[ad_1]

Partner

Een consortium onder leiding van TNO is vandaag gestart met een onderzoek naar nieuwe flexibele zonne-energiesystemen op water. Het systeem dat bestaat uit flexibele drijvers met daarop gemonteerde flexibele zonnepanelen, is de afgelopen dagen geïnstalleerd in het Fieldlab Green Economy Westvoorne in het Oostvoornse Meer, vlakbij de Maasvlakte. De pilot loopt tot de zomer van 2022 en is de eerste stap in het realiseren van economisch rendabele zonnepaneelsystemen op zee.

De technische uitdagingen

In dit onderzoek kijkt het consortium in het fieldlab naar verschillende aspecten zoals energie-opbrengst van de flexibele zonnepanelen, gedrag van de drijvers bij golven en harde wind, de aangroei van organisch materiaal en economische rendabiliteit.

Zon op water zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren aan de energietransitie. In 2050 wordt in Nederland tweehonderd gigawattpiek (GWp) aan opgewekte zonne-energie voorspeld, waarvan 25 GWp op zonnepanelen op binnenwater en 45 GWp op zonnepanelen op zee.

Om dat te benutten moeten er wel nog stappen worden gezet stelt Wim Soppe, onderzoeker van TNO en manager van het project Solar@Sea II: “Zon op zee of offshore PV bestaat nu eigenlijk nog niet. Het is technisch zeer uitdagend om op zee grote drijvende systemen met zonnepanelen te installeren en tientallen jaren in bedrijf te houden. Daarbij komt dat het vanwege het dure materiaalgebruik voor zware stijve drijvers vaak lastig is om deze systemen economisch rendabel te maken. Voor dit nieuwe concept is veel minder materiaal nodig en daarom hebben we goeie hoop dat het veel goedkoper uitvalt.”

Meebuigen met golven

Het concept bestaat uit twee drijven van 7x13m. met daarop 20 kWp aan zonnepanelen. Het bijzondere aan de opstelling is dat zowel de zonnepanelen als de drijvers van flexibel materiaal (dunne-film pv) zijn gemaakt die door het consortium zijn ontwikkeld.

Installatie flexibel zonne-energiesysteem op Oostvoornse Meer

Door deze toepassing buigen de drijvers en de panelen mee met de golven. Ze bieden minder weerstand aan de golven waardoor de drijvers en de verankering lichter, en daarmee goedkoper, kunnen worden uitgevoerd dan bij starre drijvers.

Verschillende aspecten van belang

Het project wordt uitgevoerd door een breed consortium; naast TNO zijn Bluewater Energy Services, Genap, Marin, Endures en Avans Hogeschool als partner betrokken. Bluewater is verantwoordelijk voor de verankering van het systeem, Genap heeft de flexibele drijvers ontwikkeld, Marin heeft de hydrodynamische eigenschappen van de drijvers in hun modeltest basin getest, Endures onderzoekt (voorkomen van) organische aangroei op de panelen en drijvers en Avans ontwikkelt onderhoud en recycling strategieën voor dit concept.

Vervolgstappen

Na de afronding van dit project is de vervolgstap het bouwen en installeren van een systeem op de Noordzee. In eerste instantie is het doel om daarmee een efficiënte installatie- en onderhoudsmethode te testen die het consortium nu al aan het ontwikkelen is. Dit is belangrijk omdat installatie en onderhoud van drijvende systemen op zee veel lastiger is dan op land en daarmee zomaar veel duurder kan uitpakken.

Vervolgens is de ambitie om rond 2024 een commercieel systeem van 1-5 MWp te gaan bouwen dat aangelegd en elektrisch aangesloten kan worden bij een van de nieuwe windparken op de Noordzee. Omdat de productie van zon- en windenergie in de tijd elkaar weinig overlappen hoeven hiervoor geen extra kabels naar land gebracht te worden.

Zon op water

Dit onderzoek vormt een belangrijke stap in de roadmap die is opgesteld door het Nationaal Consortium Zon op Water. Het Solar@Sea II project wordt uitgevoerd met Topsector Energiesubsidie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het Fieldlab Green Economy Westvoorne is mede mogelijk gemaakt door TNO en het Innovatieprogramma Energie & Klimaat, een initiatief van Metropool regio Rotterdam Den Haag, InnovationQuarter en de provincie Zuid-Holland.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Per 1 januari 2022 wordt Peter Molengraaf het nieuwe boegbeeld van de Topsector Energie. Hij neemt het stokje over van Manon Janssen, die de afgelopen negen jaar deze nevenfunctie bekleedde. Het ministerie van EZK heeft de boegbeeldwissel officieel bekend gemaakt in de Staatscourant deze week.

Manon Janssen heeft als boegbeeld van de Topsector Energie de organisatie zien veranderen van een innovatief samenwerkingsverband met een sterk technische focus naar een steeds groter wordende netwerkorganisatie met een integrale meerjarige aanpak die past bij de ambities van het Klimaatakkoord. Daarbij heeft ze bovendien een uitzonderlijke rol gepakt bij het aansturen van de Industrietafel rondom de totstandkoming van het Klimaatakkoord. De functie van boegbeeld is een nevenfunctie, dat in deeltijd wordt vervuld.

Manon Janssen: ‘Ik vind het tijd om het stokje door te geven. Mijn dagelijkse werk, als CEO en voorzitter van de Board of Management van Ecorys, vraagt meer aandacht voor de internationale groei; ik ben dus ook minder in Nederland. Bovendien is de energietransitie gigantisch in aandacht gegroeid de afgelopen jaren. Dat is noodzakelijk, maar vraagt ook meer tijd en een frisse blik. En met het zicht op een nieuw kabinet dat hopelijk de energietransitie nog meer versnelling zal geven, is dit een goed moment. Ik draag met plezier daarom het stokje over aan Peter die met een prachtig track-record zeer goed beslagen ten ijs zal komen om innovatie van de energietransitie te blijven ondersteunen vanuit de Topsector Energie.” Manon blijft beschikbaar voor de Topsector Energie en de overheid om de energietransitie internationaal te ondersteunen.

Peter Molengraaf: ‘Manon heeft de Topsector Energie met verve geleid, en ons samenwerkingsmodel binnen de Topsector nationaal en internationaal uitgedragen. Ook is de omslag gemaakt naar meer missie georiënteerde onderzoeks- en innovatieprogramma’s. Ik vind het een eer het stokje van haar over te nemen en samen met de missieteams en de TKI’s richting te geven aan de ontwikkelingen van nieuwe Nederlandse technologie en innovaties die bijdragen aan de invulling van onze klimaatambities en het verdienvermogen van Nederland voor de toekomst.’

Peter Molengraaf (1965) is een bekend gezicht in de energiesector. Hij studeerde Computer Science aan de TU Delft en haalde daarna een MBA aan de Erasmus Universiteit. Hij begon zijn carrière bij Shell in diverse business- en projectmanagement functies. In 2005 maakte hij de overstap naar de utiliteitssector en was hij directeur in diverse functies bij Nuon en CEO bij Alliander. Sinds enkele jaren is hij actief als toezichthouder onder meer bij Invest-NL, Kadaster en het Holland Solar. Deze functies blijft hij bekleden naast zijn nieuwe rol als boegbeeld van de Topsector Energie.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Partner

Ziekenhuizen realiseren volgens hun eigen plannen een CO2-emissiereductie die in 2030 fors hoger ligt dan de doelstelling in het Klimaatakkoord. Dit blijkt uit de portefeuilleroutekaarten (verduurzamingsplannen) van ziekenhuizen die TNO binnen het Expertisecentrum Verduurzaming Zorg heeft geanalyseerd. De komende jaren zal periodiek over de voortgang van de verduurzaming in de zorgsector gerapporteerd worden en aangegeven worden of er aanvullende maatregelen nodig zijn.

Portefeuilleroutekaart

Driekwart van de ziekenhuizen heeft beantwoord aan de oproep van de zorgbranches om een zogenaamde portefeuilleroutekaart in te dienen. Deze portefeuilleroutekaart maakt inzichtelijk hoe de zorginstelling met verduurzamingsmaatregelen de doelstellingen op het gebied van CO2-emissiereductie wil realiseren.

Bij realisatie van de ingediende plannen zal de CO2-uitstoot van deze ziekenhuizen in 2030 naar verwachting 59% lager zijn dan in het referentiejaar (dat varieert van 1998 tot 2020); dit is veel meer dan de doelstelling van 49% in het Klimaatakkoord.

‘Uit de plannen blijkt dat het niet om een enkele koploper met ambitieuze plannen gaat, maar om een groot deel van de ziekenhuizen dat al veel verduurzamingsmaatregelen heeft doorgevoerd en daar de komende jaren nog verder in wil gaan’, concludeert Stefan van Heumen. Van Heumen, onderzoeker van TNO, is medeauteur van de sectorale routekaart die op hoofdlijnen aangeeft wat de CO2-emissiereductie in de Zorgsector inhoudt en langs welke lijnen deze bereikt kan worden.

Minder aardgas, meer stroom

Om het aardgasverbruik te verlagen zetten de meeste ziekenhuizen in op het afschalen en uitschakelen van gasgestookte warmtekrachtkoppeling-installaties (wkk), en het aanbrengen van veelal warmtepompinstallaties die gebruik maken van warmte-koude-opslag (wko).

Alternatieven als aquathermie, geothermie, waterstof of aansluiting op een warmtenet worden minder vaak genoemd. Door de overstap naar wko hebben ziekenhuizen voor verwarming geen aardgas meer nodig, maar het zorgt wel voor een hoger stroomverbruik. Daarbij zien we de toch al grote elektriciteitsbehoefte van ziekenhuizen de komende jaren nog met ongeveer 10% toenemen.

Toch zal de CO2-uitstoot naar verwachting dalen, zeker wanneer meer duurzame energiebronnen worden gebruikt voor het opwekken van elektriciteit. Er wordt door ziekenhuizen al gebruik gemaakt van zonnepanelen, maar deze leveren slechts een paar procent van de totale stroombehoefte van de ziekenhuizen op, volgens Van Heumen. De verwachting is dat de verduurzaming van de elektriciteitsopwekking zich de komende jaren met technologische ontwikkelingen en alternatieve energiebronnen positief zal ontwikkelen.

Verduurzaming nog niet op alle terreinen mogelijk

Het is voor ziekenhuizen nog niet goed mogelijk om op alle terreinen te verduurzamen. Zo zijn er nog vrijwel geen CO2-arme alternatieven voorhanden voor de luchtbevochtiging. Dit wordt vanuit hygiënisch oogpunt in ziekenhuizen nu nog gedaan met stoom die via aardgas wordt geproduceerd. Ziekenhuizen zijn terughoudend met het toepassen van nieuwe technieken die zich nog niet of in onvoldoende mate hebben bewezen. Dit om kwetsbare patiënten te beschermen.

Doelstelling 2050 is nog niet in zicht

De ziekenhuizen lijken voor 2030 dus goed op koers te liggen, maar de gevraagde 95% emissiereductie in 2050 is nog wel een uitdaging. Hiervoor zullen forse investeringen in het vastgoed moeten worden gedaan die zich niet zomaar terugverdienen door extra energiebesparing. Het juiste moment voor deze investeringen zal onder meer afhangen van wanneer vervangende nieuwbouw of renovatie nodig is.

Daarbij is het nog de vraag hoe deze investeringen zoals bijvoorbeeld extra isolatie bekostigd kunnen worden. Technologische ontwikkelingen die in de komende jaren verduurzamingsmaatregelen betaalbaarder en efficiënter maken, zullen bijdragen aan de haalbaarheid van de doelstelling.

Voortgang monitoren

Om de voortgang en de uitvoering van de verduurzamingsplannen goed te kunnen monitoren is afgesproken dat de portefeuilleroutekaarten periodiek, om de 2 tot 4 jaar, zullen worden geanalyseerd. Op verzoek van het ministerie van VWS en de zorgbranches zullen, vanuit het programma Expertisecentrum Verduurzaming Zorg (EVZ) waar TNO een belangrijke bijdrage aan levert, deze routekaarten de komende jaren worden verzameld, gebundeld en geanalyseerd om tot een beeld van de voortgang op sectoraal niveau te komen.

Het gaat bij verduurzaming overigens niet alleen om de reductie van CO2-emissie, er is ook een wettelijke plicht tot vermindering van het totale energieverbruik. Door de overheid wordt gewerkt aan een eindnorm voor het energieverbruik voor alle gebouwen in 2050. Wat de waarde van deze eindnorm wordt is nog niet duidelijk en deze zal afhankelijk zijn van de vastgoedfunctie. In de analyse door het EVZ wordt, vooruitlopend op de normering naast de CO2-emissie, ook het energieverbruik in kaart gebracht.

Het EVZ is het kenniscentrum voor het terugdringen van de CO2-uitstoot bij zorgvastgoed. Het ondersteunt de zorgsector bij het realiseren van de klimaatdoelen. Het kenniscentrum wordt uitgevoerd door Stichting Stimular en TNO.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

CDP today launches a new climate disclosure framework, in collaboration with the SME Climate Hub, and created in partnership with the Exponential Roadmap Initiative and Normative, to empower small and medium-sized enterprises (SMEs) to make strategic and impactful climate commitments, track and report progress against those commitments, and demonstrate climate leadership.

The transition to net-zero is underway. SMEs need to take climate action to build business resilience, gain competitive advantage, keep up with supply chain demands and policy regulation, and meet consumer expectations. While many businesses are demonstrating transformational ambition on climate action, much of the progress made has been driven by large, high emitting, global corporations. Support and guidance for sustainability reporting has often not catered to the needs of SMEs who are increasingly being requested to make climate commitments and report against progress by their stakeholders and lenders. Further, SMEs are a significant innovation force for climate solutions, which enables their customers to avoid or reduce emissions. Disclosure makes it possible to attract investments and expand business.

With supply chain emissions being 11.4 times higher than operational emissions, many large companies want their suppliers – often SMEs – to measure, report and cut down their own emissions – cascading climate action down the supply chain. This has wide economic and societal impacts as SMEs play a major role in most economies worldwide; globally, they represent about 90% of businesses and more than 50% of employment worldwide1. SMEs are major engines of value creation, accounting for between 50% and 70% of value added in OECD economies and contributing to, on average, 33% of GDP in emerging economies.

It is therefore crucial that SMEs are equipped with the tools and resources needed to set commitments aligned with a 1.5°C future and disclose environmental performance. The new, open SME Climate Disclosure Framework is built upon CDP’s expansive experience working with corporations, including over 1,800 disclosing SMEs ranging 50+ countries, and is intended to be simple, flexible, easy to understand and accessible to all. The framework improves SMEs’ ability to report their climate impacts and strategies to multiple stakeholders and will provide a foundation for implementing simplified reporting tools on the SME Climate Hub.

Sonya Bhonsle, CDP’s Global Head of Value Chains and Regional Director of Corporations, commented: “SMEs play a major role in economies around the world; without them, we cannot limit global temperature rise to 1.5°C. We are delighted to have launched a framework in partnership with the SME Climate Hub that caters specifically to the sustainability reporting needs of SMEs. We hope the framework empowers SMEs to take climate action, and in turn, increases their resilience to climate change and allows them to play an active role in the transition to a low carbon economy.”

María Mendiluce, CEO of We Mean Business Coalition, a co-founding partner of the SME Climate Hub, said: “Over 3,000 companies have joined the SME Climate Hub, committing to cut carbon emissions in half by 2030 and reach net zero emissions by 2050 or sooner. With scalable, accessible tools like the CDP reporting framework, these businesses can move from commitment to action, and effectively track progress to meeting our collective ambition.”

Johan Falk, CEO of Exponential Roadmap Initiative, and a co-founding partner of the SME Climate Hub, said: “SMEs need to be able to report progress on climate action to gain a competitive business advantage. The climate disclosure framework provides a strong, common foundation for the development of key reporting tools on the SME Climate Hub, guided by simplicity.”

Kristian Rönn, CEO and Co-founder of Normative, said: “To limit global temperature rise to 1.5°C and prevent the most catastrophic effects of climate change, every business needs to achieve net-zero emissions. But we recognize that small companies have limited finances and resources. That’s why we are developing free tools to engage SMEs in the race to net zero, helping them calculate, understand, and reduce their emissions. Because we know that in the end, what gets measured gets managed.”

The framework provides key climate-related reporting indicators and metrics that SMEs should be reporting on and encourages setting targets grounded in science. Its modular design provides flexibility for SMEs and data requesters to tailor the use of the framework to their disclosure needs. CDP sought feedback from SMEs and SME stakeholders on a draft version earlier this year, which was then used to shape the final framework. Some of the changes made as a result of that consultation included further streamlining to represent the minimum reporting, specific guidance for micro and small SMEs, and definitions for the more complex terminology.

Download the framework (pdf)

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Een brede coalitie van bedrijven en branche- en milieuorganisaties pleit voor het opnemen van scherpe doelen in het regeerakkoord voor mobiliteit zonder uitstoot. Door het stellen van een ‘vlootnorm’ zouden alle nieuwe zakelijke personenauto’s vanaf 2025 nulemissie aan de uitlaat (dus elektrisch of op waterstof) moeten zijn. Dat levert 1 Mton CO2-besparing op in 2030. Om de uitstoot van CO2, stikstof en fijnstof terug te dringen is een ambitieuze vlootnormering voor werkgevers essentieel. Uiterlijk in 2030 zouden alle nieuwe personenauto’s nulemissie moeten zijn in lijn met het Klimaatakkoord. Deze ‘road to zero’-coalitie bestaat uit grotere werkgevers, elektrische rijders, milieuorganisaties, gemeenten en bedrijven uit de leasebranche, laadinfrastructuur en nulemissie-voertuigfabrikanten.

Deze coalitie pleit voor het opnemen van de volgende doelen in een regeerakkoord:

  • Vanaf 2025 zijn alle nieuwe personenauto’s van de zaak nulemissie
  • Alle nieuwverkochte personenauto’s zijn uiterlijk in 2030 nulemissie (conform Klimaatakkoord)

Uit de Klimaat- en Energieverkenning van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat de mobiliteitssector nog vier megaton CO2-uitstoot moet verminderen om de doelen van het Klimaatakkoord in 2030 te halen. Bovendien wordt het klimaatdoel hoger door het Europese Fit-for-55-pakket. Naast klimaatimpact heeft een snelgroeiende nulemissie-vloot ook voordelen voor de luchtkwaliteit, minder stikstofuitstoot en meer groene banen in Nederland.

Om de klimaatdoelen te kunnen halen is forse groei van het aantal voertuigen zonder uitstoot in de vloot noodzakelijk. Mobiliteit is verantwoordelijk voor twintig procent van de totale CO2-uitstoot in Nederland. Bijna de helft van de uitstoot in wegmobiliteit is afkomstig van werkgebonden personenmobiliteit. Ruim 55 procent van de jaarlijks verkochte nieuwe personenauto’s gaat naar de zakelijke markt.

Zero emissie loont niet alleen voor klimaat en leefomgeving, maar ook voor werkgevers. In termen van Total Cost of Ownerschip (TCO) dalen de kosten van emissieloos vervoer snel. Dit komt onder meer door snel dalende batterijprijzen, en het feit dat de energie- en onderhoudskosten veel lager zijn dan bij auto’s met verbrandingsmotor.

Nederland zou internationaal geen uitzondering vormen met vlootnormering voor werkgevers. Zo is in België recent een wet aangenomen die de facto auto’s van de zaak met uitstoot vanaf 2026 verbiedt.

Coalitie van bedrijven en organisaties:

ABN-AMRO, Aegon, Allego, Arcadis, ASR, Deloitte, Vereniging Doet, Eneco, ENGIE, Essent, Fastned, Gemeente Amsterdam, Gemeente Rotterdam, Greenchoice, LeasePlan Nederland, Lightyear, Natuur& Milieu, Nederlandse Vereniging Duurzame Energie, Philips, Royal HaskoningDHV, Schiphol, Shell, Signify, Sweco, Tennet, Thales Nederland, Vattenfall, Vebego, Vereniging Elektrische Rijders en VodafoneZiggo.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Partner

Roland Pechtold, heeft besloten om per 1 juli 2022 terug te treden als algemeen directeur van GroenLeven. De huidige COO Peter Paul Weeda volgt Pechtold op. Pechtold zal tot januari CEO zijn en vanaf 2022 tot aan juli volgend het CEO-schap met Weeda delen. De nieuwe strategische koers met een verbreding van energieoplossingen – naast zon, ook wind, waterstof en energieopslag – is voor Pechtold een mooi natuurlijk moment een stap opzij te doen.

Pechtold: “GroenLeven heeft de afgelopen jaren een enorme groeispurt gemaakt. We zijn van een Friese startup in de klei uitgegroeid tot marktleider zonne-energie. Dat komt doordat ik samen heb kunnen werken met een club mensen die met grote passie dag in, dag uit bezig zijn geweest om van dit bedrijf een onmisbare schakel in de hernieuwbare energiemarkt te maken. De tijd is rijp om ons blikveld te verbreden naar brede energieoplossingen en Peter Paul is de juiste man om GroenLeven in deze fase te leiden, door zijn jarenlange ervaring bij ons en in de duurzame energiebranche. Verder mogen we in onze handjes knijpen met de directie waarmee hij het samen gaat doen.”

Weeda: “Ik ben trots dat ik GroenLeven verder vorm mag geven met het uitrollen van de nieuwe strategie. De inspanningen van Roland en het team hebben prachtige resultaten opgeleverd. Nu mag ik dat stokje overnemen en zal daarin samen met het nieuwe directieteam en alle andere collega’s gaan bouwen aan een stevig fundament voor de toekomst. We gaan verder verbreden en de internationale verbinding verder aanhalen. Dit team met al zijn capaciteiten is een enorm sterke basis om deze uitdagingen op te pakken. Het geeft veel energie om dit mooie bedrijf weer een stap verder te brengen en daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan de energietransitie.”

Pechtold zal zich tijdens de tweekoppige CEO-periode vanaf januari vooral richten op het realiseren van energielandschappen en zijn contacten inzetten om GroenLeven een nog meer zichtbare speler in de energiemarkt te laten zijn. Verder zal hij samen met Weeda werken aan het bestendigen van de verbreding van energiediensten. De nieuwe directie bestaat verder uit Hielkje Reindersma, die Weeda opvolgt als Chief Operating Officer (COO). Kerabi Aslan is tot Chief Commercial Officer (CCO) benoemd. Samen met de huidige Chief Financial Officer (CFO) Ewoud Helmholt vormen zij de nieuwe directie van GroenLeven. Na de zomer van 2022 zal Pechtold zich blijven inzetten voor zijn ‘groene missie’ het tegengaan van klimaatverandering en het aanjagen van hernieuwbare energieoplossingen.

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Er liggen volop kansen om kennis en innovatie beter in te zetten voor de grote uitdagingen van de samenleving, zoals klimaatverandering, de toekomst van de gezondheidszorg of een eerlijke data-economie. Dat blijkt uit onderzoek van het Rathenau Instituut. Tussen uitvinding en uitdaging bevat suggesties om de maatschappelijke impact te vergroten van kennis bij universiteiten en innovaties van startende ondernemers.

Universiteiten kunnen randvoorwaarden scheppen om ondernemerschap onder studenten en personeel te bevorderen. De overheid kan de structurele financiering aanpassen, zodat universiteiten zichzelf beter kunnen organiseren om hun kennis voor maatschappelijke opgaven te benutten. En nadere richtlijnen zijn nodig voor de verdeling van de baten uit ondernemerschap en intellectueel eigendom, die hun oorsprong vinden in publiek-gefinancierde kennis.

Dit zijn enkele suggesties van het Rathenau Instituut in het rapport Tussen uitvinding en uitdaging. Over de relatie tussen universiteiten, start-ups en de samenleving . Op basis van een literatuurstudie en interviews schetst het Rathenau Instituut een visie op de relatie tussen universiteiten, start-ups en de samenleving die om maatschappelijke innovatie vraagt.

Innovaties voor bijvoorbeeld energie, gezondheid en mobiliteit zijn veelal gebaseerd op kennis binnen en rondom universiteiten. Startende ondernemingen streven er soms bewust naar die kennis in te zetten voor de ontwikkeling van innovaties met maatschappelijke impact. Maar universiteiten zijn onafhankelijke kennisinstellingen. Willen bedrijven overleven, dan zullen zij winst moeten maken. En wat gezien wordt als een maatschappelijke uitdaging, is deels uitkomst van een politiek proces. Het is dus de vraag hoe deze driehoeksverhouding tussen universiteiten, start-ups en de samenleving opbrengsten kan genereren voor elk van deze partijen.

Tussen uitvinding en uitdaging laat zien welke vormen van ondersteuning universiteiten aan start-ups kunnen bieden, waar de knelpunten in die relatie zitten en welke handelingsopties alle partijen hebben om onbenutte kansen te verzilveren.

“Universiteiten, start-ups, het Rijk en de EU kunnen elkaar vinden in de gedeelde missie om kennis en innovatie in te zetten voor maatschappelijke opgaven”, aldus Jasper Deuten, themacoördinator Vitale wetenschap en kennisecosystemen van het Rathenau Instituut. “Ons onderzoek laat volop kansen zien om het opgavegerichte innovatiebeleid van de overheid te verrijken.”

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Na de eerste stap, waarin wordt overgeschakeld naar gas, kan de stap naar waterstof worden gezet. De studie van Roland Berger laat zien dat het mogelijk is om al voor 2030 over te stappen op de Direct Reduced Iron technologie (DRI). Via deze technologie wordt ijzer geproduceerd op basis van aardgas of waterstof in combinatie met elektrische ovens. Het neerzetten van een DRI installatie betekent dat het huidige proces van ijzer smelten met hoogovens, in combinatie met kooks- en gasfabrieken, ophoudt. Vanaf het moment dat de nieuwe installaties in werking zijn, kunnen verschillende fabrieken op het terrein sluiten, waardoor overige emissies verder afnemen.

Nu al veel voorbereidend werk

Hans van den Berg, directievoorzitter Tata Steel Nederland (TSN): “Wij zijn blij met de adviezen uit het Roland Berger rapport. We werken hard om waterstof nog eerder in te zetten dan in het rapport wordt aangegeven. We zien ambitieuze tijdlijnen die zijn neergezet. Als we die halen, heeft het onze voorkeur om meteen waterstof in te zetten. We doen nu al veel voorbereidend werk. Te denken valt aan het inzichtelijk krijgen welke installaties nodig zijn en hoe die in te passen op het terrein. En het opstarten van het vergunning traject. Wij kunnen op die manier ook de impact op de leefomgeving verder terugbrengen. De uitvoering van Roadmap Plus zet op dit vlak al een grote stap tussen 2022 en 2025.”

Oproep belanghebbenden snel duidelijkheid te geven

Cihan Lacin, bestuurder FNV Tata Steel: “We zijn verheugd dat het eindrapport bevestigt dat de route “Groen Staal”, haalbaar is. Ook Tata Steel begreep snel dat deze route de toekomst van het bedrijf maximaal waarborgt. Het is nu zaak om alles in werking te stellen om die groene en duurzame route zo snel mogelijk op te tuigen. Dat kan niet zonder hulp vanuit de overheid. We roepen als FNV dan ook alle belanghebbende partijen op om samen op te trekken en zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden over tijdslijnen, technologische keuzes en de effecten op korte, en lange termijn. Dat verdient Tata Steel en alle werknemers van het bedrijf als ook de omwonenden.”

Overheid aan zet

Uit het rapport blijkt dat Tata Steel zo snel mogelijk moet beginnen om alles gerealiseerd te krijgen. De overheid is aan zet als het gaat om de versnelling van het doorlopen van de benodigde vergunning trajecten. Maar ook ten aanzien van de inrichting van de infrastructuur voor waterstof. Er moet meer aandacht komen voor het ontwikkelen van de benodigde wet- en regelgeving ten behoeve van de energietransitie.

Sociaal Contract Groen Staal

Op verzoek van de FNV wordt daarnaast gesproken over een Sociaal Contract Groen Staal. Lacin: ‘Samen met de directie willen we dit contract opstellen waarmee we de belangen van de medewerkers tijdens en na deze transitie borgen. Want deze grote verandering van het productieproces heeft directe gevolgen voor het werk van de werknemers van Tata Steel.’

[ad_2]

Source link

[ad_1]

Grote datacenters in Nederland zullen in 2030 naar verwachting 1,3 gigawatt (GW) aan stroom verbruiken, tegenover 0,72 GW eind 2021. Dit blijkt uit een nieuw rapport dat is gepubliceerd door onderzoeksbureau BloombergNEF in samenwerking met Eaton en Statkraft. Dit cijfer is gebaseerd op een gemiddeld groeiscenario: in het rapport wordt ook een agressiever groeiscenario geschetst, waarbij het verbruik tegen 2030 1,5 GW zal bedragen. Hoewel datacenters over het algemeen enkel worden gezien als stroomverbruikers, concludeert het rapport dat ze eigenlijk een ongebruikte bron zijn om het elektriciteitsnet te ondersteunen en de integratie van duurzame energiebronnen te stimuleren. 

Het rapport, Data Centers and Decarbonization: Unlocking Flexibility in Europe’s Data Centers, onderzoekt de groei van datacenters in vijf landen (Nederland, Duitsland, Ierland, Noorwegen en het VK) en hun potentieel om bij te dragen aan de flexibiliteit van het elektriciteitsnet. In heel Europa zullen wind- en zonne-energie tegen 2030 naar verwachting 60% van de totale energieopwekking uitmaken. Deze toename zal een grotere behoefte aan flexibiliteit met zich meebrengen. Het rapport benadrukt dat een groter bewustzijn van de flexibele mogelijkheden van datacenters noodzakelijk is, niet alleen bij beheerders en gebruikers, maar ook bij netbeheerders en regelgevers.

Datacenters in de vijf onderzochte landen zouden volgens het rapport in totaal 16,9 GW aan flexibiliteit kunnen leveren via hun lokale Uninterruptible Power Supply (UPS), back-up-generatoren, back-upbatterijen en load-shifting. Dat is meer dan de verwachte energievraag van de datacenters zelf, omdat deze bronnen in principe elk afzonderlijk flexibiliteit kunnen bieden aan het elektriciteitsnet: door minder energie te verbruiken of de energie te exporteren.

Michael Kenefick, hoofdauteur van het rapport en analist decentrale energie bij BNEF: “Datacenters kunnen onderdeel van de oplossing zijn voor meer duurzame energiebronnen in Europa. Hun lokale energiemiddelen, zoals UPS-systemen en back-upgeneratoren, kunnen in de toekomst worden ingezet om het elektriciteitsnet te ondersteunen. Bovendien kunnen computingtaken ook worden verplaatst naar periodes – of locaties – met veel beschikbare wind- en zonne-energie.”

Figuur 1: IT-stroom van datacenter en het aandeel in het totale jaarlijkse energieverbruik in de vijf focuslanden

 

Van de verschillende middelen die zijn bekeken, vertegenwoordigen UPS-systemen op korte termijn de meest aantrekkelijke bron van flexibiliteit. Ze zijn gebaseerd op batterijtechnologie en worden op grote schaal geïnstalleerd in datacenters. Bovendien zijn ze bijzonder geschikt voor snelle frequentierespons (FFR), een dienst die netbeheerders moet helpen een stabiele schakelfrequentie te behouden. In het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Noorwegen zouden de UPS systemen van datacenters meer dan genoeg kunnen zijn om aan de totale FFR-vraag te voldoen. Sommige beheerders experimenteren al met het aanbieden van dergelijke diensten via hun UPS systemen.

Toch blijkt uit het rapport dat beheerders van datacenters twijfelen over het inzetten van deze bronnen ter ondersteuning van het energienet. Redenen hiervoor zijn dienstenniveau-overeenkomsten met klanten, onvoldoende duidelijkheid en transparantie over de voordelen van het aanbieden van flexibiliteit en een gebrek aan kennis. BNEF schat daarom in dat tegen 2030 slechts 3,8 GWaan flexibiliteit van datacenters benut zal worden. Dat is minder dan een kwart van de 16,9 GW aan potentiële capaciteit in deze vijf landen en komt neer op 1,7% van de verwachte piekbelasting.

Karina Rigby, president, Critical Systems, Electrical Sector bij Eaton in EMEA: “Datacenters zijn unieke faciliteiten die te vergelijken zijn met microgrids vanwege de enorme hoeveelheden batterijopslag binnen hun back-up powersystemen. Dit onderzoek benadrukt het ongebruikte potentieel van de flexibiliteit die datacenters kunnen bieden met het oog op economische en milieuvoordelen. Wij roepen netbeheerders, overheidsinstanties en datacenterbeheerders op tot samenwerking om de netstabiliteitstechnologie van datacenters beschikbaar te stellen.”

In een vergelijking van de vijf landen in kwestie blijkt dat elk van hen te maken heeft met andere uitdagingen en kansen als het aankomt op datacenters en hun mogelijkheden op het elektriciteitsnet. Gedreven door de groeiende vraag naar rekencapaciteit en gegevensopslag, zowel van bedrijven als van eindgebruikers, kunnen in het gemiddelde groeiscenario hyperscale- en colocatiedatacenters in 2030 goed zijn voor maar liefst 24% van de energievraag in Ierland, 8% in Nederland en 5% in het Verenigd Koninkrijk. In Noorwegen en Duitsland daarentegen is er meer ruimte voor groei: datacenters zullen in 2030 naar verwachting slechts 2% van de energievraag van elk land uitmaken.

Ierland kent een volwassen markt, dankzij jarenlange investeringen in hyperscale datacenters, en zal waarschijnlijk blijven groeien ondanks enkele uitdagingen bij de integratie van datacenters in het elektriciteitsnet. Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Duitsland zullen naar verwachting hun datacentercapaciteit met 80-104% zien toenemen tussen 2021 en 2030.

Noorwegen zal tussen 2021 en 2030 naar schatting een groei van 205% zien in de energievraag vanuit datacenters. Dit is te verklaren door gunstige energieprijzen en een hoog aandeel schone energie in vergelijking met andere landen, waardoor het een aantrekkelijke locatie is voor datacenters die willen ‘vergroenen’.

Albert Cheung, hoofd analyse bij BNEF: “Datacenters hebben al veel inspanningen gedaan om hun bedrijfsvoering groener te maken, onder andere door overeenkomsten te sluiten voor de aankoop van hernieuwbare energie. Daarnaast zijn ze voortdurend op zoek naar nieuwe manieren om hun inzet voor klimaatdoelstellingen te tonen. Naarmate meer duurzame energiebronnen in het energienet worden opgenomen, zullen de mogelijkheden nog verder uitbreiden – niet alleen voor de inkoop van duurzame energie, maar ook als deel van de oplossing voor de integratie ervan in het net.”

Share Button

[ad_2]

Source link

[ad_1]

TenneT en VEMW publiceren vandaag een gezamenlijk plan over het grootschalig ontsluiten van flexibel elektriciteitsverbruik door de industrie. Het plan laat naast de noodzaak tegelijk zien welke kansen flexibiliteit voor de industrie biedt en wat er gedaan moet worden om die kansen te kunnen benutten. TenneT en VEMW roepen alle belanghebbenden – netbeheerders, industrie, overheid – op om actie te ondernemen om het potentieel van industriële vraagsturing te ontsluiten.

Maarten Abbenhuis, COO van TenneT: “Door de energietransitie zal het aandeel van zon- en windenergie in de energievoorziening sterk groeien. Omdat dit, in tegenstelling tot de huidige kolen- en gascentrales, weerafhankelijke bronnen zijn, neemt het vermogen om de elektriciteitsproductie te sturen af. Daarom wordt flexibel elektriciteitsgebruik, zeker ook door grote industriële afnemers, waardevol én noodzakelijk om de leveringszekerheid te vergroten. We willen immers dat er altijd elektriciteit geleverd kan worden als dat nodig is, ook als het minder waait of de zon minder schijnt.”

Hans Grünfeld, algemeen directeur VEMW: “Vraag en aanbod van elektriciteit moeten altijd in balans zijn voor een zekere levering. Industriële flexibiliteit kan hier een belangrijke bijdrage aan leveren en dit potentieel moet ten volle worden benut. Maar naast deze noodzaak vanuit het oogpunt van een stabiel systeem biedt industriële flexibiliteit ook kansen om de energierekening van bedrijven te verlagen door in te spelen op schommelende elektriciteitsprijzen op de spot-, onbalans- en reservemarkten.”

Veel potentieel, maar actie gewenst voor ontsluiting

Het verzilveren van het flexibiliteitspotentieel van grootverbruikers zal een serieuze inspanning van bedrijven vergen, in nauwe samenwerking met netbeheerders en de overheid. Er is inzicht nodig in potentiëlen en verdienmodellen. Een aantal barrières moet bovendien nog uit de weg geruimd worden. Het aanbieden van industriële flexibiliteit is relatief nieuw, vergt investeringen en kan voor sommige bedrijven ingewikkeld zijn. De huidige prijsspreads op de spotmarkten zijn soms nog onvoldoende om investeringen in flexibiliteit te rechtvaardigen en meer zekerheid is dan ook gewenst. Ook is niet altijd duidelijk of voldoende netcapaciteit beschikbaar zal zijn om verder te elektrificeren. Tot slot omvat de huidige nettariefstructuur barrières voor verdienmodellen van industriële flexibiliteit. TenneT en VEMW roepen in hun plan op tot gezamenlijke actie van netbeheerders, industrie en overheid om industriële flexibiliteit stevig op alle duurzaamheidsagenda’s te verankeren.

Share Button

[ad_2]

Source link

Berichten paginering