgevoerd die leiden tot ontwerpen op pilotschaal.

Bestaande processen worden verbeterd en getest. Fundamenteel onderzoek richt zich tenslotte op geheel nieuwe processen, die tevens opgeschaald worden naar commerciële toepassingen in de fabrieken. Onderzoekers en engineers kunnen in het Brightsite Plasmalab op Brightlands Chemelot Campus experimenten uitvoeren onder hoge druk en met vermogen op grote schaal. De locatie van het lab en het veiligheidsbewustzijn en – kennis op Brightlands Chemelot Campus bieden onderzoekers deze mogelijkheid om op een veilige en beheerste wijze experimenten te doen die nodig zijn bij de opschaling naar plasmatechnologie op industriële schaal.

Officiële opening Brightsite Plasmalab op 18 november

“We kijken terug op een geslaagde opening en kunnen niet wachten om in het nieuwe lab  aan de slag te gaan. De grote interesse voor ons nieuwe plasmalab, zowel van de industrie als academia bevestigt de mogelijkheden die elektrificatie biedt en erkent onze specifieke plasmaroute als een kansrijke richting voor vergroening van de chemie,” aldus Stokking.

Wat is plasmatechnologie

Plasma wordt ook wel de vierde aggregatietoestand genoemd, naast vast, vloeibaar en gas. Wanneer een gas in een voldoende sterk elektrisch veld wordt gebracht ontstaat een toestand waarin gasdeeltjes ioniseren. Dit geïoniseerde gas bestaat uit gasmoleculen en reactieve deeltjes zoals ionen, elektronen en radicalen. Deze combinatie van reactieve deeltjes maakt (nieuwe) chemische reacties mogelijk. In het hart van deze elektrische vlam, het hart van de plasmawolk, is de temperatuur heel hoog. Onder deze omstandigheden  kunnen zeer snel moleculen gesplitst en gevormd worden. En omdat een plasma opgewekt wordt met elektrische energie is het proces erg duurzaam wanneer er groene elektriciteit wordt gebruikt.

Foto: Initiatiefnemers bij de officiële opening van het Brightsite Plasmalab. V.l.n.r. Prof. dr. Gerard van Rooij (hoofd van het Brightsite Plasmalab en hoogleraar Plasmachemie Universiteit Maastricht), Arnold Stokking (Managing director Brightsite), Bert Kip (CEO Brightlands Chemelot Campus), Prof. Thomas Cleij Decaan Faculteit Science & Engineering Universiteit Maastricht.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

iwell en Eneco hebben een samenwerkingscontract ondertekend voor de opslag van stroom bij de Eneco elektriciteitscentrale Lage weide. Met de ontwikkeling en plaatsing van de iwell Mega Cubes ontstaat er een opslagcapaciteit van 7 MW en 14 MWh. Het systeem zal per jaar een hoeveelheid elektriciteit opslaan vergelijkbaar met het verbruik van zo’n 2200 huishoudens. Hiermee is het mogelijk om snel balans te krijgen in vraag en aanbod naar energie.

Het opstarten van een energiecentrale vraagt om elektriciteit en het opvangen van piekmomenten in de energiebehoefte zorgt voor een hogere inzet van de energiecentrale. Door gebruik te maken van een iwells batterij, kan deze tijdelijke hogere vraag naar stroom goed worden opgevangen. Met een 15-jarige samenwerking zetten de partners zich samen in om op efficiënte wijze de stroomvoorziening in deze situaties in balans te brengen.

De komende maanden werkt iwell verder aan de ontwikkeling van de Mega Cubes. De samenwerking met Eneco, gecombineerd met de investering vanuit twee Nederlandse Groene banken, maken het mogelijk het project te realiseren. De verwachting is dat de eerste Mega Cubes ingezet kunnen worden in oktober 2022.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Recent studies estimate more than 2% of the global greenhouse gas emissions stem from the fashion industry. With the global average temperatures projected to rise by 3 degrees Celsius this century – well beyond the 1.5 degrees Celsius goal of the Paris Agreement – disruptive solutions and unprecedented actions are needed to curb emissions and achieve net-zero by 2050. A new report, co-authored by Fashion for Good and Apparel Impact Institute and sponsored by HSBC, for the first time charts a trajectory for the industry to meet the net-zero ambition, mapping the integral levers across existing solutions, such as renewable energy, and innovative solutions, such as next generation materials. Estimating an investment opportunity of $1 trillion to finance the transition, the report breaks down the funding needed by solution category and identifies the types of funders best placed to take advantage of the opportunity and benefit from the positive returns.

“Unlocking The Trillion-Dollar Fashion Decarbonisation Opportunity: Existing And Innovative Solutions” builds on existing research, as well as the knowledge and expertise of Fashion for Good and Apparel Impact Institute. The report estimates the emissions reduction of existing and innovative solutions, and calculates the finance needed to bring them to scale and drive the industry to net-zero by 2050; a critical step to mapping the path and actions for the fashion industry in the decades to come. The findings in the report are significant – analysis shows an estimated $1 trillion is required to finance the decarbonisation of the fashion industry by 2050.

“Reducing carbon emissions will be one of, if not the, defining challenge of our generation and indeed the fashion industry. The good news is that a strong pipeline of solutions – both disruptive and ready to be implemented – can drastically decarbonise the industry. This report highlights that not only are the opportunities plentiful and financially attractive, but they are key to getting us to a net-zero, circular industry.” – Katrin Ley – Managing Director, Fashion for Good

Though $1 trillion may appear to be substantial, the majority of this spend is allocated to projects that offer an attractive financial, as well as environmental, return on investment and can therefore be funded by financial capital. More than $35 trillion of financial capital is available globally for good return Environmental, Social, and Governance (ESG) investments, a figure expected to exceed $50 trillion by 2025 according to insights from Bloomberg Intelligence. However, critical barriers to unlocking the financial capital needed remain. With input from key industry stakeholders, the report highlights those barriers and presents examples of financing opportunities.

“This report reframes decarbonisation as an investment opportunity rather than a cost. These proven, investable solutions require a tremendous amount of capital, and we now need to create the pathways for all forms of financial capital in order to bring them to scale.” – Lewis Perkins – President, Apparel Impact Institute
The financing opportunity is multi-faceted and will require a committed and coordinated effort by brands, manufacturers, philanthropy, government, and industry organisations. The report splits up the amount of finance required per emission-reduction solution across the different financiers, appealing to different risk appetites and profiles, and providing a nuanced and detailed pathway to achieving net-zero.

“The fashion industry is becoming increasingly aware of its environmental impact and of the need to swiftly transition to net-zero. This report shows that, while there are challenges to overcome, this transition is possible and will open up new opportunities for businesses in this sector. Collective action is critical. The financial system must play its part by providing the investment to fund net-zero solutions at scale.” – Zoë Knight – Managing Director and Group Head of the HSBC Centre of Sustainable Finance

Some key findings

  • “Unlocking the Trillion-Dollar Fashion Decarbonisation Opportunity” estimates 47% of CO2 reductions come from implementing existing solutions, while 39% comes from scaling innovative solutions, and 14% from other solutions – including reducing overproduction, material efficiency improvements, and scaling circular business models.
  • The report evaluates 7 solutions to reach net-zero in the fashion industry by 2050, including a shift to renewable energy, sustainable materials and processes, accelerating the development of next generation materials, and phasing out coal, amongst others.
  • The total cost to implement these solutions and achieve net-zero is $1.04 trillion, including:
    $639 billion towards existing solutions (61%)
    $405 billion towards innovative solutions (39%)
  • Philanthropic and government grants represent $50 billion (only 5% of the total), but are critical for catalysing industry and financial capital.
  • The report covers insights, key actions and recommendations to unlock the $1 trillion financing opportunity, including:
    • the cost breakdown by financier groups needed to accelerate the transition to a net-zero industry
    • for governments to strengthen policy framework and mechanisms to catalyse private investment.
    • for philanthropies to encourage coordination and explore blended capital approaches.
    • for brands to pursue stronger engagement and commitment to innovation and suppliers
    • for manufacturers to adopt a strategic capital improvement plan that is aligned with brand partners
    • for banks and lenders to prioritise key production regions and innovative financing opportunities
    • for equity investors to become familiar with the increasingly large array of investment opportunities.

Download the report (pdf)

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

SodaStream International maakt bekend dat het voortaan haar ecologische footprint, gecertificeerd door Carbon Trust, zal delen met de consument. Zowel bij het bekende Spirit bruiswatertoestel als bij de nieuwe generatie SodaStream-modellen is het merk transparant over de impact op het milieu. Het label is een engagement voor de toekomst, want het vereist een tweejaarlijkse hercertificering, waarbij moet worden aangetoond dat de ecologische voetafdruk blijft verminderen.

SodaStream biedt met haar nieuwe manier van drinken al een voorbeeld op het gebied van duurzaamheid in het algemeen en plastic besparen in het bijzonder. Afgelopen Earth Day sprak het bedrijf de ambitie uit om tegen 2025 wereldwijd 72 miljard plastic wegwerpflessen te besparen. Met één herbruikbare SodaStream-fles bespaart men tot duizenden plastic flessen voor eenmalig gebruik. Transparantie over de ecologische voetafdrukgegevens is een verdere uitbreiding van SodaStreams inzet voor de planeet.

Carbon Trust

Carbon Trust is al meer dan 20 jaar pionier op het gebied van decarbonisatie voor bedrijven, overheden en organisaties over de hele wereld. Als onderdeel hiervan meet en analyseert deze onafhankelijke organisatie de ecologische voetafdruk van bedrijven, toeleveringsketens en producten.

Engagement voor toekomst

SodaStream behaalde het ‘Reducing Carbon Footprint Label’ voor de Spirit Starter Pack (inclusief bruiswatertoestel, herbruikbare fles, koolzuurcilinder en verpakking). Om haar toewijding te tonen, zal SodaStream ook bij haar nieuwe generatie bruiswatertoestellen, die binnenkort verschijnt, transparant zijn over de ecologische afdruk.

“We willen de consumenten bewuster maken van hun impact op het milieu en de CO2-uitstoot is duidelijk kwantificeerbaar dus we zijn hier graag transparant over. Het milieu staat hoog op de agenda bij zowel de consument als het bedrijfsleven, we delen allemaal dezelfde zorg dus we moeten elkaar helpen”, aldus Johan Schepers, General Manager SodaStream Benelux.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De definitieve CO2-voetafdruk van ProRail voor 2020 komt uit op een uitstoot van 5,5 kton CO2. Dit is een nog forsere daling van de CO2-emissie dan aanvankelijk was aangenomen. Daarmee heeft ProRail haar doelen voor 2020 ruimschoots gehaald. Tegelijkertijd zien we in de prognose voor 2021 een sterke stijging van de CO2-voetafdruk naar 8,3 kton.

Drie categorieën

ProRail rapporteert jaarlijks over drie categorieën CO2-uitstoot. Scope 1 gaat over de directe uitstoot van broeikasgassen door ProRail, zoals aardgas voor de wisselverwarming, verwarming van kantoren en diesel en benzine voor onze bedrijfs- en leasewagens. Scope 2 gaat over de indirecte CO2-uitstoot van ProRail. Door inkoop van elektriciteit en stadswarmte voor onze kantoren, infra, en stations dragen we indirect bij aan de productie van elektriciteit in centrales. De rapportage over scope 1 en 2 vormt samen onze “CO2-voetafdruk”.

De derde categorie, Scope 3, gaat over CO2-emissies uit bronnen die geen eigendom van ProRail zijn, noch door ProRail worden beheerd, maar die door de zogenoemde keten in opdracht van ProRail worden bewerkt of ingekocht; bijvoorbeeld de inkoop van materialen door onze aannemers.

93 procent reductie

De daling in 2020 is een gevolg van een lager verbruik van de wisselverwarming, door inzet maatregelen en de zachte winter, en de stijging van het aandeel groen gas naar 100 procent. Ook de vergroening van de externe computerservers draagt bij aan de daling. Daarnaast is het aantal zakelijke dienstreizen gedaald als gevolg van de coronacrisis in 2020. Kijkend naar het basisjaar 2010 is er, ondanks de groei van het aantal stations en kilometers spoor, een reductie behaald van 93 procent.

De verwachte stijging voor 2021 komt vooral door het koude voorjaar en het extra verbruik van de wisselverwarming hierdoor. De grootste post in de voetafdruk is de wisselverwarming. Door maatregelen als het saneren van wissels en de ombouw van gasgestookte naar elektrische wisselverwarming zetten we, ondanks de weersinvloeden, in op een dalende lijn.

Reductie in de keten

Eens in de vier jaar doet ProRail onderzoek naar de systemen die het meeste CO2-emissie veroorzaken in de keten, scope 3. Dit heet de Dominantie Analyse. Dit jaar is de Dominantie Analyse geactualiseerd. Op basis van de uitkomst stelt ProRail een top 20 op. Deze wordt nu aangevoerd door dwarsliggers en daarna door het voertuig- en materieelgebruik van onze aannemers. Het verbruik van dieseltreinen en de bouw van kunstwerken (spoorbruggen en -viaducten) volgen hierna.

De totale scope 3-emissies van ProRail worden in de Dominantie Analyse geschat op 302 kton CO2 per jaar. Dit is fors hoger dan de 137 kton per jaar uit de vorige analyse (2017). Deze toename komt door het opnieuw opnemen van de treinketen en door een andere berekeningswijze van het ‘voertuig- en materieelgebruik aannemers’. Samen zijn deze emissies goed voor 172 kton per jaar. Daarnaast zijn ook de emissies in de materialenketen toegenomen door grotere aantallen en wijzigingen in emissiefactoren. De jaarlijkse emissie is hiervan is gestegen van 111 kton CO2 per jaar naar 130 kton CO2 per jaar.

Routekaart Verduurzaamt

In 2020 heeft ProRail haar nieuwe strategie voor duurzaamheid vastgelegd in de ‘Routekaart Verduurzaamt’. Hierin zijn onze duurzame ambities en doelstellingen bepaald. Voor CO2 heeft ProRail de ambitie om in 2030 55 procent CO2-reductie (scope 1 t/m 3) te realiseren t.o.v. 2015 (exclusief scope 3 emissies van elektrische treinen, aangezien de uitstoot hiervan al is vergroend).

De uitwerking van deze ambitie gebeurt door het uitvoering van ons CO2- en Energiebesparingsplan. In dit plan, dat een looptijd heeft van 2021-2025, zijn streefwaarden voor CO2- en energiereductie uitgewerkt en geconcretiseerd naar maatregelen per jaar. De streefwaarden zijn:

  • Scope 1 en 2, maximale uitstoot van 5 kton CO2 per jaar;
  • Scope 3:
    • Een reductie van 39 kton per jaar in de materialenketen;
    • Een maximale uitstoot van 114 kton in de treinketen.
Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

The World Business Council for Sustainable Development (WBCSD) and PwC UK have today unveiled a new report for business outlining incentives for supply chain decarbonization. The new report – entitled “Reaching net zero: incentives for supply chain decarbonization” – introduces a new framework to support businesses to motivate action amongst their suppliers and was developed in consultation with 11 multinational corporations.

The framework outlines four significant incentivization approaches, that include levers ranging from penalty- to reward-based, as well as financial and non-financial. The report is supported by case study examples of how companies, including Microsoft and Phillips, are already using these levers to drive climate action within their supply chains and limit their Scope 3 emissions.

A significant number of multinational businesses have set net zero targets to address the interlinked climate, nature and inequality crises. To achieve these net zero targets, businesses must reduce their Scope 3 emissions – indirect emissions that occur in a company’s value chain.

Emissions from supply chains comprise the vast majority of total corporate sector greenhouse gas emissions, roughly the equivalent to 11 times the emissions that result from the direct operations of businesses. It is therefore essential that companies address these.

However, the combination of competing business priorities and supply chain complexity has led to many organizations stalling or delaying action to address their Scope 3 emissions. Incentivization plays a vital role in abating emissions from corporate supply chains and multinationals are uniquely positioned to support and influence the decarbonization journey of their suppliers through the use of incentives.

“The business imperative to decarbonize supply chains is crucial if we are to achieve a net zero, nature positive and equitable future for 9+ billion people to live, within planetary boundaries, by 2050,” commented John Revess, Director of Net Zero Transformation at WBCSD. “Competing organizational priorities have meant that action to abate Scope 3 emissions has been limited, but our new report, developed with PwC, is a timely guide to help corporates take climate action through incentivization to decarbonize their supply chains.”

Dan Dowling, Sustainability and Climate Change Partner at PwC UK, added: “Companies’ net zero commitments require a much more ambitious value chain response. To successfully decarbonize, organizations not only need to define the incentivization strategy, tools and investments within their own supply chains, but also collaborate cross-industry and harmonize approaches to accelerate action.

“Fueled by the insights and experiences of WBCSD members, the launch of this report offers a pathway towards much-needed clarity and consistency for those on the front line of taking action on supply chain decarbonization and reducing Scope 3 emissions.”

Download the report (pdf)

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Partner

Ondanks de belofte om te verduurzamen zijn er nauwelijks bedrijven die daadwerkelijk haast maken met dit streven. Dat blijkt uit onderzoek van South Pole, projectontwikkelaar en leverancier van klimaatoplossingen. Ambities worden zo ver doorgeschoven dat de haalbaarheid nog maar zeer de vraag is. En ondanks dat aanpassing aan klimaatveranderingen als een absolute prioriteit wordt gezien ontbreekt in veel gevallen een duidelijke strategie hiervoor en wordt er nog maar nauwelijks budget voor vrijgemaakt. Ook in Nederland zijn de groene ambities van bedrijven nog lang niet altijd terug te zien.

Voor het onderzoek vroeg South Pole 200 bedrijven wereldwijd naar de plannen om te verduurzamen. Daaruit blijkt dat het bedrijfsleven steeds vaker beloftes doet om groener te worden. Bijna de helft van de ondernemingen geeft aan dat zij net zero emissiedoelstellingen hebben vastgesteld, wat neerkomt op het streven om CO2-neutraal te worden. In veel gevallen zijn deze beloftes niet wetenschappelijk onderbouwd en nauwelijks realistisch te noemen. In zestig procent van de gevallen moet dit streven pas na 2040 zijn gerealiseerd, of is er niet eens een jaartal op de ambities geplakt.

In Nederland heeft nog geen tien procent van de Nederlandse ondernemingen de net zero emissiedoelstellingen vastgesteld, concludeert René Groot Bruinderink, Head Climate Solutions Nederland van South Pole. “De situatie in Nederland en de conclusies uit het onderzoek maken duidelijk dat bedrijven zich niet realiseren dat er haast gemaakt moet worden met verduurzamen. Ook voor de bedrijven zelf, die zich al op zeer korte termijn moeten gaan houden aan afspraken hierover. Het niet hebben van een plan en doelstelling kan voor hen grote problemen opleveren.”

Worsteling

Het onderzoek toont verder de worsteling van het bedrijfsleven met klimaatverandering aan. In totaal noemt 58 procent van de ondervraagde bedrijven aanpassingen op dit gebied een belangrijke prioriteit. Een op de vijf vindt echter dat het over een duidelijke strategie beschikt om klimaatveranderingen het hoofd te bieden. Slechts zeven procent van de bedrijven heeft daadwerkelijk extra budget vrijgemaakt om deze plannen ook uit te voeren. Opvallend is dat de bedrijven de druk om te verduurzamen voornamelijk voelen vanuit consumenten. Ondanks toenemende inmenging van de overheid wordt dit nauwelijks als drukmiddel ervaren.

René Groot Bruinderink sprak op 11 november jl. tijdens het Nationaal Sustainability Congres in Hilversum over de uitkomsten van het onderzoek. In een paneldiscussie sprak hij daarnaast over de rol die de financiële sector idealiter zou moeten spelen op de duurzaamheidsbeslissingen in het bedrijfsleven.

Lees meer over het onderzoek

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

De zes industriële clusters die Nederland telt hebben elk een strategie opgesteld voor het verminderen van de broeikasgasuitstoot. De strategieën beschrijven ook welke energie-infrastructuur dit vergt. Als alle plannen van bedrijven zouden worden uitgevoerd, kan daardoor de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 dalen met circa 31 megaton. De plannen van bedrijven zijn zelden al definitief; realisatie is mede afhankelijk van de tijdige beschikbaarheid van energie-infrastructuur en van financiering. Als Nederland de huidige industrie wil behouden en wil ondersteunen in de transitie naar een uitstootvrije toekomst, dan is de gevraagde infrastructuur daarvoor onmisbaar. Dat zijn enkele conclusies uit het rapport ‘Reflectie op Cluster Energiestrategieën (CES 1.0)’ dat het PBL, TNO en RVO.nl gezamenlijk hebben opgesteld, op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Het behalen van de doelen uit het Klimaatakkoord en de verdere transitie naar een uitstootvrije economie in 2050 vragen om een forse uitbreiding van de energie-infrastructuur. Het gaat om infrastructuur voor transport van elektriciteit, waterstof, CO2, warmte en grondstoffen. Het tijdig realiseren hiervan is ingewikkeld. Om knelpunten die tot vertraging kunnen leiden op te lossen heeft de rijksoverheid het Nationaal Programma Infrastructuur Duurzame Industrie (PIDI) opgericht. Hierin werken alle betrokken partijen samen aan het versneld realiseren van de benodigde infrastructuur. Als eerste stap hebben industriële bedrijven, netbeheerders, energieproducenten en regionale overheden in 2021 gezamenlijk Cluster Energiestrategieën (CES’en) opgesteld. Het uitgebrachte rapport is een reflectie op deze strategieën.

Plannen kunnen zorgen voor aanzienlijke uitstootreductie in 2030

Van het genoemde potentieel van 31 megaton CO2-equivalenten uitstootvermindering wordt 21 megaton in de industrie zelf gerealiseerd, en de overige 10 megaton geheel of gedeeltelijk buiten de industrie. Ter vergelijking: in 2020 bedroeg de uitstoot van de industrie 53,5 megaton. Afvang en opslag van CO2 en het produceren van groene waterstof leveren het leeuwendeel van de uitstootvermindering in de plannen. De mogelijke uitstootvermindering in de industrie zoals beschreven in de CES’en is aanzienlijk meer dan de doelstelling voor 2030 uit het Klimaatakkoord van 2019.

Groeiende elektriciteitsvraag en lange realisatietijd maken verzwaring elektriciteitsnetten urgent

De elektriciteitsvraag van de industrie neemt bij uitvoering van alle plannen toe van 43 terawattuur (TWh) nu naar 128 TWh in 2030. Circa 40 procent van die groei komt door productie van waterstof via elektrolyse. Het elektrolyservermogen in de CES’en telt op tot zo’n 9 gigawatt in 2030. De extra elektriciteitsvraag vraagt om een evenredige toename van CO2 -vrije stroom, om een groeiende uitstoot in de elektriciteitssector te voorkomen. Bij de aanleg van elektriciteitsinfrastructuur zullen prioriteiten gesteld moeten worden, want niet alles wat wordt gevraagd, kan gelijktijdig gerealiseerd worden.

Knelpunten oplossen om tijdige realisatie plannen in CES’en mogelijk te maken

Voor versnelde realisatie van de infrastructuur is het wenselijk dat het PIDI de clusters ondersteunt bij vergunningsprocedures en planologische procedures, en voorstellen doet voor het wegnemen van financiële en organisatorische knelpunten. Daarnaast zal wet- en regelgeving aangepast moeten worden om proactief en planmatig investeren in infrastructuur door netbeheerders mogelijk te maken.

Achtergrondinformatie

Er zijn CES’en opgesteld voor de vijf grote industriële clusters (Noord-Nederland, Noordzeekanaalgebied, Rotterdam-Moerdijk, Zeeland-West Brabant en Chemelot in Limburg) en voor de overige industrie (aangeduid als cluster 6). In deze CES’en is de vraag naar energie-infrastructuur
aangegeven die ontstaat bij uitvoering van plannen van bedrijven om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, en als gevolg van de verwachte groei en vestiging van nieuwe bedrijven. De reflectie van PBL, TNO en RVO.nl is uitgevoerd op basis van de gegevens in de strategieën zoals die zijn aangeleverd op 15 september 2021. De CES Noordzeekanaalgebied werd ten tijde van schrijven van het rapport nog aangepast om rekening te houden met de in september 2021 aangekondigde koerswijziging van Tata Steel ten aanzien van de verduurzaming van de  taalproductie. Deze verandering kon in het rapport daarom nog niet worden meegenomen. Van het zesde cluster is het eerste concept ontvangen dat de opmaat is naar de definitieve CES.

Share Button

[ad_2]

Source link

Berichten paginering